Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX8639

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
05/900730-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 240 uur werkstraf, wegens overtreding van de Opiumwet, valsheid in geschrifte en oplichting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/900730-09

Datum zitting : 12 november 2010 en 14 september 2012

Datum uitspraak : 28 september 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsman : mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een vordering nadere omschrijving tenlastelegging en na vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 03 december 2009 te Terschuur, gemeente Barneveld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meerdere hoeveelhe(i)d(en) van (in totaal) ongeveer 747,43 gram, althans een grote hoeveelheid hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het

vijfde lid van artikel 3a van die wet; art 11 lid 5 Opiumwet

2.

zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 maart 2003 tot en met 31 december 2004 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, een of meerdere

medewerker(s) van de SNS-bank heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere geldbedrag(en) (tot een beloop van 500.000,-- Euro), in elk geval van enig goed, hierin bestaande dat verdachte (telkens) tezamen met verdachtes mededader(s), althans alleen,met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een of meerdere vals(e) en/of valselijk opgemaakt(e)

geschrift(en) (werkgeversverklaring(en) en/of salarisspecificatie(s) en/of verhuurovereenkomst(en)) heeft overlegd aan een of meerdere medewerker(s) van die SNS-bank, ter verkrijging van een (hypothecaire) lening en/of een uitbreiding daarvan, waardoor die medewerker(s) (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

3.

zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 maart 2003 tot en met 31 december 2004 te Soest en/of te Amersfoort, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van:

- (een) vals(e) of vervalst(e) wergeversverklaring(en) en/of inkomensopgave(n) en/of salarisstro(o)k(en) van [naam bedrijf 1] te Hilversum , en/of

- (een) vals(e) of vervalst(e) wergeversverklaring(en) en/of inkomensopgave(n)

en/of salarisstro(o)k(en) van [naam bedrijf 2] te Amersfoort, en/of

- (een) vals(e) of vervalst(e) rekening(en) van [naam bedrijf 3], en/of

- (een) vals(e) of vervalst(e) verhuurovereenkomst(en) aangaande de op het perceel [adres 1] te Terschuur aanwezige paardestallen,

- (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemde geschrift(en) heeft/hebben overlegd tot verkrijging van een hypothecaire lening en/of ter toetsing van een aanvraag tot wederopname van geld(en) uit een bouwdepot en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat - zakelijk weergegeven -:

- dat uit voornoemde geschriften van [naam bedrijf 1] zou blijken dat verdachtes partner aldaar voor onbepaalde tijd als commercieel manager werkzaam zou zijn en/of bij dit bedrijf een bruto maandsalaris van 4.250,-- Euro, althans enig salaris zou ontvangen, en/of

- dat uit voornoemde geschriften van [naam bedrijf 2] zou blijken dat verdachte als commercieel administratief medewerkster voor onbepaalde tijd werkzaam zou zijn bij dat bedrijf en/of bij dat bedrijf een bruto jaarsalaris van 25.200,-- Euro, althans enig salaris zou ontvangen, en/of

- dat verdachte en/of zijn partner voor een (totaal)bedrag van 30.345,-- euro, althans enig geldbedrag, werkzaamheden heeft laten uitvoeren door [naam bedrijf 3] en/of

- dat verdachte en/of zijn partner per jaar 13.200 euro in elk geval enig geldbedrag, zouden ontvangen uit de verhuur van een of meerdere op het perceel [adres 1] te Terschuur gelegen paardenstallen;

4.

zij in of omstreeks de periode van 01 mei 2003 tot en met 01 juli 2009, te Amersfoort en/of te Terschuur, gemeente Barneveld, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een of meer geldbedrag(en) en/of een woning (perceel [adres 1] te Terschuur), heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten dat/die geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, hierin bestaande dat verdachte en/of haar mededader(s) dat/die geldbedrag(en) heeft/hebben aangewend ter betaling en/of aflossing van een hypotheek op de woning en/of het perceel [adres 1] te Terschuur, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 14 december 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen.

De officier van justitie, mr. A.M. Vloedbeld, heeft gerekwireerd.

Verdachte en haar raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Voor wat betreft de feiten 2, 3 en 4 heeft de raadsman zich geheel en zonder aanvulling of voorbehoud aangesloten bij een in de zaak van medeverdachte [naam medeverdachte] gevoerd verweer, strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Ter onderbouwing van dit verweer is - zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd.

De start van het onderzoek naar de hypotheekfraude, het plegen van valsheid in geschrifte, oplichting en witwassen is onrechtmatig geweest. Naar aanleiding van een verdenking zich schuldig te hebben gemaakt aan betrokkenheid bij de op 19 maart 2009 aangetroffen hennepkwekerij, heeft de politie een onderzoek jegens verdachte ingesteld. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat verdachte en haar partner sinds 4 april 2003 eigenaar zijn van een pand aan de [adres 1] te Terschuur en daar zijn gaan wonen. Deze summiere informatie was voor de officier van justitie reden om een redelijk vermoeden van schuld aan de hypotheekfraude aan te nemen. Daarop is toen besloten een vordering ex artikel 126nd, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) te doen uitgaan. Daardoor heeft het Openbaar Ministerie doelbewust privacygevoelige gegevens opgevraagd terwijl op dat moment nog geen redelijke verdenking bestond ten aanzien van voormelde feiten. Het onderzoek, gebaseerd op de vordering zoals hiervoor genoemd is zodanig onrechtmatig dat dit moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Aangezien de raadsman zich geheel en zonder aanvulling of voorbehoud heeft aangesloten bij een in de zaak van medeverdachte [naam medeverdachte] gevoerd verweer, strekkende tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, zal de rechtbank dit verweer beoordelen op dezelfde gronden en tot dezelfde conclusie komen.

Op grond van de ter terechtzitting door verdediging en officier van justitie naar voren gebrachte standpunten gaat de rechtbank ervan uit dat de onderhavige vordering krachtens 126nd Sv op 24 juni 2009 (verder: de vordering) is gedaan teneinde informatie te verkrijgen over de hypotheekgegevens van verdachte en haar partner. Artikel 126nd, eerste lid, Sv bepaalt dat de officier van justitie een dergelijke vordering kan doen, indien sprake is van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De vordering vermeldt een verdenking jegens verdachte wegens - kort weergegeven - Opiumwetdelicten (artikel 11 lid 2 OW), valsheid in geschrift, witwassen en belastingfraude.

De rechtbank stelt allereerst vast dat op 19 maart 2009 in een woning aan de [adres 2] te Hoevelaken een hennepkwekerij is aangetroffen. Op 20 maart 2009, omstreeks 11.51 uur, is door [naam 1] tegenover de politie is verklaard dat verdachtes partner, tevens medeverdachte [naam medeverdachte] de hennepkwekerij in haar woning aan de [adres 2] te Hoevelaken heeft gebouwd, twee keer heeft geoogst en de oogst heeft verkocht. Door [naam 2] is op 20 maart 2009 omstreeks 13.21 uur tegenover de politie verklaard dat verdachtes partner, tevens medeverdachte [naam medeverdachte] in de woning aan de [adres 2] te Hoevelaken de hennepkwekerij heeft opgebouwd en dat [naam medeverdachte] de oogst daarvan heeft verkocht.

De rechtbank is van oordeel dat reeds hierdoor in maart 2009 een redelijk vermoeden is ontstaan dat verdachte en haar partner zich hebben schuldig gemaakt aan een feit, strafbaar gesteld bij artikel 11 tweede lid van de Opiumwet. Dit betreft een misdrijf als vermeld in artikel 67 eerste lid Sv.

Op grond van bovenstaande gegevens is door het bureau projectvoorbereiding een voorbereidend opsporingsonderzoek ingesteld tegen onder meer verdachte en haar partner. Uit een eerste oriënterend onderzoek, ingesteld door de afdeling financiële recherche in openbare registers bleek dat in 2003 het pand [adres 1] te Terschuur voor een bedrag van € 408.000,-- door [medeverdachte] en zijn partner (verdachte) [verdachte] was gekocht en dat een hypotheek was afgesloten voor een bedrag van € 450.000,--. Het pand [adres 1] te Terschuur werd tijdens het onderzoek te koop aangeboden voor een bedrag van € 1.199.000,-. Tijdens het afsluiten van de hypotheek en de aankoop van het pand bedroeg het gezamenlijk jaarinkomen van [naam medeverdachte] en [naam verdachte] volgens de belastingdienst ongeveer € 15.000,-- bruto.

Gelet op de verdenking van hennephandel, de hoogte van het belastbaar inkomen van verdachte en haar partner ten tijde van het afsluiten van de hypothecaire lening en de hoogte van deze lening - zulks in onderlinge samenhang bezien - lag aan de vordering ex artikel 125nd van het Wetboek van Strafvordering ook ten aanzien van de oplichting, de valsheid in geschrifte en het witwassen een redelijk vermoeden van schuld ten grondslag. Daarom dient het verweer te worden verworpen en kan het Openbaar Ministerie ook ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 in zijn strafvervolging worden ontvangen.

3. De beslissing inzake het bewijs1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 3 december 2009 wordt te Terschuur in de gemeente Barneveld in de woning van verdachte en bijbehorende stallen een hoeveelheid van in totaal 747,43 gram hennep aangetroffen.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid softdrugs.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Verdachte heeft van meet af aan aangegeven dat de aangetroffen hennep niet van haar is, maar waarschijnlijk van de broer van haar partner, [naam 3]. Deze [naam 3] heeft dit uiteindelijk in diens verhoor bij de rechter-commissaris ook toegegeven. Ook verdachtes partner heeft verklaard dat die hennep vermoedelijk van [naam 3] was.

Verdachte heeft voorts verklaard geen wetenschap te hebben gehad van het feit dat er verdovende middelen in haar woning aanwezig waren en dus heeft zij geen opzet gehad op het aanwezig hebben van deze middelen. Dat verdachte wist dat de broer van haar partner enkele drugsgerelateerde goederen bij hen had opgeslagen wil niet zeggen dat verdachte dus ook wetenschap moet hebben gehad dat er hennep in de woning c.q. de paardenstal aanwezig was.

Beoordeling door de rechtbank

Dat er in de woning c.q. bijgebouwen van verdachte hennep is aangetroffen wordt niet ontkend. Verdachte ontkent echter wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van die hennep in haar woning en in de bijgebouwen. Zij stelt zich op het standpunt dat die hennep daar is neergelegd door de broer van haar partner, [naam 3]. De rechtbank is van oordeel dat zowel de verklaring van verdachte als de verklaring van [naam 3] hieromtrent niet geloofwaardig is.

Van een bewoner mag verwacht worden dat deze weet wat er in diens woning aanwezig is tenzij er omstandigheden zijn waardoor het aannemelijk is dat de bewoner er redelijkerwijs geen weet van kon hebben. Van dat laatste is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval, gelet op de plaatsen waar de hennep is aangetroffen, geen sprake. Immers, de hennep was niet verstopt op een plaats die niet direct voor de bewoner zichtbaar was zoals in een afzuigkap of onder de vloer. Integendeel, de hennep werd aangetroffen in een keukenkastje3 en op een plaats in de paardenstal, tegenover de paardenbox, in het zicht, in een doorzichtige plastic zak4. De keuken werd mede door verdachte dagelijks gebruikt. De rechtbank acht onder deze omstandigheden niet geloofwaardig dat verdachte deze hoeveelheden verdovende middelen niet heeft kunnen waarnemen. Voorts verklaart verdachte zelf incidenteel in verband met haar pijnlijke reumaklachten hennep te gebruiken. Zij weet dus wat hennep is. Zelfs als de hennep eigendom zou zijn van de broer van verdachtes partner, staat dat niet aan een bewezenverklaring van het door verdachte aanwezig hebben van de hennep in de weg.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

zij op 03 december 2009 te Terschuur, gemeente Barneveld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad meerdere hoeveelheden van in totaal 747,43 gram, hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Ambtshalve overweging

Op de overtreding van artikel 3 van de Opiumwet, waaraan verdachte zich heeft schuldig gemaakt, is ingevolge artikel 11 lid 5 Opiumwet een strafverzwarende omstandigheid van toepassing indien sprake is van 'een grote hoeveelheid van een middel'. Op grond van artikel 1 lid 2 van het Opiumwetbesluit, is bij een hoeveelheid van meer dan 500 gram hennep sprake van 'een grote hoeveelheid' in de zin van artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet. De rechtbank gaat ervan uit, gelet op de hoeveelheid aangetroffen hennep, het aanhalen van artikel 11 lid 5 Opiumwet in de tenlastelegging en op het onderzoek ter terechtzitting dat de opsteller van de tenlastelegging het oog heeft gehad op die strafverzwarende omstandigheid.

De rechtbank zal, hoewel de bewezenverklaring dit niet met zoveel woorden vermeldt, in de kwalificatie hierna dan ook opnemen 'een grote hoeveelheid in de zin van artikel 11 lid 5 van de Opiumwet'.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, met betrekking tot de feiten 2 en 3 vastgesteld.

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat in de periode van 1 maart 2003 tot en met 31 december 2004 in Terschuur bij de door haar ondertekende aanvraag ter verkrijging van een hypothecaire lening van € 450.000,- en van een uitbreiding daarvan met een bouwdepot van € 50.000,-, valse werkgeversverklaringen en salarisspecificaties zijn gevoegd van [naam bedrijf 1] te Hilversum en [naam bedrijf 2] te Amersfoort. Verdachte en haar partner, tevens medeverdachte, hebben niet bij de in de documenten genoemde werkgevers gewerkt en hebben daaruit geen salaris genoten. Door het gebruik van deze valse documenten zijn meerdere medewerkers van de SNS-bank bewogen tot de afgifte van hoeveelheden geld, ten belope van in totaal 500.000 euro. [naam 4], van administratiekantoor [naam kantoor] te Amersfoort, heeft verklaard dat hij de documenten vals heeft opgemaakt en met de hypotheekaanvraag aan de SNS-bank heeft gezonden.5 In de geschriften van [naam bedrijf 1] wordt vermeld dat verdachtes partner daar voor onbepaalde tijd als commercieel manager werkzaam zou zijn en een bruto maandsalaris van 4.250 euro per zou verdienen. In de geschriften van [naam bedrijf 2] wordt vermeld dat verdachte als commercieel administratief medewerkster voor onbepaalde tijd werkzaam zou zijn bij dat bedrijf tegen een bruto jaarsalaris van 25.200 euro.6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting (feit 2) en medeplegen van het gebruik maken van valse geschriften (feit 3).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair, voor zowel feit 2 als feit 3, op het standpunt gesteld dat vanwege het ontbreken van wettig bewijs verdachte moet worden vrijgesproken. Immers, indien de rechtbank niet komt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, dan is het bewijs in het kader van een fishing expedition verkregen zonder dat er op het moment van de vordering ex artikel 126nd Sv een redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte was. Dat redelijk vermoeden is eerst ontstaan nadat de officier van justitie in het kader van die fishing expedition een vordering verstrekking gegevens ex artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering had doen uitgaan. Op grond van het voorgaande stelt de raadsman dat sprake is van fruits of the poisonous tree.

Subsidiair, ten aanzien van de feiten 2 en 3, indien de rechtbank niet tot bewijsuitsluiting komt, heeft de verdediging eveneens vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van opzet aan de zijde van verdachte. Voor het afsluiten van een hypotheek heeft verdachte namelijk een tussenpersoon, [naam 4], ingeschakeld. Deze tussenpersoon had er, gelet op de te ontvangen provisie, belang bij dat via hem een hypothecaire lening zou worden afgesloten. Zonder dat verdachte daar weet van had, heeft [naam 4] de benodigde documenten valselijk opgemaakt. Van valse verhuurovereenkomsten is sowieso geen sprake, nu de verhuur van de paardenstallen wel degelijk heeft plaatsgevonden, zoals blijkt uit diverse ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaringen. Bovendien is verdachte niet betrokken geweest bij het opstellen van de huurovereenkomsten.

Omdat verdachte geen administrateur, boekhouder of makelaar is en geen ervaring heeft of had met het afsluiten van hypothecaire leningen kan ook het voorwaardelijk opzet niet aangenomen worden.

Voor wat betreft feit 3 wordt nog aangevoerd dat de hypotheekaanvraag door [naam 4] is geregeld en dit heeft zich buiten het gezichtsveld van verdachte afgespeeld. [naam 4] heeft zelfstandig gebruik gemaakt van door hem vervalste documenten en hij heeft handtekeningen van verdachte en haar partner vervalst. Voorts is verdachte niet op de hoogte geweest van de hypotheekaanvraag of de inhoud daarvan. Zij heeft wel ondertekend, maar is volledig buiten het proces gehouden en heeft geen enkele zelfstandige handeling verricht die de valsheid zou kunnen verklaren.

[naam 6], eigenaar van [naam bedrijf 3], heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hetgeen is geoffreerd ook daadwerkelijk is gebouwd en dat dit gewoon visueel waarneembaar is. Het gefactureerde bedrag is een redelijk bedrag voor een kapconstructie. Er is geen sprake van valselijk opgemaakte facturen door [naam bedrijf 3].

Beoordeling door de rechtbank ten aanzien van de feiten 2 en 3

a. uitsluiting van bewijsmateriaal

Op dezelfde gronden als waarop de rechtbank bij de behandeling van het niet-ontvankelijkheidsverweer tot het oordeel is gekomen dat ten aanzien van de in de vordering van de officier van justitie genoemde misdrijven, voorafgaand aan de vordering 126nd Sv, een redelijk vermoeden van schuld bestond, komt de rechtbank tot het oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Om die reden wordt ook het verweer tot bewijsuitsluiting verworpen.

b. beoordeling van de feiten

Ten aanzien van de facturen van [naam bedrijf 3] is de rechtbank op grond van wettige bewijsmiddelen niet tot de overtuiging gekomen dat de facturen op het moment dat zij werden ingestuurd naar de SNS-bank vals of vervalst waren. Het is immers niet ongebruikelijk dat bij het uitvoeren van werkzaamheden en de levering van materialen daarvoor voorafgaand wordt gefactureerd en de factuur vervolgens in delen wordt betaald. Eventuele afwijkingen van de oorspronkelijk geplande werkzaamheden kunnen worden gecorrigeerd, maar dit maakt de doorvoor ingezonden factuur niet vals of vervalst. Verdachte zal in zoverre worden vrijgesproken.

Verdachte heeft samen met haar partner, tevens medeverdachte [naam medeverdachte], ter verkrijging van een hypothecaire lening, een tussenpersoon ingeschakeld in de persoon van [naam 4]. [naam 4] heeft verklaard dat hij op verzoek van [naam medeverdachte] diverse documenten - in strijd met de waarheid - heeft opgemaakt en voor [naam medeverdachte], op zijn verzoek, getekend. [naam 4] is bijlage D-007 getoond en daarop heeft hij verklaard dat het zijn handtekening is die daarop staat en dat het allemaal "dikke fake" was. Dit document heeft hij op verzoek van [naam medeverdachte] opgemaakt omdat hij het moest hebben voor zijn hypotheek. Hetzelfde verklaart [naam 4] met betrekking tot bijlage D-008, D-009 en D-010.7

Voor wat betreft de huurovereenkomsten van paardenboxen en de daarop gebaseerde verpanding van de huurpenningen, strekkende tot verhoging van hypothecaire lening, overweegt de rechtbank als volgt.

In het dossier bevindt zich een viertal huurovereenkomsten telkens inclusief een akte van pandverlening waarbij door mw. [naam verdachte] en de heer [naam medeverdachte] een paardenbox werd verhuurd aan:

* [naam 7], getekend 10 februari 2004 en ingaande 1 februari 2004,

* [naam 8], getekend 3 januari 2004 en ingaande 1 januari 2004,

* [naam 9], getekend 3 januari 2004 en ingaande 1 januari 2004

* [naam 10], getekend 10 februari 2004 en ingaande 1 februari 2004.8

Opvallend in deze mede door verdachte ondertekende huurovereenkomsten is dat tot driemaal toe dezelfde paardenbox verhuurd wordt en wel nr. 97-2 aan [naam 7], [naam 8] en [naam 10].9

Dat paardenbox 97-1 verhuurd zou zijn aan [naam 9] wordt door [naam 9] zelf ten stelligste ontkend. Zij heeft geen paard (gehad) en zij herkent niet de handtekening op die verhuurovereenkomst als zijnde haar handtekening.10 Die verklaring van [naam 9], dat zij de op die huurovereenkomst voorkomende handtekening niet herkent als zijnde haar handtekening, wordt bevestigd door een door de politie bijgevoegd schriftelijk bescheid, te weten een door [naam 9] ondertekende aangifte waaruit duidelijk valt af te leiden dat de handtekening voorkomend op de huurovereenkomst en de handtekening voorkomend op de aangifte in het geheel niet op elkaar lijken.11 Voorts heeft [naam medeverdachte] ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat de stallen, op het moment dat de huur zou zijn ingegaan, nog niet gereed waren.12 Op grond van het voorgaande staat voor de rechtbank vast dat de vier huurovereenkomsten valselijk zijn opgemaakt.

Ten aanzien van verdachtes opzet op de oplichting en gebruik van valse documenten overweegt de rechtbank als volgt.

Ter bevestiging van het aangaan van een overeenkomst is het in Nederland gebruikelijk dat daarvoor van beide partijen een handtekening op die overeenkomst wordt gezet. Deze handtekening staat borg voor juistheid van hetgeen in die overeenkomst omschreven staat en voor de nakoming van de afspraken die tussen partijen zijn gemaakt. In die zin kan vastgesteld worden dat het plaatsen van een handtekening grote verantwoordelijkheid met zich brengt.

Wanneer, zoals in het onderhavige geval, een handtekening nodig is voor het aanvragen van een hypotheek c.q. het ondertekenen van een offerte voor een hypothecaire geldlening ten behoeve van de aankoop van een woning, kan en mag de geldverstrekker ervan uitgaan dat degene(n) die de offerte ondertekent/ondertekenen, instaat/instaan voor de juistheid van hetgeen in die offerte staat omschreven en de daarbij behorende stukken.

In de door verdachte en haar partner ondertekende offerte voor een hypothecaire geldlening van de SNS-bank, gevestigd te Amsterdam13 wordt duidelijk omschreven welke stukken bij de offerte moeten worden gevoegd, zoals een originele inkomstenopgave en werkgeversverklaring. Voor het begrijpen van dit deel van de tekst is geen juridische kennis vereist. Mocht verdachte of haar partner andere delen van de tekst van de offerte en de daarbij in te zenden stukken niet hebben begrepen, dan had het op hun weg gelegen om hierover duidelijkheid te krijgen.

De stelling dat verdachte niet verweten mag worden dat gebruik is gemaakt van valse stukken omdat deze, aldus verdachte, door [naam 4] buiten haar medeweten om zijn opgemaakt, legt de rechtbank eveneens naast zich neer. [naam 4] verklaart alles in opdracht en met wetenschap van [naam medeverdachte] te hebben gedaan. Omdat verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte] gezamenlijk de overeenkomst hebben getekend kan en mag ervan uitgegaan worden dat beide wetenschap hebben van elkaars handelen in dezen. De verklaring van [naam 4] acht de rechtbank betrouwbaar omdat [naam 4] daarmee ook zichzelf belast. Daarnaast geldt dat het verdachte zelf is geweest die valse huurovereenkomsten voor de stallen (mede) heeft opgemaakt, ondertekend en verpand.

Conclusie

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

2.

zij op tijdstippen in de periode van 01 maart 2003 tot en met 31 december 2004 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen een of meerdere medewerker(s) van de SNS-bank heeft bewogen tot de afgifte van hoeveelheden geld tot een beloop van 500.000 Euro hierin bestaande dat verdachte telkens tezamen met verdachtes mededader(s), met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid meerdere valse en/of valselijk opgemaakte geschriften werkgeversverklaringen en/of salarisspecificaties en/of verhuurovereenkomsten heeft overlegd aan een of meerdere medewerker(s) van die SNS-bank, ter verkrijging van een hypothecaire lening en een uitbreiding daarvan, waardoor die medewerker(s) telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

3.

zij op tijdstippen in de periode van 01 maart 2003 tot en met 31 december 2004 te Soest en/of te Amersfoort, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van:

- valse werkgeversverklaringen en/of inkomensopgaven en/of salarisstroken van [naam bedrijf 1] te Hilversum en/of

- valse werkgeversverklaringen en/of inkomensopgaven en/of salarisstroken van [naam bedrijf 2] te Amersfoort, en/of

- valse verhuurovereenkomsten aangaande de op het perceel [adres 1] te Terschuur aanwezige paardenstallen

- elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- als waren die geschriften telkens echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemde geschriften heeft/hebben overlegd tot verkrijging van een hypothecaire lening en/of ter toetsing van een aanvraag tot wederopname van gelden uit een bouwdepot en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat -zakelijk weergegeven -

- dat uit voornoemde geschriften van [naam bedrijf 1] zou blijken dat verdachtes partner aldaar voor onbepaalde tijd als commercieel manager werkzaam zou zijn en bij dit bedrijf een bruto maandsalaris van 4.250 euro, zou ontvangen en/of

- dat uit voornoemde geschriften van [naam bedrijf 2] zou blijken dat verdachte als commercieel administratief medewerkster voor onbepaalde tijd werkzaam zou zijn bij dat bedrijf en/of bij dat bedrijf een bruto jaarsalaris van 25.200 euro, zou ontvangen en/of

- dat verdachte en/of haar partner per jaar 13.200 euro zouden ontvangen uit de verhuur van meerdere op het perceel [adres 1] te Terschuur gelegen paardenstallen.

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

Anders dan de officier van justitie, die het onderhavige feit wettig en overtuigend bewezen acht, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte feit 4 heeft begaan, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft zich in haar requisitoir op het standpunt gesteld dat verdachte "redelijkerwijs had moeten vermoeden" dat de in de tenlastelegging genoemde goederen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf. De officier van justitie lijkt daarbij uit te gaan van een bewezenverklaring van schuldwitwassen. Dit is echter niet opgenomen in de tenlastelegging, die expliciet ziet op (opzet)witwassen in de zin van "weten".

Voor het concreet "weten" zoals wel is ten laste gelegd, heeft de rechtbank in het dossier onvoldoende aanknopingspunten aangetroffen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 11, onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.

Ten aanzien van feit 2:

Het medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

Het medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht alsmede betaling van een geldboete ten bedrage van € 5.000,--. De officier van justitie is tot deze eis gekomen vanwege de navolgende omstandigheden. Er is sprake van misbruik van vertrouwen nu vertrouwd moet kunnen worden op documenten die dienen als bewijs en ook door een bank bij de beoordeling van een hypotheekaanvraag gebruikt worden. De door verdachte aan de bank gegeven zekerheidstelling bleek achteraf een zeepbel te zijn. Voorts heeft verdachte boven haar stand geleefd. Dit staat in schril contrast met de hardwerkende medeburger die wel doet wat van hem of haar verlangd wordt. Met de geldboete beoogt de officier van justitie een gevoelige straf aan verdachte te doen opleggen, anders dan het met de aangekondigde ontnemingsmaatregel beoogde herstel in de juiste toestand.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat bij het bepalen van de strafmaat ernstig rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Daarnaast wordt verzocht rekening te houden met het ontbreken van relevante documentatie en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het gaat om zeer oude feiten. Voor wat betreft de redelijke termijn heeft de verdediging aangevoerd dat er 2 jaar en 9 maanden zijn verstreken sinds verdachte werd aangehouden, zodat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn waardoor de verdediging ernstig in haar belangen is geschaad.

Voorts pleit de verdediging, voor het geval de rechtbank tot een strafoplegging komt, voor een geheel voorwaardelijke straf. Verdachte heeft, ondanks haar voorlopige hechtenis haar baan kunnen behouden. Het zou voor haar verschrikkelijk zijn een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd te krijgen. Zij heeft chronische reuma en ondanks die ziekte blijft zij aan het werk.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

* het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 24 augustus 2012;

* een voorlichtingsrapportage van de Reclassering Nederland d.d. 26 februari 2010, betreffende verdachte;

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

De verdenking tegen verdachte dateert van maart 2009, terwijl het eindvonnis in eerste aanleg in september 2012 is uitgesproken. Dit is in beginsel een overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat dit langdurige tijdsverloop moet worden bezien in het licht van de omvang en de complexiteit (verschillende verdachten met deels overlappende tenlasteleggingen) van het totale dossier "Bostulp II". Daarbij betrekt de rechtbank ook de aanvullende onderzoekswensen van de verdediging, waaronder vele getuigenverhoren en het doen van een rechtshulpverzoek. In dit geheel ziet de rechtbank voldoende rechtvaardiging voor het tijdsverloop. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van schending van de redelijke termijn en komt dan ook niet tot enige strafvermindering.

Verdachte heeft zich over een periode van jaren, van 2003 tot en met 2009, schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Door het (laten) vervalsen van documenten die hebben gediend als bewijsstukken heeft verdachte een hypothecaire lening verkregen welke zij op basis van haar werkelijke inkomen nooit zou hebben gekregen. Daarmee wordt niet alleen een financieel risico voor de bank gecreëerd, maar ook heeft verdachte het vertrouwen in het financieel-economische systeem schade berokkend. Voorts heeft verdachte, door de bewezen verklaarde forse hoeveelheid hennep in haar woning toe te laten, een actieve bijdrage geleverd aan het groeiende aanbod van verdovende middelen, die schadelijk zijn voor de volksgezondheid.

In beginsel past bij dergelijke feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de straf hanteert de rechtbank echter een ander uitgangspunt dan de officier van justitie. Immers, de rechtbank zal verdachte ten aanzien van feit 4 vrijspreken. Verder heeft verdachte geen documentatie en is zij chronisch reumapatiënte. Ondanks die ziekte is verdachte haar reguliere werkzaamheden blijven voortzetten. Dat acht de rechtbank een positieve houding, die niet teniet gedaan moet worden. Met de verdediging is de rechtbank dan ook van oordeel dat een op te leggen straf die positieve houding van verdachte niet moet dwarsbomen.

Daarom zal de rechtbank, naast het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf volstaan met het opleggen van een werkstraf. Extra leedtoevoeging in de vorm van een geldstraf, zoals geëist door de officier van justitie acht de rechtbank voldoende verdisconteerd in de op te leggen gevangenisstraf en werkstraf.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47, 57, 91, 225, 326 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 3, 11 en 13 van de Opiumwet.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 4 is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Het verrichten van een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid. De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 120 (eenhonderdtwintig) dagen.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht geheel in mindering wordt gebracht, te weten 56 (zesenvijftig) uren, zijnde 29 (negenentwintig) dagen hechtenis.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. P.C. Quak (voorzitter), mr. C.M.E. Lagarde en mr. J.J.H. van Laethem, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting

van deze rechtbank op 28 september 2012.

14

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door een verbalisant van de regiopolitie Gelderland-Midden, district West Veluwe Vallei, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 07WDR09033 Bostulp II gesloten op 16 maart 2010 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (pag. 288/289) en aanvulling daarop (pag. 290); een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen (pag. 294/295);

3 Schriftelijk bescheid, inhoudende een foto-overzicht, pag. 282

4 Schriftelijk bescheid, inhoudende een foto-overzicht, pag. 283

5 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting d.d. 14 september 2012; een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [naam 5] namens de SNS Bank (pag. 391 t/m 393); een schriftelijk bescheid te weten een werkgeversverklaring [naam bedrijf 1] ten name van [naam medeverdachte] (ordner 6 bijlage D-007); een schriftelijk bescheid te weten een model-werkgeversverklaring (ordner 6 bijlage D-007); een schriftelijk bescheid te weten een salarisspecificatie [naam bedrijf 1] (ordner 6, bijlage D-009); een schriftelijk bescheid, te weten een model werkgeversverklaring [naam bedrijf 2] (ordner 6 bijlage D-011); een schriftelijk bescheid te weten een salarisstrook [naam bedrijf 2] (ordner 6 bijlage D-012); een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [naam 4] (pag. 481 t/m 490);

6 Een aantal schriftelijke bescheiden te weten een werkgeversverklaring [naam bedrijf 1] ten name van [naam medeverdachte] (ordner 6 bijlage D-007); een model-werkgeversverklaring (ordner 6 bijlage D-007), een salarisspecificatie [naam bedrijf 1] (ordner 6, bijlage D-009); een werkgeversverklaring I[naam bedrijf 4] (ordner 6 bijlage D-010); een schriftelijk bescheid, te weten een model werkgeversverklaring [naam bedrijf 4] (ordner 6 bijlage D-011)en een salarisstrook [naam bedrijf 4] (ordner 6 bijlage D-012).

7 Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [naam 4] (pag. 485

8 Schriftelijke bescheiden, te weten huurovereenkomsten en akten van pandverlening (ordner 6, bijlage D-015, D-016, D-018, D-019, D-021, D022, D-024, D-025);

9 Zie voornoemde verhuurovereenkomsten telkens pag. 1;

10 Een proces-verbaal van verhoor, inhoudende de op 1 september 2011 ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [naam 9];

11 Voornoemde huurovereenkomst (ordner 6, bijlage D-022) en een schriftelijk bescheid (ordner 6, bijlage D-023);

12 De verklaring van [naam medeverdachte] ten overstaan van de rechter-commissaris;

13 Een schriftelijk bescheid, zijnde een offerte hypothecaire geldlening, ordner 6, document 6/4.