Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX8895

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
202773
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Conclusie na deskundigenbericht.

In verband met een aantal opmerkingen van de deskundige heeft ASR opdracht gegeven aan CIJ Borculo B.V. voormeld tot het doen van een nader onderzoek. Naast dezelfde drie metingen die al door de deskundige waren gedaan is in dit onderzoek een vierde meting gedaan, waarbij is getracht het openen en sluiten van een drukregelaar te simuleren.

De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het hiervoor al genoemde rapport van 18 april 2012.

Nuon CCC heeft op het nieuwe verweer van ASR en het daaraan ten grondslag gelegde rapport van CIJ Borculo nog niet kunnen reageren en evenmin op het verzoek van ASR om een aanvullend deskundigenbericht. Zij zal daartoe alsnog de gelegenheid krijgen. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 202773 / HA ZA 10-1334

Vonnis van 19 september 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ASR VASTGOED VERMOGENSBEHEER B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

naamloze vennootschap

NUON CUSTOMER CARE CENTER N.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.M.W. Werker te Arnhem.

Partijen zullen hierna ASR en Nuon CCC genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 19 oktober 2011

- het deskundigenbericht van W.F. Volmer van NMi d.d. 26 april 2012

- de conclusie na deskundigenbericht van Nuon CCC, tevens houdende akte wijziging van eis

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van ASR.

Daarna is vonnis bepaald.

De (verdere) beoordeling van het geschil

in reconventie

1. Gebleven wordt bij hetgeen eerder is vastgesteld en overwogen. Nuon CCC heeft haar eis gewijzigd in die zin, dat zij de ingangsdata van de over hoofdsom gevorderde wettelijke handelsrente nader heeft gespecificeerd. Verder heeft zij haar eis vermeerderd met € 671,-- wegens wettelijke handelsrente over vier reeds betaalde facturen. ASR heeft tegen de wijziging/vermeerdering van eis geen bezwaar gemaakt, zodat de gewijzigde/vermeerderde vordering moet worden beoordeeld.

2. In het laatste tussenvonnis zijn aan de daarbij benoemde deskundige onder meer de volgende vragen voorgelegd:

a. Wijkt de montage van de gasmeter in kwestie (merk Instromet, type SM-RI-X-K, fabrieksnummer 60706) in het flatgebouw aan de Staalmeesterlaan 191 te Amsterdam

(zoals zichtbaar is op de als productie 12 door Nuon CCC bij brief van 19 november 2010 overgelegde foto) af van de door de fabrikant voorgeschreven montage?

b. Zo ja, bent u in staat om door middel van onderzoek aan de betreffende, inmiddels uit het gebouw verwijderde, gasmeter vast te stellen of, en zo ja welke - kwantitatieve - gevolgen dit heeft gehad voor de registratie van het gasverbruik in het desbetreffende gebouw?

c. Kunt u, met het oog op vorenbedoeld onderzoek, aangeven of dit onderzoek dient te worden uitgevoerd met gebruikmaking van de gasmeter in kwestie of kan evengoed gebruik worden gemaakt van een willekeurige andere gasmeter van hetzelfde merk en type?

d. Kunt u, eveneens met het oog op vorenbedoeld onderzoek, aangeven of dit onderzoek kan worden ingesteld in een van de laboratoria van het NMi dan wel of het onderzoek ter plaatse, nadat de gasmeter is teruggeplaatst, overeenkomstig de oorspronkelijke toestand (zoals weergegeven op de hiervoor onder a bedoelde foto) dient te worden uitgevoerd?

e. Wilt u, indien mogelijk en op een wijze die u het best voorkomt, het hiervoor onder b bedoelde onderzoek verrichten en de resultaten daarvan, per jaar uitgesplitst, in uw rapport vermelden?

3. Na het doen van drie metingen onder verschillende omstandigheden, uitgevoerd op de “Turbine/Rotormeter lage druk lucht testinstallatie” van NMi Certin BV in Dordrecht, waarvan de resultaten zijn opgenomen in de bij het rapport behorende bijlagen 2 t/m 4, heeft de deskundige de voormelde vragen (die in het rapport zijn aangeduid als 15a t.m 15e) als volgt beantwoord:

“15a) Ja. Volgens de opgave van de fabrikant is de afstand tussen het T-stuk en de meter te kort. In de gefotografeerde opstelling kunnen verschuivingen van meer dan 0.33% niet uitgesloten worden.

Bron: Turbine Gas Meter Handbook, Instromet, 29/11/2000.

15b) Ja. Zie voorgaande bijlagen met de testresultaten en de volgende met de daaruit getrokken conclusie.

15c) Een gasmeter van hetzelfde fabrikaat en type zal gelijksoortig op de diverse omstandigheden reageren, mits de oorspronkelijke meter geen defecten vertoont. De eerdere onderzoeken geven geen aanleiding tot het vermoeden van defecten. Derhalve kan het onderzoek uitgevoerd worden op een gelijksoortige meter. Daarnaast zou een defect aan de meter leiden tot een lagere registratie dan verwacht.

Wij zien geen reden te twijfelen aan de resultaten van eerdere onderzoeken, aangezien deze zijn uitgevoerd door daartoe gecertificeerde en kundige bedrijven.

15d) De onderzoeksmogelijkheden in de praktijkopstelling zijn dermate beperkt, dat het onderzoek beter in een laboratorium uitgevoerd kan worden. Deze beperkingen zijn meerledig. Ten eerste kan de flow niet naar wens geregeld worden. Verder moeten, ten behoeve van testen, referentie meetmiddelen in de opstelling aangebracht worden. De ruimte om dit op correcte wijze te doen ontbreekt en verandert, per definitie, de oorspronkelijke opstelling. Uit resultaten die op dergelijke wijze vergaard zouden worden, is derhalve geen sluitende conclusie te trekken. Volledige overeenstemming met de oorspronkelijke opstelling is een natuurkundige onmogelijkheid, zowel ter plaatse van de oorspronkelijke opstelling als in een laboratorium. Het hoogst haalbare is een zo nauwkeurig mogelijke afspiegeling van de oorspronkelijke situatie, met daaraan toegevoegd passende referentie meetmiddelen in combinatie met de mogelijkheid op gecontroleerde wijze uiteenlopende procescondities aan te brengen.

15e) Ja. De behaalde resultaten geven echter geen aanleiding tot correctie en uitsplitsing per jaar”.

4. De in antwoord 15b bedoelde conclusie is opgenomen in bijlage 6 bij het rapport. Die conclusie, getrokken uit de drie testresultaten, luidt:

“Alleen bij het laagste debiet worden verschillen gevonden die groter zijn dan de onzekerheid in de testmethode/testopstelling. De grootte van deze verschillen is vele malen kleiner dan het vermoede verschil in registratie van de totaal doorgevoerde hoeveelheid. Bovendien weegt een verschil op laag debiet minder zwaar door in totaal geregistreerde hoeveelheid, omdat er minder kubieke meters bij dergelijke debieten worden geleverd. Anders gezegd kan de gemiddelde verschuiving in miswijzing niet groter zijn dan de grootste gevonden verschuiving. Op basis van de behaalde testresultaten zien wij daarom geen aanleiding tot corrigerende maatregelen”.

5.Nuon CCC heeft de inhoud van het deskundigenrapport onderschreven. ASR heeft opgeworpen dat bepaalde passages in het rapport “eerder vragen oproepen dan beantwoorden” en dat het rapport enkele aannames bevat die niet zijn onderbouwd. Dat en zo ja welke consequenties die opmerkingen zouden moeten hebben voor de beantwoording van de vragen heeft ASR echter niet duidelijk gemaakt. Het lijkt er eerder op dat ASR de bevindingen en conclusies van de deskundige onderschrijft. Dat volgt uit een in haar opdracht door W.H. Norde van CIJ Borculo B.V. uitgevoerd onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een door ASR in het geding gebracht rapport d.d. 18 april 2012 (waarover hierna meer). Daarin staat dat Norde de testresultaten van de drie metingen van de deskundige onderschrijft. In het rapport staat daarover immers:

“Meting 1 t/m 3 is op dezelfde manier en meetpunten gemeten zoals reeds door NMi is uitgevoerd (…). Uit de metingen 1 t/m 3 kunnen wij de conclusie trekken dat de verschillende aanstromingen, in deze situatie, van de gasmeter geen invloed heeft op de meetafwijking van de meter. Dit is een bevestiging van de meting welke is uitgevoerd door NMi”.

Al met al moet op grond van dit alles worden geoordeeld dat ASR de bevindingen en conclusies van de deskundige onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.

6. De deskundige heeft zijn antwoorden op de gestelde vragen goed gemotiveerd Deze komen de rechtbank juist en overtuigend voor en worden door haar overgenomen. Daaruit volgt dat aangenomen moet worden dat de montage van de gasmeter in het flatgebouw aan de Staalmeesterlaan 191 te Amsterdam weliswaar afwijkt van de door de fabrikant voorgeschreven montage, maar dat dat geen (noemenswaardige) kwantitatieve gevolgen heeft gehad voor de registratie van het gasverbruik in dit gebouw.

7. ASR heeft haar verweer, dat zij heeft betaald voor gas dat zij niet geleverd heeft gekregen, thans echter daarop gegrond dat zij vermoedt dat de geconstateerde verschillen in verbruik tussen de beide flats aan de Staalmeesterlaan hun oorzaak vinden in de onjuiste werking van de (mogelijk defecte) drukregelaar (drukreduceer) in de flat aan de Staalmeesterlaan 191. ASR ontleent dat vermoeden aan hetgeen door de deskundige in zijn rapport onder 1.5 en 1.7 is neergelegd. Daar heeft de deskundige geschreven:

“1.5. Testmethode configuratie 3

Ten opzichte van configuratie 2 is hier het aangeleverde drukreduceer toegevoegd aan de testopstelling.

Een eventuele tweede invloed op de meettechnische karakteristieken van turbine gasmeters is het optreden van pulsaties (herhaalde drukgolven). Dergelijke pulsaties kunnen eventueel ontstaan bij het drukreduceer. Indien zij optreden, leiden zij bij turbine gasmeters altijd tot een hogere meterstand.

Het in de testen betrokken drukreduceer is NMi aangeleverd door Liander, de netwerkbeheerder, en van identiek fabrikaat en type als in de oorspronkelijke opstelling.

(…)

1.7.Overwegingen / opmerkingen

(…)

Het niet kunnen beschikken over het oorspronkelijk drukreduceer is mogelijk wel van invloed op het onderzoek. Indien beide reduceren (oorspronkelijk en aangeleverd) correct functioneren, resulteert dit in eenzelfde mate van drukverandering en stromingsprofiel verstoring. Dit zou op zijn beurt leiden tot eenzelfde mate van verschuiving en daarmee nauwelijks of geen invloed hebben op de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken. Opmerking: naar onze mening functioneert het aangeleverde drukreduceer correct (…).

Een defect drukreduceer kan eventueel leiden tot pulserende flows, wat op zijn beurt zou leiden tot overregistratie op de meter. Kwantificering van de mate van overregistratie als gevolg van pulsaties kan alleen correct plaatsvinden indien de pulsaties nauwkeurig nagebootst worden. Het aanbrengen van willekeurige pulsaties geeft geen antwoord op de vraag naar de grootte van de eventuele verschuiving. Dit is de reden waarom geen testen zijn uitgevoerd met bijvoorbeeld plotselinge onderbrekingen van de gasstroom”.

8. In verband met deze opmerkingen van de deskundige heeft ASR opdracht gegeven aan CIJ Borculo B.V. voormeld tot het doen van een nader onderzoek. Naast dezelfde drie metingen die al door de deskundige waren gedaan is in dit onderzoek een vierde meting gedaan, waarbij is getracht het openen en sluiten van een drukregelaar te simuleren.

De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het hiervoor al genoemde rapport van 18 april 2012.

9. Nuon CCC heeft op dit nieuwe verweer van ASR en het daaraan ten grondslag gelegde rapport van CIJ Borculo nog niet kunnen reageren en evenmin op het verzoek van ASR om een aanvullend deskundigenbericht. Zij zal daartoe alsnog de gelegenheid krijgen. De zaak zal daartoe naar de rol worden verwezen.

10. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rolzitting van 17 oktober 2012 voor akte het nemen van een akte door Nuon CCC over hetgeen hiervoor onder 9 is overwogen,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2012.

Coll.: ED