Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX9202

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
04-10-2012
Zaaknummer
AWB 12/3278
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van materiële schadevergoeding terugkomen door verweerder van een eerder besluit dat de schadevergoedingsuitkering uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.

Bewijslast rust op verweerder. Uitgangspunt is dat eiseres de nodige vrijheid heeft in de besteding van de schadevergoeding. Verweerder heeft geen concrete feiten en omstandigheden genoemd, waaruit zou blijken dat eiseres de aan haar toegekende materiële schadevergoeding uit het oogpunt van bijstandsverlening op een ongeoorloofde manier heeft besteed.

Voor zover verweerder stelt dat het op de spaarrekening aangetroffen geld afkomstig is van een andere bron dan de destijds toegekende schadevergoeding, rust ook hier op verweerder de last dat te bewijzen. In het licht van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot de activiteiten van eiseres op de markt (BV1857) heeft verweerder niet aan die bewijslast voldaan.

De aan eiseres verschuldigde wettelijke rente kan niet als een in aanmerking te nemen middel worden bestempeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 12/3278

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge artikel 8:67, derde lid, van de Algemene wet be-stuursrecht (Awb) van 20 augustus 2012

inzake

[naam], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. G.C.L. van Corput,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 29 juni 2012.

2. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart de bezwaren gegrond;

herroept het besluit van 7 maart 2012;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874;

bepaalt dat de betaling van dit bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 42 aan haar vergoedt.

3. Gronden van de beslissing

Verweerder heeft van eiseres € 30.899,68 teruggevorderd als ten onrechte over de periode van 15 juni 2007 tot en met 29 februari 2012 uitgekeerde bijstand. Verweerder is van oordeel dat eiseres tijdens de periode in geding aanspraken op in aanmerking te nemen middelen had, zodat de bijstand onverschuldigd is betaald (artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (Wwb). Het gaat om een spaar- en betaalrekening bij SNS Bank van, in totaal, € 17.924,57, de executie-opbrengst van een Renault Laguna van, naar de gemeente stelt, € 5.554,34, de executie-opbrengst van enkele andere roerende zaken van € 541,00, bij eiseres in beslag genomen contant geld van € 1.210,65 en de wettelijke rente over de som van de hiervoor genoemde bedragen vanaf juli 2007 van € 5.669,12, tezamen € 30.899,68. Inning heeft verweerder bewerkstelligd door verrekening met de schuld van hem aan eiseres wegens onrechtmatige executie van vermogensbestanddelen van eiseres. Verweerder heeft bij besluit van 6 januari 2000 de schadevergoedingsuitkering van ƒ 127.000,00 aan eiseres bestempeld als uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord, zodat het bedrag niet zou worden gerekend tot de in aanmerking te nemen middelen bij de bijstandsverlening (thans artikel 31, tweede lid, aanhef en sub m, van de Wwb). Voor zover het gaat om de vergoeding van de materiële schade van ƒ 71.859,00, is verweerder thans terugkomen van dit besluit, omdat, zo begrijpt de rechtbank verweerders standpunt, eiseres het geld niet heeft gebruikt waarvoor het is bestemd. Tevens is verweerder van oordeel dat het op de spaarrekening aange-troffen geld afkomstig is van een andere bron, vermoedelijk van inkomsten uit haar werkzaamheden op de markt in [plaats]

Omdat verweerder is teruggekomen van zijn beslissing in het besluit van 6 januari 2000, rust op hem de last te bewijzen dat van een onverantwoorde besteding van de uitgekeerde vergoeding voor materiële schade sprake is. Bij de beoordeling of verweerder aan zijn bewijsplicht heeft voldaan is uitgangspunt dat eiseres de nodige vrij-heid heeft in de besteding van de schadevergoeding. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat zij tot nog toe bewust minder heeft uitgegeven dan begroot, zodat zij een buffer heeft als de klachten sneller zouden verergeren dan destijds geschat. Een dergelijke bestedingsbeslissing is in beginsel aanvaardbaar en kan geen aanleiding voor verweerder vormen van de eerdere beslissing deze middelen vrij te laten terug te komen. Verweerder heeft ver-der geen enkele concrete feiten en omstandigheden genoemd, waaruit zou blijken dat eiseres de aan haar toege-kende materiële schadevergoeding uit oogpunt van bijstandsverlening op een ongeoorloofde manier heeft be-steed.

Voor zover verweerder stelt dat het op de spaarrekening aangetroffen geld afkomstig is van een andere bron dan de destijds toegekende schadevergoeding, rust op haar ook de last dat te bewijzen. Verweerder heeft gesteld dat eiseres inkomsten heeft gehad uit haar activiteiten op de markt in [plaats] De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 17 januari 2012 (LJN: BV1857) beslist dat over de periode vóór 15 november 2006 uitgegaan moet worden van de door eiseres opgegeven inkomsten van de markt en dat deze inkomsten, voor zover niet gekort op de uitkering, vrijgelaten moesten worden. In het licht van deze uitspraak heeft verweerder ook onvol-doende feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan kan worden vastgesteld dat het op de spaarreke-ning aangetroffen geld uit een andere bron is verkregen dan de destijds ontvangen schadevergoeding.

Ook de door verweerder aan eiseres verschuldigde wettelijke rente kan niet als een in aanmerking te nemen middel worden bestempeld. Verweerder heeft in zijn besluit van 6 januari 2000 de vermogensruimte van eiseres vastgesteld. De omvang van het bedrag aan wettelijke rente blijft in ieder geval binnen de in dat besluit ge-noemde grenzen en is ook lager dan het voor eiseres maximaal vrij te laten vermogen, genoemd in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b juncto lid 3, aanhef en onder a, van de Wwb, ten tijde van belang € 5.685,00.

De rechtbank komt tot de conclusie dat er voor verweerder onvoldoende grondslag bestaat om (gedeeltelijk) terug te komen van zijn besluit van 6 januari 2000. Verweerders standpunt dat eiseres aanspraken heeft op in aanmerking te nemen middelen kan geen stand houden. Er is derhalve geen grond om tot terugvordering inge-volge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wwb over te gaan. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd. Omdat uit het dossier en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat er feiten en omstandigheden zijn die anderszins een terugvorderingsbeslissing wegens de aanwezigheid van middelen kunnen dragen, ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 7 maart 2012 te herroepen.

De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te ver-oordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde kosten dienen, aangezien eiseres met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

De rechtbank bepaalt, onder toepassing van artikel 8:74, van de Awb, dat het griffierecht wordt vergoed.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De uitspraak is ter openbare zitting van 20 augustus 2012 gegeven door mr. F.J. de Vries, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. de Vries, griffier.

Waarvan proces-verbaal,

De griffier, De rechter,

Afschrift verzonden op: