Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX9059

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-08-2012
Datum publicatie
03-10-2012
Zaaknummer
827090 - VV EXPL 12-10110
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Werkneemster vordert onder meer tewerkstelling in eigen functie als analiste.

Bedrijfsarts achte werkneemster op medische gronden geschikt voor eigen werk, maar is ook van oordeel dat er bij terugkeer in eigen werk een meer dan gemiddelde kans bestaat op het opnieuw onstaan van arbeidsongeschiktheid.

Kantonrechter acht die vrees, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, gegrond en wijst verzoek af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0884

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

burgerlijk recht, sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 827090 \ VV EXPL 12-10110 \ 420

uitspraak van 28 augustus 2012

vonnis in kort geding

in de zaak van

[werkneemster]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. D.W.C. Jacobs

tegen

de stichting Stichting Katholieke Universiteit

gevestigd te Nijmegen

gedaagde partij

gemachtigde mr. J.A. van den Berg

Partijen worden hierna [werkneemster] en de Universiteit genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 juli 2012 met producties

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 10 augustus 2012 mede inhoudende de pleitnotitie met producties van de gemachtigde van de Universiteit.

2. De feiten

2.1. [werkneemster] is op 1 juni 1991 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij de Universiteit. Zij was laatstelijk werkzaam als analiste bij het Centraal Genoom Analyse Laboratorium ( hierna: het CGAL) tegen een bruto-inkomen van € 2.515,00 per maand exclusief emolumenten.

2.2. Op 12 april 2011 is er met [werkneemster] een loopbaanadviestraject gestart.

2.3. [werkneemster] is op 21 april 2011 uitgevallen wegens klachten van psychische aard (burn out-klachten).

2.4. Op 17 mei 2011 heeft de bedrijfsarts de probleemanalyse WIA opgesteld.

Als einddoel van de re-integratie wordt genoemd : “het einddoel is hervatting in ander passend werk bij eigen of andere werkgever”.

Als knelpunten in de eigen functie worden genoemd : “het werk stelt te hoge eisen aan mentale en cognitieve functies” en “anders namelijk onvrede met werkinhoud en matige relatie naar direct leidinggevende”.

2.5. Bij mail van 5 juli 2011, op 18 juli naar [werkneemster] gezonden, deelt de bedrijfsarts het volgende mede:

“(…) Ik adviseer om het re-integratrietraject te gaan richten op terugkeer in ander werk, binnen of buiten het UMCN. Dit sluit aan bij het advies van de loopbaanadviseur. Daartoe kan nu daadwerkelijk een start worden gemaakt met het loopbaanadviestraject. Mevrouw [werkneemster] is daartoe gemotiveerd.(…)”.

2.6. In het kader van de re-integratie van [werkneemster]e is er op 14 juli 2011 een voortgangsgesprek geweest waarbij, naast [werkneemster], onder meer een personeelsadviseur en haar manager aanwezig waren.

Het verslag van de personeelsadviseur van dit gesprek van 26 juli 2011 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…) Naar aanleiding van gesprekken in maart dit jaar, is in april reeds een begin gemaakt met een loopbaanadviestraject bij [persoon X], aangezien de onvrede van [voornaam werkneemster] over de eigen functie aanleiding gaf om onderzoek te doen naar een ontwikkelings- en eventueeel herplaatsingsrichting.

In het gesprek vandaag is nogmaals besproken dat [voornaam werkneemster] niet wil en kan terugkeren in de eigen functie bij Antropogenetica. Zij ervaart de functie van analist niet meer als passend en voelt dat het een goede keuze is om een andere richting in te slaan. Om die richting te bepalen wordt onder andere gestart met een loopbaanassesment.”

2.7. De Universiteit heeft eind oktober 2011 getracht [werkneemster] te re-integreren bij de Apotheek. Dat bleek niet mogelijk en ook de enige opleidingsplaats voor apothekersassistente was ingevuld.

2.8. Op 17 november 2011 is er nog een gesprek geweest tussen [werkneemster], haar leidinggevende en de personeelsadviseur over het loopbaan- en re-integratietraject.

2.9. [werkneemster] start uiteindelijk per 19 januari 2012 met re-integratie-activiteiten bij de productgroep HRM, sectie Post & Archief, waarbij de te werken uren langzaam worden opgebouwd.

2.10. Op 1 maart 2012 is er een eerstejaarsevaluatie in het kader van de Wet Verbetering Poortwachter. Op 5 maart 2012 heeft de personeelsadviseur daarvan een verslag gemaakt, dat ook door [werkneemster] is geparafeerd. Het slot van het verslag luidt als volgt:

“Het einddoel van de re-integratie is een aan deze re-integratie aansluitende herplaatsing in ander passend werk. Dit is zo in het loopbaantraject benoemd, maar vormt ook het uitgangspunt van de probleemanalyse van de bedrijfsarts en is in diverse gesprekken met [voornaam werkneemster] aan de orde geweest. [voornaam werkneemster] heeft haar werk op het CGAL an sich niet als verkeerd ervaren, maar heeft het wel als ‘dom werk’ervaren. Het ontbreken van diepgang en doorgroeimogelijkheden heeft bij [voornaam werkneemster] grote onvrede veroorzaakt.

Hoewel [voornaam werkneemster] het lastig vindt om met de onzekerheid van de toekomst om te gaan, is er momenteel geen reden om het einddoel bij te stellen.

[werkneemster] heeft op de tekst bij mail van 6 maart 2012 als volgt gereageerd:

“(…) Verder heb ik bij de vraag of het einddoel eventueel aangepast moet worden aangegeven dat als er geen geschikte herplaatsing mogelijk is ik er niet negatief tegenover sta om bij CGAL weer aan de slag te gaan. Ik zou graag zien dat dit in het verslag wordt opgenomen. Verder zou ik het prettig vinden dat ‘dom werk’(ook al heb ik me zo plastisch uitgedrukt) wordt vervangen door geestdodend werk. (…)”.

2.11. Omdat [werkneemster] van mening was dat de werkzaamheden bij Post & Archief niet passend waren heeft zij een zogenoemd deskundigenoordeel bij het UWV gevraagd om de reïntegratiewerkzaamhedne van de Universiteit te laten toetsen.

2.12. Op verzoek van [werkneemster] heeft de bedrijfsarts in het kader van bovenvermeld verzoek op 26 april 2012 een verklaring afgegeven met de volgende inhoud :

“(…) U heeft adequate behandeling gezocht met goed resultaat. Op dit moment zijn de beperkingen t.a.v. persoonlijk en sociaal functioneren verdwenen. Op bedrijfsgeneeskundige gronden bent u volledig arbeidsgeschikt voor een functie als analist of voor ander, passend werk. (…)”.

2.13. Op dezelfde datum bericht de bedrijfsarts de personeelsadviseur naar aanleiding van bovengenoemde verklaring bij mail als volgt:

“(…) De arbeidsdeskundige stelde de vraag of er medische beperkingen zijn tegen het werken in een functie als analist. Ik heb geantwoord dat daar op bedrijfsgeneeskundige gronden op dit moment geen bezwaar tegen bestaat. In mijn antwoord heb ik andere factoren, zoals genoemd in de probleemanalyse buiten beschouwing gelaten. De arbeidsdeskundige beschikt ook over de probleemanalyse.(…)”.

2.14. De arbeidsdeskundige van het UWV komt in zijn rapport van 3 mei 2012 tot de conclusie dat de door de werkgever uitgevoerde re-integratie inspanningen niet voldoende zijn. Een tegen dit rapport door de Universiteit ingediende klacht leidt niet tot een ander oordeel.

2.15. Per 1 juni 2012 voert [werkneemster] tijdelijk andere werkzaamheden uit bij het Laboratorium Medische Immunologie van de afdeling Laboratoriumgeneeskunde.

2.16. Bij mail van 8 augustus 2012, in copie naar [werkneemster], bericht de bedrijfsarts de personeelsadviseur het volgende ;

“(…) Bij deze deel ik u mede dat er op 21 februari 2012 een overleg heeft plaatsgevonden tussen mevr. [persoon Y] van de afdeling HRM van het UMCN en ondergetekende. Daarbij heeft ondergetekende vastgesteld dat bij terugkeer in de eigen werksituatie er een meer dan gemiddelde kans bestaat op het opnieuw ontstaan van arbeidsongeschiktheid. De door de werkgever en werknemergekozen strategie was daarop gebaseerd. Namelijk richten op re-integratie op ander passend werk.(…)”.

3. De vordering en het verweer

3.1. [werkneemster] vordert dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, om de Universiteit te veroordelen :

a. binnen 24 uur na betekening van het vonnis haar in staat te stellen haar werkzaamheden in de functie van analiste bij themagroep Centraal Genoom Analyse Laboratorium, afdeling Genetica te hervatten met alle bevoegdheden en faciliteiten, die zij krachtens de arbeidsovereenkomst placht te genieten, op straffe van een dwangsom van

€ 250,00 voor elke dag of een gedeelte daarvan dat de Universiteit in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;

b. tegen behoorlijk bewijs van kwijting onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto specificatie tot betaling van het overeengekomen loon vanaf 26 april 2012 ad

€ 2.515,00 bruto per maand, vermeerderd met alle emolumenten tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

c. tot betaling van de wettelijke verhoging ad 50% over het gevorderde onder b;

d. tot betaling van de wettelijke rente over de onder b. en c. genoemde bedragen;

e. tot betaling van € 357,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente,

en met veroordeling van de Universiteit in de kosten van het geding.

3.2. [werkneemster] heeft in dit verband aangegeven dat de Universiteit toen zij net was uitgevallen wegens psychische klachten haar in de richting van een andere functie en mogelijk andere werkgever trachten te bewegen. Zij was op dat moment juist vanwege haar psychische klachten niet in staat hier adequaat op te reageren.

[werkneemster] is van mening dat de Universiteit op de stoel van de arts gaat zitten en vindt dit onaanvaardbaar. Met behulp van een psycholoog is zij er weer volledig bovenop gekomen. Zij acht zich dan ook ‘gewoon’in staat haar werkzaamheden als analiste aan te vangen. Steun voor haar standpunt kan volgens haar worden gevonden in de standpunten van de bedrijfsarts en die van het UWV.

Het loon wordt gevorderd vanaf 26 april 2012, zijnde de datum dat de bedrijfsarts haar daartoe in staat achtte.

3.3. De Universiteit heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij is samenvattend van oordeel dat vastgehouden dient te worden aan de afspraken zoals deze vanaf de start van de re-integratie, en reeds daarvoor, zijn ingezet, te weten herplaatsing in ander werk. Reden van dit einddoel is het feit dat [werkneemster] is uitgevallen wegens de al langer aanwezige onvrede met haar werkzaamheden. Op advies van de bedrijfsarts en met instemming van [werkneemster] is het einddoel zo vastgesteld. Zij heeft dit doel nimmer betwist tot het moment dat haar salaris gekort zou worden wegens het langer dan een jaar ziek zijn en het moment waarop haar duidelijk werd dat een herplaatsingstraject eindig is. Toen haar begin dit jaar duidelijk werd dat het vinden van een functie in de richting die uit het loopbaanadviestraject kwam, de opleiding tot apothersassistent, een moeizaam proces ging worden, besloot zij dat zij toch wel weer terug wilde naar haar eigen functie. Hiermee wekt zij de suggestie alsof het gehele voorliggende re-integratietraject, tezamen met het loopbaanadviestraject, geheel vrijblijvend is geweest en dat het haar vrij staat om op elk gewenst moment haar keuze te bepalen.

Een dergelijke handelwijze acht de Universiteit niet alleen onjuist en onredelijk, maar gaat voorbij aan het feit dat zij haar verantwoordelijkheid dient te nemen voor de oorzaak van haar ziekmelding, te weten de grote ontevredenheid met haar werkzaamheden als analist. De werkinhoud van de functie van analist binnen het CGAL is sindsdien niet veranderd. Aangezien zij in diverse gesprekken heeft aangegeven niet terug te kunnen of te willen in haar eigen werk en haar eigen werk nog steeds als geestdodend te zien, is het risico dat zij weer zal uitvallen heel groot.

De Universiteit wil [werkneemster] blijven ondersteunen in de zoektocht naar een andere passende functie.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering.

4.2. De kantonrechter ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het, ondanks het oordeel van de bedrijfsarts neergelegd in diens schrijven van 26 april 2012 ( productie 5 bij de dagvaarding) en het deskundigenoordeel van het UWV van 3 mei 2012 (productie 4 bij de dagvaarding), aanleiding bestaat om de vordering tot tewerkstelling in het eigen werk af te wijzen.

Die vraag wordt bevestigend beantwoord, waartoe het volgende wordt overwogen.

4.3. In de eerste plaats kent de kantonrechter gewicht toe aan de ter zitting overgelegde mail van de bedrijfsarts van 8 augustus 2012, waarin hij vaststelt dat bij terugkeer van [werkneemster] in de eigen werksituatie er een meer dan gemiddelde kans bestaat op het opnieuw ontstaan van arbeidongeschiktheid en dat de gekozen strategie, namelijk zich richten op re-integratie in ander passend werk, was gericht op het vermijden van die kans.

Deze opvatting van de bedrijfsarts komt niet uit de lucht vallen, maar vindt naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter haar basis in de achtergronden van de ziekmelding en de invulling van het re-integratietraject.

4.4. Uit de feiten zoals opgenomen onder punt 2 komt naar voren dat onvrede met het eigen werk mede ten grondslag lag aan de ziekmelding, dat die opvatting nadien in meerdere gespreksverslagen is neergelegd (en door [werkneemster] destijds niet is weerlegd) en in ieder geval in maart 2012 nog door [werkneemster] werd gehuldigd, waar zij haar eigen werk als “geestdodend” omschrijft.

Dat [werkneemster] zich wegens haar psychische toestand in een traject gericht op ander passend werk heeft laten duwen, zoals zij stelt, acht de kantonrechter niet aannemelijk, nu dat niet is onderbouwd en de stukken daarvoor geen aanknopingspunten bieden. Hetzelfde geldt voor haar mededeling ter zitting dat zij haar werk altijd met plezier heeft gedaan, nu dat niet strookt met de gedingstukken.

Gelet op het voorgaande onderschrijft de kantonrechter de mening van de bedrijfsarts neergelegd in diens mail van 8 augustus 2012 en trekt daaruit de conclusie dat wedertewerkstelling in het eigen werk thans noch in het belang van [werkneemster] noch in dat van de Universiteit is. Goed werknemerschap als bedoeld in artikel 7:611 Burgerlijk Wetboek brengt in dit geval naar het oordeel van de kantonrechter mee dat [werkneemster] niet vasthoudt aan herplaatsing in eigen werk, maar meewerkt aan de door de Universiteit aangeboden herplaatsing in ander passend werk.

4.5. Wat betreft de loonvordering stelt de kantonrechter vast dat niet is weersproken het ter zitting door de Universiteit ingenomen standpunt dat [werkneemster] vanaf 21 mei 2012 100% van haar salaris ontvangt. Wat de daaraan voorafgaande periode betreft heeft de Universiteit betoogd dat de loonvordering over die periode reeds hierom moet worden afgewezen omdat [werkneemster] zich opzettelijk niet beschikbaar heeft gehouden voor de resterende 12 uren van haar arbeidsomvang, hetgeen kan worden afgeleid uit een verklaring van [werkneemster] van 9 mei 2012. Volgens [werkneemster] wilde ze wel 36 uur werken maar is bij de afdeling Post & Archief gezegd dat uitbreiding niet mogelijk was.

De kantonrechter stelt vast dat de lezing van de Universiteit strookt met het gespreksverslag van 15 mei 2012 (gedingstuk 7 bij de dagvaarding) en dat [werkneemster] haar lezing niet nader heeft onderbouwd.

Gezien het vorenstaande ziet de kantonrechter aanleiding ook deze vordering af te wijzen.

Nu de hoofdvordering niet voor toewijzing in aanmerking komen is er aanleiding de nevenvorderingen ook af te wijzen.

4.6. [werkneemster] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [werkneemster] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van de Universiteit begroot op € 200,00 aan salaris voor de gemachtigde;

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.J. Penning en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2012.