Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX8849

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
182198
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

VWG niet geslaagd in het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen geachte feit dat VWG ten onrechte goedkeurende verklaringen heeft afgegeven bij de jaarrekeningen van Alaaf.

Daarmee is VWG toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met alaaf. Gevorderde schade deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2012-0253
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 182198 / HA ZA 09-440

Vonnis van 19 september 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALAAF B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres,

advocaat mr. W.H.B.K. Brunet de Rochebrune te Nijmegen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VWG GROEP ACCOUNTANTS EN BELASTINGADVISEURS B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

2. H[gedaagde]

gedaagden,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna Alaaf en VWG genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 22 september 2010

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 7 februari 2011

- het proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor van 9 mei 2011

- het proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor van 8 augustus 2011

- het proces-verbaal van tegengetuigenverhoor van 24 april 2012

- de conclusie na getuigenverhoor van VWG van 20 juni 2012

- de conclusie na getuigenverhoor van Alaaf van 18 juli 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in de tussenvonnissen van 17 maart 2010 en 22 september 2010. In het laatste tussenvonnis is VWG toegelaten tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat VWG ten onrechte goedkeurende verklaringen heeft afgegeven bij de jaarrekeningen van McDos (thans Alaaf) over de jaren 1996 tot en met 1999. De rechtbank heeft daarbij het oordeel van de raad van tucht voor registeraccountants en accountants-administratieconsulenten (‘de Raad’) overgenomen. Dit oordeel luidde, voor zover hier van belang, als volgt:

De raad neemt mitsdien tot uitgangspunt dat de jaarrekeningen van McDos over de jaren 1996 tot en met 1999 als gevolg van de onjuiste, althans onvolledige implementatie in de administratieve organisatie van McDos van mededeling 38 en de gevolgen daarvan, geen getrouw beeld geven. De vraag die aldus voorligt is of de betrokkene [[gedaagde sub 2], de rechtbank] ervan een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken dat hij bij die jaarrekeningen niettemin goedkeurende verklaringen heeft afgegeven.

Die vraag beantwoordt de raad bevestigend.

In het bijzonder gelet op het aandeel van de afhaaltransacties in het totaal van de omzet van McDos in een aantal van de betreffende jaren had de betrokkene, die bekend was met de eisen die mededeling 38 aan de administratie stelde, zich grondig ervan moeten vergewissen dat McDos feitelijk voldeed aan de door mededeling 38 gestelde eisen. De betrokkene had er niet op mogen vertrouwen dat mededeling 38 op juiste wijze in de administratieve organisatie van McDos was verwerkt op basis van hetgeen hem in de gesprekken dienaangaande door de klaagster [thans Alaaf, de rechtbank] is medegedeeld en de bevinding van de betrokkene dat het juiste bij afhaaltransacties te hanteren formulier binnen de onderneming aanwezig was.

2.2. Mededeling 38 is een besluit van de Minister van financiën van 20 juni 1995 en betreft de heffing van omzetbelasting met betrekking tot intracommunautaire leveringen. Ten aanzien van afhaaltransacties bepaalt Mededeling 38 onder meer het volgende:

Indien goederen aan een buitenlandse afnemer worden geleverd ,,af-fabriek'' of ,,af-magazijn'' (afhaaltransacties), zal het intracommunautaire karakter van de levering niet mede kunnen blijken uit een vrachtbrief of uit de eigen-vervoersadministratie van de leverancier. Desalniettemin zijn er omstandigheden denkbaar waaronder de leverancier zich er ook in deze situatie van overtuigd mag weten dat de buitenlandse afnemer de goederen naar een andere Lid-Staat zal vervoeren. In aanvulling op het in de administratie al aanwezige samenstel van bescheiden en vastleggingen moet het dan gaan om een vaste afnemer, tenzij de leverancier weet dat door hem aan deze afnemer verrichte intracommunautaire leveringen tot problemen hebben geleid, welke afnemer bovendien een hierna bedoelde verklaring heeft afgegeven. Deze, door degene die de geleverde goederen in ontvangst neemt, te ondertekenen schriftelijke verklaring zal ten minste moeten bevatten de naam van de afnemer en, indien de afnemer de goederen niet persoonlijk in ontvangst neemt, de naam van degene die dat namens de afnemer doet, het kenteken van het voertuig waarmee de goederen zullen worden vervoerd, het nummer van de factuur waarop de geleverde goederen zijn gespecificeerd, de plaats waarheen de afhaler de goederen zal vervoeren, alsmede de toezegging dat de afnemer bereid is aan de Belastingdienst desgevraagd nadere informatie te verstrekken omtrent de bestemming van de goederen. Een model van deze verklaring is als bijlage opgenomen.

2.3. Gebleken is dat Alaaf in haar administratie gebruik maakte van een verklaring, in drie opeenvolgende versies. Deze zijn bij dagvaarding overgelegd als producties 8, 10 en 23. De laatste twee versies komen overeen met het hiervoor genoemde model.

2.4. VWG heeft ten bewijze van haar standpunt 6 getuigen doen horen. Bij conclusie na enquête wijst VWG erop dat Mededeling 38 voorschrijft hoe Alaaf kan aantonen dat aan de voorwaarden is voldaan om in aanmerking te komen voor het nultarief en dat het daarbij gaat om de totale administratie waarbij de afhaalverklaring een aanvullend bewijsstuk kan zijn. Volgens VWG is de afhaalverklaring dus een middel en geen doel op zich. Zij vindt dat dit aspect in de onderhavige procedure verloren dreigt te gaan.

2.5. De rechtbank deelt die visie niet. De Raad heeft overwogen dat – kort gezegd – VWG onvoldoende is nagegaan of Alaaf voldeed aan de door Mededeling 38 gestelde eisen, met name gelet op het grote aandeel dat de afhaaltransacties had in de omzet van Alaaf. Dat de afhaalverklaringen maar een aanvullend bewijsstuk zouden zijn op de totale administratie – wat daar ook van zij – doet niet af aan het feit dat door de Belastingdienst is geconstateerd dat de administratie van Alaaf op het punt van de afhaaltransacties niet voldeed aan de eisen van Mededeling 38. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om haar oordeel op dit punt aan te passen.

2.6. De controlerend accountant, die eindverantwoordelijkheid droeg voor de goedkeuring van de jaarrekeningen, de heer [gedaagde sub 2], heeft over de controle onder meer als volgt verklaard:

McDos vertelde mij bij de eindejaarscontrole over 1996, dat was dus in 1997, dat zij aan afhaaltransacties deden. Ik heb toen met [betrokkene 1] besproken hoe daarmee werd omgegaan en een notitie gemaakt. [betrokkene 1] was de enige die zich in financiële zin bezig hield met deze transacties. Aan de hand van wat hij mij vertelde vond ik het prima dat alles in een hand was, omdat [betrokkene 1] de indruk gaf dat adequaat te doen. Het ging om grote bedragen en om een groot risico. Ik heb met [betrokkene 1] gesproken over afhaalverklaringen, samen met mijn collega [betrokkene 2]. Wij hebben de gang van zaken rond afhaalverklaringen besproken, namelijk hoe de procedure van de transactie verliep. Daarbij ging het om documenten, zoals facturen, de relatie met de bank, de contacten met de fiscus over de BTW nummers. [betrokkene 1] heeft ons laten zien hoe hij dat deed en wij hebben dat gecontroleerd. Er is niet gesproken over hoe de afhaalverklaring eruit moest zien en hoe deze ingevuld moest worden. Wij hebben besproken dat aannemelijk gemaakt moest worden dat de goederen naar het buitenland gingen. Ik had geen praktijkervaring met de afhaalverklaring. Bij een interimcontrole werd aandacht besteed aan punten waarop extra gecontroleerd moest worden en werd een risico-inschatting gemaakt. Aan de hand van die risico-inschatting werd bij de eindejaarscontrole extra gecontroleerd op die punten. Bij de interimcontrole werd bekeken of de administratieve organisatie er is, of die ook daadwerkelijk bestaat, of elke stap van de procedure ook wordt gevolgd, of de procedure werkt en wordt geëvalueerd. Bij de interimcontrole van 1997 werd een speciale focus gelegd op de afhaaltransacties. Het team heeft toen bekeken of het afhaalformulier aanwezig was en hoe dat werd ingevuld. Toen bleek dat niet alles adequaat was ingevuld, maar ik weet niet meer precies op welke punten dat het geval was. Op dat moment hebben wij het niet zo ingeschat dat die volledigheid belangrijk was. Nu ik u deze verklaring zo hoor voorlezen moet ik dat nuanceren. Op dat moment hebben wij het niet zo ingeschat dat die volledigheid zo belangrijk was. In Nederland werd vooral naar de materiële kant gekeken en niet zozeer naar de formele kant. Ik baseerde dat onder meer op het rapportje van de belastingdienst van 1996, de betrokkenheid van de fiscus bij de BTW verificaties en het feit dat [betrokkene 1] blijk gaf de zaak onder controle te hebben. Ik merk op dat de afhaaltransacties maar een deel van de controle betrof en dat er veel meer te controleren was. Door mij is niet expliciet een terugkoppeling, evaluatie, gegeven aan [betrokkene 1] over de onvolledige formulieren. Mijn focus lag op het aantonen van het feit dat de goederen naar het buitenland waren gegaan. Dat was in mijn ogen voldoende.

2.7. Uit de verklaring van [gedaagde sub 2] volgt dat hij inschatte dat de volledigheid van de afhaalverklaringen niet zo belangrijk was. De focus lag volgens [gedaagde sub 2] op bewijs van het feit dat de goederen naar het buitenland waren gegaan.

De verklaring van [gedaagde sub 2] wordt in hoofdlijnen bevestigd door de heer [betrokkene 2]:

De afhaaltransacties begonnen in 1996. Begin 1997 heb ik daarover gesproken met [betrokkene 1]. (…) Daarnaast was een punt dat wij bespraken de vaststelling en verificatie van de toepassing van het nul-tarief door de Belastingdienst. (…) Daarbij bespraken wij dat de afhaalverklaring een belangrijk hulpmiddel was. Tijdens meerdere van onze besprekingen toonde hij mij enkele afhaalverklaringen die hij nog moest verwerken. Die leken mij in orde. Die afhaalverklaringen waren niet door mij opgesteld en, naar ik aanneem, ook niet door leden van mijn controleteam. Ik heb [betrokkene 1] niet gevraagd wie deze verklaringen had opgesteld. De opzet van de verklaringen was goed. Ik heb de verklaringen die [betrokkene 1] mij toonde, niet in detail bekeken. Ik heb niet bekeken of deze volledig ingevuld waren. Ik heb wel met [betrokkene 1] afgesproken om bij de tussentijdse controle in 1997 nadere aandacht hieraan te besteden. Ik zag geen noodzaak dat eerder te doen, ook gelet op een recent onderzoek van de Belastingdienst eind 1996, waarin werd geconcludeerd dat McDos correct had aangetoond dat de betreffende goederen Nederland hadden verlaten.

Bij de tussentijdse controle in 1997 heb ik weer met [betrokkene 1] gesproken over de interne procedures. (…) In dat kader zijn de afhaalverklaringen ook beoordeeld op volledigheid. Wij hebben toen wel gesignaleerd dat deze in een aantal gevallen niet volledig ingevuld waren, maar het was in mijn ogen genoeg om aan te nemen dat de procedures correct werden uitgevoerd. (…)

Ik vind dat wij wel hebben voldaan aan de richtlijn RAC 250. Ik ben het dan ook niet eens met de uitspraak van het tuchtcollege. Ik wijs erop dat de controle eind jaren ’90 plaatsvond en dat pas vanaf 2000-2001 meer in de publiciteit kwam dat met BTW werd gefraudeerd door middel van BTW-carrousels. Toen kwam ook pas in de branche het besef dat de administratie van een en ander nauw luisterde. Zowel [betrokkene 1] als ik hebben het niet zo zwaar gewogen dat als in een afhaalverklaring iets ontbrak, de Belastingdienst zou zeggen dat niet was aangetoond dat het BTW-nul-tarief toegepast mocht worden.

2.8. De rechtbank is van oordeel dat VWG er niet in is geslaagd het voorshands bewezen geachte feit te ontzenuwen. Uit de verklaring van de controlerend accountant, [gedaagde sub 2], blijkt immers dat hij heeft vastgesteld dat de administratie van Alaaf niet voldeed aan de eisen van Mededeling 38. Vervolgens is geen actie gekomen op deze constatering. [gedaagde sub 2] had niet verwacht dat de Belastingdienst strenge eisen zou stellen aan de strikte naleving van die Mededeling 38. Die inschatting bleek niet juist te zijn, maar dat komt voor rekening en risico van [gedaagde sub 2] die door Alaaf als deskundig accountant op dit gebied was ingeschakeld. Dat medewerkers van Alaaf, zoals de heer [betrokkene 1], zelf ook deskundig zouden zij geweest – wat daar ook van zij – doet niet af aan de verantwoordelijkheid van [gedaagde sub 2] als controlerend accountant. De controlerend accountant dient immers in te staan voor de juistheid van zijn verklaringen. De verklaringen die door de overige getuigen zijn afgelegd leiden niet tot een ander oordeel.

2.9. Uit het voorgaande volgt dat VWG (op grond van art. 6:76 BW) toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met Alaaf. [gedaagde sub 2] had als accountant een eigen verantwoordelijkheid, naast die van VWG als contractspartij. Door ten onrechte goedkeurende verklaringen af te geven heeft [gedaagde sub 2] in strijd met zijn zorgplicht gehandeld en is hij naast VWG aansprakelijk voor de door Alaaf dientengevolge geleden schade. De vraag rijst vervolgens of en in hoeverre de schade die door Alaaf is geleden is veroorzaakt door deze tekortkoming.

2.10. Op zichzelf leidt het ten onrechte goedkeuren van jaarrekeningen niet tot enige schade, althans daarvan is niet gebleken. De schade is ontstaan doordat de administratie van Alaaf niet voldeed aan de vereisten van Mededeling 38. [gedaagde sub 2] wist dat die administratie daaraan niet voldeed en het had naar het oordeel van de rechtbank op zijn weg gelegen om daarop actie te ondernemen om het ertoe te leiden dat wel zou worden voldaan aan die vereisten. Dat is evenwel niet gebeurd. Het feit dat de heer [betrokkene 1] voorheen werkzaam was bij VWG als assistent-accountant en enige kennis van financiële administratie heeft, ontslaat [gedaagde sub 2] niet van zijn verplichting om als controlerend accountant bij constatering van onvolledigheden in de administratie daarop actie te ondernemen of in elk geval Alaaf te wijzen op de (mogelijke) gevolgen daarvan. Dat is niet gebeurd, althans dat is niet komen vast te staan.

2.11. Dat [betrokkene 1] wist dat de afhaalverklaringen onvolledig waren is voldoende komen vast te staan, maar niet dat [betrokkene 1] ook wist dat dit belangrijk was. Tevens heeft VWG zelf het standpunt ingenomen dat Alaaf materieel terecht het 0% tarief heeft toegepast. [betrokkene 1] heeft nog verklaard dat hij nog wel mogelijkheden zag om de onvolledige afhaalverklaringen te completeren ten tijde van de afgifte van het rapport door de Belastingdienst in 2000. De vraag rijst of het – zoals VWG heeft aangevoerd – onverstandig was het bezwaarschrift bij de Belastingdienst in te trekken. De rechtbank is echter van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat dat zou hebben geleid tot een ander resultaat dan het thans behaalde resultaat. Immers, de administratie over de voorliggende jaren was reeds afgesloten en het naderhand nog completeren - zo dat al mogelijk was - daarvan kon dus niet leiden tot een aanpassing van de constatering van de Belastingdienst dat die administratie onvolledig was. Onvoldoende is onderbouwd tot welk (beter) resultaat deze nadere completering zou hebben geleid met betrekking tot het lopende jaar 2000. Deze verweren treffen dus geen doel.

2.12. Het feit dat [gedaagde sub 2] en VWG pas tijdens of na de bezwaartermijn in kennis zijn gesteld van het rapport van de belastingdienst, waarbij de boete en naheffing zijn opgelegd, doet niet af aan hun schadeplichtigheid. Alaaf heeft gemotiveerd gesteld dat zij er alles aan heeft gedaan om de boete en naheffing naar beneden te brengen en dat zij daarbij deskundige bijstand heeft ingeschakeld. Dat de zaken anders zouden zijn gelopen indien VWG zelf bezwaar had gemaakt tegen de beslissing van de Belastingdienst is door VWG onvoldoende geconcretiseerd in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door Alaaf.

2.13. Gebleken is echter ook dat een deel van de afhaalverklaringen niet onvolledig was ingevuld, maar onjuist. Dat zich onjuiste afhaalverklaringen in de administratie van Alaaf bevonden, kan niet voor rekening van VWG en [gedaagde sub 2] gebracht worden maar blijft de eigen verantwoordelijkheid van Alaaf. De heer [betrokkene 4], controleambtenaar bij de Belastingdienst, heeft als getuige verklaard over de verhouding tussen de onjuiste en onvolledige afhaalverklaringen die zich in de administratie van Alaaf bevonden:

‘U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat uit het rapport is af te leiden dat de tekortkomingen niet incidenteel waren. U vraagt mij waaruit de tekortkomingen bestonden. Die tekortkomingen betroffen met name het ontbreken van gegevens die op de verklaringen moesten staan, zoals kenteken, NAW-gegevens, de handtekening of de naam van de afhaler. Sommige afhaalverklaringen waren onjuist, dan ging het om gegevens zoals kentekens, die bij nader onderzoek niet bleken te matchen met de personen in de verklaring. (…) Onjuiste verklaringen waren incidenteel, de grote hap was onvolledig.’

2.14. Het beroep op eigen schuld gaat wel op ten aanzien van de onjuiste verklaringen. De rechtbank schat het aandeel van de onjuiste verklaringen in de administratie van Alaaf op 20%, gelet op hetgeen de heer [betrokkene 4] daarover heeft verklaard. Dat betekent dat de gevorderde hoofdsom met 20% dient te worden verminderd.

2.15. Het voorgaande brengt met zich dat het beroep op eigen schuld voor het overige wordt verworpen. De schade die door Alaaf wordt gevorderd ter zake de btw die zij heeft moeten afdragen is het gevolg van de tekortkomingen van VWG en [gedaagde sub 2]. Deze zal dan ook worden toegewezen. Het gaat om een bedrag van 80% van € 1.815.120,86 (NLG 4.000.000,00), hetgeen neerkomt op € 1.452.096,69. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag is eveneens toewijsbaar met ingang van de data dat de betalingen door Alaaf aan de belastingdienst zijn verricht, een en ander zoals weergegeven in productie 31 bij de dagvaarding.

2.16. Alaaf vordert verder de kosten die zij heeft gemaakt door de inschakeling van de heer R.H. [betrokkene 5]. [betrokkene 5] is door Alaaf ingeschakeld om de werkzaamheden van VWG te toetsen aan de voor accountants geldende regels, om op grond van de resultaten daarvan met VWG over een regeling te spreken en om te adviseren over het voeren van een tuchtprocedure. De kosten met betrekking tot de toetsing en het bespreken van een regeling komen op grond van art. 6:96 lid 2 sub b BW voor vergoeding in aanmerking. Deze zullen worden toegewezen. Voor zover deze kosten zien op het (advies over) het voeren van tuchtrechtelijke procedures vallen deze niet onder de reikwijdte van art. 6:96 lid 2 BW. Het voeren van tuchtrechtelijke procedures heeft immers niet tot doel de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de accountant vast te stellen. De rechtbank zal om die reden de kosten die daarop zien niet toewijzen. Nu gesteld wordt dat [betrokkene 5] zich in hoofdzaak met drie taken heeft beziggehouden, waar deze taak er één van was, zal tweederde van deze kosten worden toegewezen en eenderde niet. Dat komt neer op een bedrag van (2/3 x € 53.436,61=) € 35.624,41. De wettelijke rente hierover is eveneens toewijsbaar vanaf de data van betaling van de facturen aan [betrokkene 5].

2.17. Alaaf vordert daarnaast de kosten die zij heeft gemaakt door de inschakeling van mr. Hertoghs, die voor haar heeft onderhandeld met de belastingdienst, procedures is gestart, beslagen heeft bestreden en een regeling heeft getroffen. Daarmee is de schade beperkt gebleven tot het gevorderde bedrag in hoofdsom. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten onder het bereik van art. 6:96 lid 2 sub a BW vallen en voor toewijzing in aanmerking komen, nu voldoende is gebleken dat zij ook in redelijkheid zijn gemaakt. Het gaat om een bedrag van € 105.730,68. De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar vanaf de data van betaling van de facturen aan mr. Hertoghs.

2.18. Verder vordert Alaaf de kosten van de inschakeling van De Zeeuw en De Keizer accountants, die de onderneming van Alaaf heeft gewaardeerd zodat deze op stel en sprong kon worden overgedragen aan een zusteronderneming. Deze overdracht had tot doel (en effect) dat het voor de Belastingdienst niet mogelijk was om bodembeslag te leggen, waardoor de onderneming kon overleven. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan met de aansprakelijkheid van VWG en [gedaagde sub 2]. Deze vordering wordt afgewezen.

2.19. De kosten van mr. Brunet de Rochebrune, de raadsman van Alaaf, worden door Alaaf eveneens gevorderd en wel tot een bedrag van € 98.986,25. Zij stelt daarover dat de kosten zien op het tot stand brengen van de overlevingsconstructie, het intensief overleg met en voorbereiden/aanleveren van gegevens aan mr. Hertoghs en het voeren van de tuchtprocedures. De rechtbank is ten aanzien van de kosten die zien op de overlevingsconstructie van oordeel dat deze in een te ver verwijderd verband staan met de aansprakelijkheid om deze toe te wijzen. Het aanleveren van gegevens aan en het overleg met mr. Hertoghs staan eveneens in een te ver verwijderd verband. De kosten van het voeren van tuchtprocedures komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu deze buiten het bereik vallen van hetgeen is bepaald in art. 6:96 lid 1 sub b BW. Het gaat daarbij immers niet om het vaststellen van civielrechtelijke aansprakelijkheid.

2.20. Ten slotte vordert Alaaf vergoeding van de schade die zij heeft geleden doordat de heren [betrokkene 1] en [betrokkene 3] – in loondienst van Alaaf – drie maanden van hun werktijd bezig zijn geweest met het overeind houden van de onderneming nadat de belastingdienst de boete en naheffing had opgelegd. Alaaf schat deze schade op € 60.000,00 en rekent daarbij ook kosten van secretariële ondersteuning en kantoorkosten. De rechtbank is ook ten aanzien van deze schade van oordeel dat deze in een te ver verwijderd causaal verband staat met de aansprakelijkheid. Deze kosten worden eveneens afgewezen.

2.21. VWG en [gedaagde sub 2] worden grotendeels in het ongelijk gesteld en dienen de proceskosten te dragen. De kosten aan de zijde van Alaaf worden begroot op:

- dagvaarding € 71,80

- betaald griffierecht 4.938,00

- getuigenkosten 106,20

- salaris advocaat 14.449,50 (4,5 punten × factor 1,0 × tarief € 3.211,00)

Totaal € 19.565,50

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt VWG en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling aan Alaaf van € 1.452.096,69, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van betaling van dit bedrag door Alaaf aan de Belastingdienst als is overwogen in r.ov. 2.15, tot de dag van algehele betaling,

3.2. veroordeelt VWG en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling aan Alaaf van € 35.624,41, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van betaling van de facturen door Alaaf aan de heer [betrokkene 5], tot de dag van algehele betaling,

3.3. veroordeelt VWG en [gedaagde sub 2] hoofdelijk tot betaling aan Alaaf van € 105.730,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data van betaling van de facturen door Alaaf aan mr. Hertoghs, tot de dag van algehele voldoening,

3.4. veroordeelt VWG en [gedaagde sub 2] hoofdelijk in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Alaaf tot op heden begroot op € 19.565,50,

3.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.6. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Bokx-Boom en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2012.