Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX8900

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
AWb 11/2895 en 11/3399
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Redelijke grond voor huisbezoek.

Indien een redelijke grond voor huisbezoek aanwezig is, is er niet ook nog een redelijke grond nodig voor het inzien van bepaalde specifieke zaken, zoals de sporttas en de schuur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummers: AWB 11/2895 en AWB 11/3399

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[naam], eiseres,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. H. Pasman,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

I Besluit van verweerder van 15 juni 2011;

II Besluit van verweerder van 11 juli 2011.

2. Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2011 heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres ingetrokken met ingang van 18 januari 2011.

Bij het in rubriek 1 als besluit I aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.

Bij besluit van 16 maart 2011 heeft verweerder de aanvraag om een uitkering op het recht op bijstand van eiseres afgewezen.

Bij het in rubriek 1 als besluit II aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.

Tegen deze besluiten is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 15 februari 2012. Partijen zijn niet verschenen.

3. Overwegingen

Ten aanzien van besluit I

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres ontving een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Naar aanleiding van een geweldsincident meldde de politie aan verweerder dat op het adres van eiseres nog een man woonachtig zou zijn. In de periode tussen 20 september 2010 en 18 januari 2011 heeft een fraudepreventiemedewerker van verweerder meerdere malen per week waargenomen dat voor het woonadres van eiseres een auto geparkeerd stond (kenteken [nummer]), zij het telkens op een andere plaats. Deze auto staat op naam van eiseres. Eiseres heeft zelf geen rijbewijs. Zij heeft verklaard dat de auto gebruikt wordt door haar vriend, [naam 2], en door haar broer, [naam 3]. Eenmaal, op 27 september 2010, zag de toezichthouder een man uit de woning van eiseres komen en in de auto met kenteken [nummer] wegrijden.

Op 21 december 2010 hebben twee fraudepreventiemedewerkers een onaangekondigd huisbezoek afgelegd bij eiseres. Zij hebben eiseres medegedeeld dat zij geen medewerking hoefde te verlenen aan het huisbezoek, maar dat in het geval zij hier niet mee instemde, dit gevolgen voor haar uitkering zou kunnen hebben. Eiseres heeft hierop toestemming verleend de woning te betreden en een daartoe strekkende verklaring ondertekend. Bij dit huisbezoek is de nodige herenkleding aangetroffen. Eiseres heeft aangegeven de bij de woning behorende schuur niet aan de fraudepreventiemedewerkers te kunnen tonen omdat zij niet (meer) over de sleutel beschikte. Tevens heeft eiseres geweigerd de inhoud van een sporttas, waaruit een boekje over hennep stak, te tonen. Hierop hebben de fraudepreventiemedewerkers het huisbezoek beëindigd.

Op 18 januari 2011 is eiseres uitgenodigd om 14.00 uur ten kantore van verweerder. Tijdens dat gesprek hebben de fraudepreventiemedewerkers aangegeven direct aansluitend een huisbezoek te willen afleggen om alsnog de tas en de schuur te bekijken. Eiseres heeft aangegeven dat dit niet mogelijk was, maar dat zij wel later om 17.30 uur langs konden komen. Ook na een geboden hersteltermijn weigerde eiseres toestemming te geven voor een huisbezoek aansluitend aan het gesprek.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 18 januari 2011 tot en met 10 februari 2011.

Verweerder heeft aan besluit I ten grondslag gelegd dat nu eiseres niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek op 18 januari 2011 het recht op bijstand niet vastgesteld kan worden.

Eiseres heeft gesteld – zo begrijpt de rechtbank – dat er geen redelijke grond was voor het huisbezoek van 21 december 2010 en dientengevolge ook niet voor dat van 18 januari 2011. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. De melding van de politie dat mogelijk een man op het adres van eiseres zou wonen in combinatie met de waarnemingen dat de auto van eiseres veelvuldig voor haar huis geparkeerd stond, terwijl uit het feit dat de auto steeds op andere plekken stond duidelijk was dat er mee was gereden, en de waarneming dat een man uit het huis van eiseres kwam en met de auto wegreed in combinatie met de wetenschap dat eiseres zelf niet over een rijbewijs beschikte, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat er concrete feiten en omstandigheden waren die maakten dat verweerder redelijkerwijs kon twijfelen aan de juistheid dan wel volledigheid van de door eiseres verstrekte inlichtingen. Nu deze inlichtingen onmiskenbaar van belang waren voor het vaststellen van de omvang van het recht op bijstand en deze niet op een andere voor betrokkene minder belastende wijze konden worden verkregen, bestond er een redelijke grond voor het huisbezoek van 21 december 2010. De bevindingen van dat huisbezoek, onder meer een aanzienlijke hoeveelheid herenkleding en de weigering om de inhoud van de sporttas en de schuur te tonen, in combinatie met de reeds genoemde feiten en omstandigheden, vormden vervolgens een redelijke grond voor het huisbezoek van 18 januari 2011. Nu eiseres niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek op 21 december 2010 en toestemming voor het huisbezoek aansluitend aan het gesprek op 18 januari 2011 heeft geweigerd, heeft zij niet voldaan aan haar inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van de Wwb. Het feit dat eiseres zich tijdens het gesprek op 18 januari 2011 wel bereid toonde de inhoud van de tas en de schuur op een later tijdstip die dag aan de fraudepreventiemedewerkers te tonen, doet daar niet aan af. Eiseres was verplicht haar medewerking te verlenen aan de onmiddellijke uitvoering van het huisbezoek. Alleen een zeer dringende reden die aan de onmiddellijke uitvoering van een huisbezoek in de weg staat, kan een rechtvaardigingsgrond vormen voor het niet verlenen van de vereiste medewerking. Daarvan is de rechtbank niet gebleken.

Eiseres stelt voorts dat niet aannemelijk is geworden dat het inzien van de sporttas en de schuur van belang was voor het vaststellen van het recht op bijstand. Aldus bestond er geen redelijke grond voor het inzien van de sporttas en de schuur. Deze grond faalt. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, bestond er een redelijke grond voor het huisbezoek. In dat geval is er niet ook nog een redelijke grond nodig voor het inzien van bepaalde specifieke zaken, zoals in dit geval de sporttas en de schuur.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het besluit I geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Ten aanzien van besluit II

Verweerder heeft aan besluit II ten grondslag gelegd dat eiseres niet aan haar inlichtingenverplichting voldoet waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Eiseres stelt dat zij wel aan haar inlichtingenverplichting heeft voldaan.

De rechtbank gaat uit van de volgende – door partijen niet bestreden – feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft op 23 maart 2012 een nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag is een nieuw onderzoek ingesteld. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in het rapport van 21 april 2011. Op 12 april 2012 is door twee fraudepreventiemedewerkers een huisbezoek afgelegd. Zij troffen in de woning een aantal herenkledingstukken aan. Eiseres verklaarde dat haar vriend niet meer bij haar woont. Hij zou haar mishandeld hebben, hetgeen eiseres gemeld heeft bij de wijkagente. De kledingstukken zouden zijn achtergebleven. Nadat een fraudepreventiemedewerker de volgende dag de auto van eiseres, waarvan bekend is dat deze wordt gebruikt door haar vriend, in de buurt van de woning van eiseres aantrof, is direct opnieuw een huisbezoek afgelegd. Bij dat huisbezoek is de vriend van eiseres in de woning aangetroffen. Eiseres verklaarde dat hij de vorige avond bij haar gekomen was met twee tassen, omdat hij geen slaapplek had. Zij volhardde in haar standpunt dat hij niet bij haar woont. Het rapport vermeldt verder dat de wijkagente niet bekend is met een melding van een mishandeling door eiseres.

Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht kunnen concluderen dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat haar vriend bij haar woont. De verklaring van eiseres, die erop neerkomt dat haar vriend toevallig op 12 april 2011 ’s avonds bij haar langskwam met het verzoek om een slaapplaats acht de rechtbank ongeloofwaardig. Verweerder heeft derhalve terecht de nieuwe aanvraag voor een bijstandsuitkering van eiseres afgewezen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eiseres tegen het besluit II geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzitter, en mr. F.J. de Vries en mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. de Vries, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: