Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX8777

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
02-10-2012
Zaaknummer
204937
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In deze procedure moet de omvang van het vermogen van de v.o.f. komen vast te staan, opdat dit vermogen tussen partijen kan worden verdeeld.

Omwille van het overzicht geeft de rechtbank weer welke beslissingen, voor zover relevant, in dit kader tot nu toe zijn genomen. Vervolgens wordt partijen gevraagd zich uit te laten over een voorgenomen deskundigenbenoeming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 204937 / HA ZA 10-1710

Vonnis van 12 september 2012

in de zaak van

[eiser]

eiser,

advocaat mr. E.M. van Zelm te De Bilt,

tegen

[gedaagden]

gedaagden,

advocaat mr. J.W. Menkveld te Utrecht.

Partijen zullen hierna de heer [eiser] en de heer en mevrouw [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 december 2011

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 30 maart 2012

- de brief van mr. Menkveld van 13 april 2012 waarin hij meedeelt dat wordt afgezien van contra-enquête

- de rolverwijzing van 16 april 2012

- de conclusie na enquête van de heer [eiser]

- de antwoordconclusie na enquête van de heer en mevrouw [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen zij in haar tussenvonnis van 28 december 2011 heeft overwogen en beslist. Zij blijft daarbij.

Verdeling van de winst

2.2. In voornoemd tussenvonnis is aan de heer [eiser] opgedragen feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat met de heer en mevrouw [gedaagde] is overeengekomen dat de heer [eiser] met betrekking tot het onroerend goed en/of de waarborgsom vanaf 2004 recht had op 50% in plaats van 33% van de winst en wat de verdere inhoud van de overeenkomst is.

2.3. Ter uitvoering van deze bewijsopdracht heeft de heer [eiser] een getuige doen horen, namelijk de heer [ ] [betrokkene], registeraccountant en partner in een maatschap van Business Valuators. De heer en mevrouw [gedaagde] hebben afgezien van contra-enquête.

2.4. De getuige [betrokkene] heeft verklaard niets te kunnen verklaren over wat tussen de heer [eiser] enerzijds en de heer en mevrouw [gedaagde] anderzijds is overeengekomen. Zijn verklaring geeft dus geen antwoord op de vraag of de heer [eiser] met de heer en mevrouw [gedaagde] is overeengekomen dat hij met betrekking tot het onroerend goed en/of de waarborgsom vanaf 2004 recht had op 50% in plaats van 33% van de winst. De getuige heeft bovendien niets verklaard over de verdere inhoud van de overeenkomst. De heer [eiser] is dan ook niet geslaagd in het hem opgedragen bewijs.

2.5. Nu het bestaan van de afspraak dat de heer [eiser] met betrekking tot het onroerend goed en/of de waarborgsom vanaf 2004 recht had op 50% in plaats van 33% van de winst niet is komen vast te staan, moet het ervoor worden gehouden dat de heer [eiser] recht had op 33% van die winst.

Resumé: de omvang van het vermogen van de v.o.f.

2.6. In deze procedure moet de omvang van het vermogen van de v.o.f. komen vast te staan, opdat dit vermogen tussen partijen kan worden verdeeld. In het tussenvonnis van 7 september 2011 heeft de rechtbank onder 2.6 vastgesteld dat de v.o.f. [bedrijf A] in haar geheel is ingebracht in de v.o.f., met uitzondering van – kort gezegd – de getaxeerde waarde van het tuincentrum minus de boekwaarde per 1 januari 2000. De rechtbank heeft verder overwogen dat voor de vaststelling van de omvang van het vermogen van de v.o.f. dus relevant is waaruit de v.o.f. [bedrijf A] bestond op 1 januari 2000. De heer [eiser] stelt, maar de heer en mevrouw [gedaagde] betwisten, dat [bedrijf B] en Pet’s Place deel uitmaken van het vermogen van de v.o.f. Omwille van het overzicht geeft de rechtbank hieronder weer welke beslissingen, voor zover relevant, in dit kader tot nu toe zijn genomen.

2.7. [bedrijf B]

- [bedrijf B] maakte tot de verkoop deel uit van het vermogen van de v.o.f. (tussenvonnis 7 september 2011, r.o. 2.13).

- De heer [eiser] kan aanspraak maken op een derde deel van de daadwerkelijke opbrengst dan wel de boekwinst behaald met de verkoop van [bedrijf B] (tussenvonnis 7 september 2011, r.o. 2.14), zonder dat daarop een stille reserve in mindering wordt gebracht (tussenvonnis 28 december 2011, r.o. 2.5)

- De beslissing over de omvang van de boekwaarde van [bedrijf B], die in mindering zou moeten strekken op de koopsom, is aangehouden (tussenvonnis 28 december 2011, r.o. 2.6).

- De heer [eiser] kan aanspraak maken op een derde deel van de boekwinst behaald over 2001 met de exploitatie van [bedrijf B]. Er zal een deskundige moeten worden benoemd om een berekening te maken van de resultaten van de exploitatie van [bedrijf B] over 2001 tot de verkoop. De kosten voor het onderzoek door de deskundige zullen – ongeacht de uitkomst van de procedure – voor rekening van de heer en mevrouw [gedaagde] komen (tussenvonnis 28 december 2011, r.o. 2.7).

- Uit door de heer en mevrouw [gedaagde] over te leggen financiële stukken zal moeten blijken of er een vergoeding voor de goodwill is betaald zoals de heer [eiser] stelt (tussenvonnis 7 september 2011, r.o. 2.15). Naar aanleiding van de vervolgens door de heer en mevrouw [gedaagde] overgelegde stukken is in het tussenvonnis van 28 december 2011 op dit punt nog geen beslissing genomen.

2.8. Pet’s Place

- De opbrengst van de exploitatie van Pet’s Place viel vanaf 2000 niet langer in het vermogen van de v.o.f. (tussenvonnis 7 september 2011, r.o. 2.18).

- Het pand van Pet’s Place is wel ingebracht in de v.o.f. (tussenvonnis 7 september 2011, r.o. 2.19).

- De vordering van de heer [eiser] ten aanzien van de huurpenningen van Pet’s Place moet worden afgewezen, omdat de heer en mevrouw [gedaagde] er in de gegeven omstandigheden op mochten vertrouwen dat de heer [eiser] zijn mogelijke aanspraak op de huuropbrengsten niet meer geldend zou maken (tussenvonnis 7 september 2011, r.o. 2.22).

- Bij de verkoop van Pet’s Place is geen vergoeding voor goodwill overeengekomen (tussenvonnis 7 september 2011, r.o. 2.23).

2.9. Waarborgsom

De heer [eiser] heeft recht op 33% van de waarborgsom (dit vonnis, r.o. 2.5).

2.10. Waardering onroerend goed

Voor de bepaling van de waarde van het onroerend goed – het tuincentrum – per 1 januari 2009 moet een taxateur als deskundige worden benoemd (tussenvonnis 7 september 2011, r.o. 2.27).

2.11. Investeringen vervoermiddelen

De vordering van de heer [eiser] die strekt tot correctie van de jaarstukken over de jaren 2000 tot en met 2008 op het punt van investeringen in vervoermiddelen moet worden afgewezen, omdat niet aan de stelplicht is voldaan (tussenvonnis 7 september 2011, r.o. 2.29).

2.12. Verdeling van de winst

De heer [eiser] heeft recht op 33% van de winst over het onroerend goed (dit vonnis, r.o. 2.5).

2.13. Beëindigingsbalans

Voor het opstellen van een beëindigingsbalans als bedoeld in artikel 10 lid 2 van de overeenkomst zal een deskundige moeten worden benoemd (tussenvonnis 28 december 2011, r.o. 2.14).

Deskundigenbenoeming

2.14. Gelet op de stand van de procedure is nu de al eerder aangekondigde benoeming van een deskundige aan de orde. Naar het oordeel van de rechtbank moeten aan de deskundige in ieder geval de volgende vragen worden voorgelegd:

1) Wat waren de resultaten van de exploitatie van [bedrijf B] over 2001 tot verkoop? Kunt u dit onderbouwen en specificeren?

2) Wat was de waarde van het onroerend goed – het tuincentrum – op peildatum 1 januari 2009? Kunt u dit onderbouwen en specificeren?

3) Hoe luidt de beëindigingsbalans als bedoeld in artikel 10 lid 2 van de overeenkomst? Kunt u dit onderbouwen en specificeren?

4) Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis moet nemen bij de verdere beoordeling?

2.15. Beide partijen hebben op de comparitie kenbaar gemaakt zich te kunnen vinden in de benoeming van E.R. Lankester RA RV te Nieuwveen als deskundige. Deze heeft desgevraagd aan de rechtbank bevestigd bereid en in staat te zijn de bovenvermelde vragen onder 1 en 3 te beantwoorden en vrij te staan ten opzichte van partijen. De rechtbank zal hem dan ook tot deskundige benoemen ter beantwoording van die vragen.

De deskundige heeft kenbaar gemaakt dat hij, om een inschatting te kunnen maken van de met het onderzoek gemoeide kosten, graag wil beschikken over een jaarrekening van de v.o.f. De rechtbank heeft daarom, na daartoe van de raadslieden van partijen schriftelijk verkregen toestemming, de jaarrekening over 2008 – het “Rapport aan de vennoten van V.O.F. [bedrijf A] Hoevelaken inzake de jaarrekening 2008” van 5 februari 2010, dat deel uitmaakt van productie 3 bij dagvaarding – aan de deskundige doen toekomen. Aan de hand van de daarop ontvangen opgave van de deskundige wordt het voorschot op zijn loon en kosten, inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting, bepaald op € 9.000,00. De deskundige heeft verder kenbaar gemaakt dat de bevindingen van de hierna onder 2.16 bedoelde deskundige relevant zijn voor de uitkomst van zijn eigen onderzoek.

2.16. Voor de beantwoording van vraag 2 is benoeming van een tweede deskundige, namelijk een taxateur, noodzakelijk. Uit proces-economische overwegingen heeft de rechtbank in verband met deze taxatie alvast DTZ Zadelhoff aangezocht. Namens DTZ Zadelhoff heeft de heer A. [X] RT desgevraagd verklaard bereid en in staat te zijn tot het uitvoeren van de taxatie, onder toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van DTZ Zadelhoff v.o.f. De heer [X] stelt voor dat als taxateurs zullen optreden hijzelf en drs. J.Z. van ’t Hul MRICS van DTZ Zadelhoff Arnhem regio Oost Nederland en J.W.D. van Delft Westerhof MSc RT van de Centrale Afdeling Taxaties te Amsterdam. Aan de hand van de opgave van de heer [X] wordt het voorschot op loon en kosten, inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting, bepaald op € 6.400,00. Omdat partijen zich nog niet hebben kunnen uitlaten over de voorgenomen benoeming van deze deskundigen, zal de rechtbank de zaak eerst naar de rol verwijzen voor akte uitlating door partijen over de persoon van de te benoemen deskundigen voor de beantwoording van vraag 2. Indien een partij gerede bezwaren heeft tegen de benoeming van (een van) deze deskundigen, moet zij deze gemotiveerd aan de rechtbank kenbaar maken en tevens een voorstel doen voor een andere te benoemen deskundige. Het verdient dan aanbeveling dat partijen het op voorhand onderling eens trachten te worden over die andere te benoemen deskundige.

2.17. In het tussenvonnis van 28 december 2007 is onder 2.7 overwogen dat de kosten voor het onderzoek door de deskundige voor rekening van de heer en mevrouw [gedaagde] zullen komen, ongeacht de uitkomst van de procedure. Gelet hierop zullen de voorschotten te zijner tijd ook door hen moeten worden gedeponeerd.

2.18. In afwachting van de onder 2.16 bedoelde akten zal de rechtbank in dit vonnis nog niet overgaan tot benoeming van de onder 2.15 genoemde deskundige. Zij zal te zijner tijd alle deskundigen tegelijkertijd benoemen. Iedere verdere beslissing zal nu worden aangehouden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. plaatst de zaak op de rol van 26 september 2012 voor akte uitlating door beide partijen als bedoeld onder 2.16,

3.2. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2012.

Coll.: JC