Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX8828

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
218489
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bindende eindbeslissing; tussentijds hoger beroep; verduidelijking tussenvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 218489 / HA ZA 11-1130

Vonnis van 12 september 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres]

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H.G.M. van Zutphen te Almelo,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] GROEP B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] DOORWERKVOORZIENINGEN B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STRAAL- EN SPUITBEDRIJF GEBR. [gedaagde] B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

advocaat mr. M. ten Cate te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 maart 2012

- de akte van [gedaagden]

- de antwoordakte van [eiseres].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1. In genoemd tussenvonnis van 28 maart 2012 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor akte aan de zijde van [gedaagden] teneinde zich uit te laten omtrent hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.16 van dat vonnis. Deze rechtsoverweging luidt als volgt:

Nu door Eschbach geen vergelijkend onderzoek is gedaan naar een normale en de geleverde Titan 2F slang van 6”, staat gelet op de betwisting daarvan door [eiseres], nog geenszins vast dat aan de geleverde slang een gebrek of gebreken kleven. [gedaagden] zal haar stellingen op dit punt nader dienen te onderbouwen. Daarbij dient [gedaagden] zich tevens uit te laten of en in hoeverre dit gebrek of deze gebreken er zelfstandig toe hebben geleid dat de slangen niet bruikbaar waren, doordat ze onvoldoende stijf zijn en te veel rek in lengterichting hebben. Daarbij heeft zij voorts de gelegenheid om nader te onderbouwen op grond waarvan de door haar geclaimde schade - de kosten van de alternatieve tent - ten laste van [eiseres] dient te komen. De zaak zal hiertoe naar de rol worden verwezen. Ter comparitie heeft [eiseres] aangegeven dat Gollmer & Hummel onderzoek naar de samenstelling van de 6” Titan 2F slang verricht. [eiseres] kan in haar antwoord hierop dit rapport overleggen.

2.2. In haar akte verzoekt [gedaagden] de rechtbank terug te komen op hetgeen zij in het tussenvonnis heeft overwogen. Het gaat dan om de overweging dat [eiseres] niet is tekortgeschoten als zou blijken dat de slang functioneel ongeschikt is (rechtsoverweging 4.12) en de overweging dat het productieblad geen deel uitmaakt van de overeenkomst tussen partijen (rechtsoverwegingen 4.10 en 4.14). Voor het geval dat de rechtbank niet terugkomt op deze beslissingen, verzoekt [gedaagden] de rechtbank om hiertegen tussentijds appel open te stellen.

2.3. De beslissingen van de rechtbank in het tussenvonnis met betrekking tot de hiervoor onder 2.2 genoemde punten zijn aan te merken als eindbeslissingen, omdat uit de door de rechtbank gekozen bewoordingen blijkt dat de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist. De leer van de bindende eindbeslissing houdt in dat de rechter in beginsel in dezelfde instantie niet meer kan terugkomen op door hem gegeven eindbeslissingen. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (Hoge Raad 25 april 2008, NJ 2008, 553).

2.4. [gedaagden] heeft niet gesteld dat ten aanzien van de onder 2.2 genoemde punten sprake is van eindbeslissingen die berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, die bij handhaving daarvan zouden leiden tot een einduitspraak die ondeugdelijk zou zijn. De enkele stellingen van [gedaagden], dat de rechtbank op sommige punten conclusies heeft getrokken die “te kort door de bocht zijn”, dat bepaalde overwegingen “onbegrijpelijk” zijn en dat de rechtbank een oordeel heeft gegeven dat “onjuist” is, zijn hiervoor in ieder geval onvoldoende. Duidelijk is dat [gedaagden] het niet eens is met een aantal beoordelingen van de rechtbank, maar dat is inherent aan ongelijk krijgen en hiertegen bestaat de mogelijkheid van hoger beroep. Gebleven wordt dan ook bij hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist.

2.5. Voor het geval dat de rechtbank niet terugkomt op de onder 2.2 genoemde punten verzoekt [gedaagden] de rechtbank om tussentijds appel toe te staan.

2.6. Dit verzoek strekt ertoe een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde regel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan tegelijk met dat tegen het eindvonnis. Bij het toestaan van die uitzondering dient de rechter een grote mate van terughoudendheid te betrachten, zo volgt uit de wetsgeschiedenis. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven een uitzondering op de hoofdregel te maken. Gesteld noch gebleken is echter dat van dergelijke bijzondere omstandigheden in de onderhavige zaak sprake is. Het verzoek tot het toestaan van tussentijds appel wordt dan ook afgewezen.

2.7. [gedaagden] verzoekt de rechtbank ten slotte de in het tussenvonnis gegeven bewijsopdracht te verduidelijken, nu zij niets kan met die bewijsopdracht, omdat zij niet begrijpt waar de rechtbank heen wil. [gedaagden] stelt dat de rechtbank in het tussenvonnis slechts één mogelijkheid heeft opengelaten om het tekortschieten van [eiseres] aan te tonen. [gedaagden] zou dan moeten aantonen dat de geleverde Titan 2F slang een gebrek heeft dat de normale Titan 2F slang niet heeft. Volgens [gedaagden] is er echter maar één type Titan 2F slang en dat is de slang die door [eiseres] is geleverd.

2.8. De rechtbank stelt voorop dat van een bewijsopdracht in het tussenvonnis geen sprake is. [gedaagden] is in de gelegenheid gesteld om haar stellingen met betrekking tot de vraag of aan de geleverde slang een gebrek of gebreken kleven nader te onderbouwen. Tevens is zij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten of en in hoeverre dit gebrek of deze gebreken er zelfstandig toe hebben geleid dat de slangen niet bruikbaar waren, doordat ze onvoldoende stijf zijn en te veel rek in lengterichting hebben.

2.9. In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat de door [eiseres] geleverde slangen uiteindelijk niet geschikt zijn gebleken voor het door [gedaagden] beoogde doel. Of de oorzaak hiervan is gelegen in het verkeerd geleverde type en/of dat aan de geleverde slangen een gebrek kleeft, is echter niet duidelijk (rechtsoverweging 4.11). Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat wat betreft het type slang [eiseres] overeenkomstig de afspraken heeft geleverd en niet is tekortgeschoten (rechtsoverweging 4.12). Met betrekking tot de vraag of aan de slangen een gebrek kleeft, heeft [gedaagden] gesteld dat er sprake is van het ontbreken van EPDM rubber in de binnenslang, alsmede het ontbreken van voldoende hechting tussen de binnenslang en de geweven buitenkant (rechtsoverweging 4.13). In dit verband heeft de rechtbank voorop gesteld dat de hechting en de rek in de lengterichting geen specifieke eigenschappen zijn die onderdeel uitmaken van de overeenkomst. Dat betekent, aldus de rechtbank, dat alleen als er sprake is dat de ten behoeve van deze overeenkomst geleverde Titan 2F slang van 6” een gebrek heeft dat de normale Titan 2F slang van 6” niet heeft, [eiseres] hiervoor aansprakelijk kan worden gehouden (rechtsoverweging 4.14).

2.10. De enige mogelijkheid voor aansprakelijkheid aan de zijde van [eiseres] kan volgens het tussenvonnis dus nog zijn gelegen in het feit dat aan de geleverde Titan 2F slang van 6” een gebrek kleeft dat niet aan de ten behoeve van de proefopstelling geleverde Titan 2F slang van 6” (de ‘normale’ Titan 2F slang van 6”) kleeft. Het zou namelijk zo kunnen zijn dat, anders dan bij de ten behoeve van de proefopstelling geleverde Titan 2F slang van 6”, bij de uiteindelijk geleverde Titan 2F slang van 6” sprake is van een productiefout.

2.11. Dáár ziet de rolverwijzing van de rechtbank in het tussenvonnis op. Zoals de rechtbank in het tussenvonnis ook reeds heeft overwogen, biedt het onderzoek dat door Eschbach is gedaan geen soelaas, omdat Eschbach geen vergelijkend onderzoek heeft gedaan naar een normale en de geleverde Titan 2F slang van 6” van Gollmer & Hummel, maar de geleverde Titan 2F slang van 6” heeft vergeleken met een Titan 2F slang van 5” en een van Eschbach afkomstige 6” slang (zie rechtsoverweging 4.15 en 4.16).

2.12. De rechtbank ziet om proces-economische reden aanleiding om [gedaagden] nog een laatste maal in de gelegenheid te stellen bij akte haar stellingen met betrekking tot het hiervoor onder 2.10 besproken punt (en zoals in rechtsoverweging 4.16 van het tussenvonnis is vermeld) nader te onderbouwen. Daarbij dient zij zich tevens uit te laten of en in hoeverre het gebrek of de gebreken er zelfstandig toe hebben geleid dat de slangen niet bruikbaar waren, doordat ze onvoldoende stijf zijn en te veel rek in lengterichting hebben. Tevens kan [gedaagden] in haar akte reageren op de door [eiseres] in het geding gebrachte brief van Gollmer & Hummel van 14 februari 2012 en het rapport van Phoenix Compounding Technology GmbH van 10 februari 2012. Vervolgens mag [eiseres] hierop bij antwoordakte reageren.

2.13. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

2.14. De rechter die het tussenvonnis heeft gewezen, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen in verband met benoeming elders.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 26 september 2012 voor het nemen van een akte door [gedaagden] over hetgeen is vermeld onder 2.12, waarna [eiseres] op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2012.

Coll.: MvG