Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX8570

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
28-09-2012
Zaaknummer
231054
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bestuursdwang; artikel 5:25, 5:29 en 5:30 Awb.

Indien tegen een besluit van een bestuursorgaan een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, maar deze rechtsgang niet is gebruikt, dient de burgerlijke rechter, ingeval de geldigheid van het besluit in het voor hem gevoerde geding in geschil is, in beginsel van die geldigheid uit te gaan, behoudens indien de daaraan verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat op dat beginsel een uitzondering moet worden aanvaard (vgl. HR 16 mei 1986, NJ 1986, 723). Hetzelfde geldt ingeval gebruik is gemaakt van een administratiefrechtelijke rechtsgang als vorenbedoeld, in welk geval de burgerlijke rechter van de geldigheid van het besluit dient uit te gaan, zolang het niet is vernietigd (vgl. HR 7 april 1995, NJ 1997, 166).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 231054 / KG ZA 12-346

Vonnis in kort geding van 6 september 2012

in de zaak van

[eiser]

eiser,

advocaat mr. J. van Delft te Nijmegen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE BEUNINGEN,

zetelend te Beuningen,

gedaagde,

advocaat mr. T.E.P.A. Lam te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De gemeente heeft bij besluit van 27 oktober 2011 [eiser] gelast om de overtredingen van de Bouwverordening, het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken en de Woningwet ongedaan te maken, door binnen twee weken na de dag waarop het besluit is verzonden zijn overtollige huisraad te verwijderen, een en ander op straffe van bestuursdwang (hierna: het bestuursdwangbesluit).

2.2. [eiser] heeft tegen dit bestuursdwangbesluit op 3 november 2011 bezwaar gemaakt bij de gemeente.

2.3. Bij brief van 9 januari 2012 heeft de gemeente [eiser] bericht dat, nu hij niet volledig aan de last uit het bestuursdwangbesluit heeft voldaan, de gemeente op 11 januari 2012 en de daarop volgende 10 werkdagen zal overgaan tot feitelijke uitvoering van de (last onder) bestuursdwang op kosten van [eiser].

2.4. De feitelijke uitvoering van de (last onder) bestuursdwang heeft plaatsgevonden van 12 tot en met 20 januari 2012. Daarbij heeft de gemeente een groot aantal zaken van [eiser] uit zijn woning, tuin en garage gehaald, die vervolgens zijn opgeslagen in een aantal containers, dat geplaatst is op de gemeentewerf.

2.5. Bij besluit op bezwaar van 28 februari 2012 heeft de gemeente het bezwaar van [eiser] tegen het bestuursdwangbesluit deels gegrond verklaard en het bestuursdwang¬besluit in aangepaste vorm in stand gelaten. De gemeente stelt zich in dit besluit op bezwaar op het standpunt dat zij bevoegd was handhavend op te treden en dat de opgelegde last onder bestuursdwang gerechtvaardigd is.

2.6. Tegen dit besluit op bezwaar heeft [eiser] op 2 april 2012 beroep ingesteld bij de bestuursrechter van deze rechtbank.

2.7. Bij besluit van 8 maart 2012 heeft de gemeente een invorderingsbesluit als bedoeld in artikel 5:25 lid 6 Algemene wet bestuursrecht (Awb) genomen. In dit besluit worden de kosten van het toepassen van bestuursdwang van € 24.249,75 (exclusief opslagkosten) ingevorderd bij [eiser]. Tegen dit besluit heeft [eiser] op 29 maart 2012 bezwaar gemaakt.

2.8. De gemeente heeft [eiser] aangegeven dat zij met gebruikmaking van haar bevoegdheid tot parate executie ex artikel 5:30 lid 2 Awb op korte termijn tot verkoop van de zaken van [eiser] aan een opkoper wil overgaan, omdat de kosten van opslag en bewaring van de zaken van [eiser] in verhouding tot de waarde van die zaken onevenredig hoog worden. De opslagkosten van de zaken bedragen € 110,00 per week en de totale waarde van de zaken bedraagt volgens een in opdracht van de gemeente verrichte taxatie ongeveer € 3.000,00.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente te verbieden om de door de gemeente uit hoofde van het bestuursdwangbesluit afgevoerde en opgeslagen eigendommen van [eiser] te verkopen onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor elk eigendom dat de gemeente na betekening van dit vonnis verkoopt, met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

3.2. [eiser] stelt dat hij door de voorgenomen verkoop van zijn zaken door de gemeente in ernstige mate wordt benadeeld, omdat de totale waarde van zijn zaken veel meer is dan de gemeente stelt. [eiser] bestrijdt dat er een goede taxatie is verricht van zijn zaken, zodat de gemeente niet kan stellen dat de kosten van opslag en bewaring in verhouding tot de waarde van de zaken onevenredig hoog zijn geworden. Hij stelt dat om die reden aan de gemeente het recht van parate executie ex artikel 5:30 lid 2 Awb niet toekomt en de gemeente aldus misbruik maakt van haar executierecht. [eiser] heeft een lijst overgelegd van de in zijn ogen juiste waarde per zaak die de gemeente heeft meegenomen. Ter onderbouwing heeft hij advertenties op www.marktplaats.nl overgelegd van vergelijkbare zaken. Daarnaast stelt [eiser] dat er een gerede kans aanwezig is dat de gemeente in het ter zake bij de bestuursrechter ingestelde beroep tegen het besluit op bezwaar niet in het gelijk zal worden gesteld en vervolgens de gemeente alle zaken van [eiser] die uit hoofde van het onrechtmatige bestuursdwangbesluit uit zijn woning zijn meegenomen aan hem zal moeten teruggeven. Daartoe zal de gemeente niet meer in staat zijn indien de gemeente die zaken al heeft verkocht ex artikel 5:30 lid 2 Awb. Ook om deze reden maakt de gemeente volgens [eiser] misbruik van het recht van executie uit hoofde van dat artikel.

3.3. De gemeente voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het gestelde spoedeisend belang ligt besloten in de aard van de zaak.

4.2. Op grond van artikel 5:25 Awb geschiedt de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. Ingevolge artikel 5:29 lid 1 Awb kan, voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, het bestuursorgaan zaken meevoeren en opslaan. Ingevolge het derde lid van dit artikel draagt het bestuursorgaan zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft het deze zaken terug aan de rechthebbende. Ingevolge het vierde lid kan het bestuursorgaan de teruggave opschorten totdat de ingevolge artikel 5:25 Awb verschuldigde kosten zijn voldaan.

4.3. Artikel 5:30 Awb maakt het mogelijk de kosten van bestuursdwang te verhalen op de conform artikel 5:29 Awb meegevoerde en opgeslagen zaken wanneer deze niet kunnen worden teruggegeven. Deze bevoegdheid kan worden beschouwd als een vorm van parate executie. Ingevolge artikel 5:30 lid 1 Awb kan het bestuursorgaan de zaak verkopen, indien een meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen dertien weken nadat zij is meegevoerd, kan worden teruggegeven. Ingevolge artikel 5:30 lid 2 Awb kan het bestuurorgaan de zaak eerder verkopen, zodra de ingevolge artikel 5:25 Awb verschuldigde kosten, vermeerderd met de voor de verkoop geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.

4.4. De gemeente heeft aangekondigd met gebruikmaking van haar bevoegdheid ex artikel 5:30 lid 2 Awb de zaken van [eiser] die met toepassing van bestuursdwang uit hoofde van het bestuursdwangbesluit uit de woning van [eiser] zijn gehaald en thans door de gemeente staan opgeslagen op de gemeentewerf, te gaan verkopen aan een opkoper.

4.5. Ter zitting heeft [eiser] uitsluitend het betoog gevoerd dat het besluit op bezwaar van 28 februari 2012 (en daarmee het onderliggende bestuursdwangbesluit) in de beroepsprocedure bij de bestuursrechter niet in stand zal blijven, omdat dit besluit op meerdere door hem aangevoerde inhoudelijke gronden - welke gronden [eiser] in de beroepsprocedure bij de bestuursrechter eveneens naar voren heeft gebracht - ondeugdelijk is, zodat de gemeente niet bevoegd was een last onder bestuursdwang op te leggen. Hij stelt dat hierdoor het bestuursdwangbesluit en de feitelijke toepassing van bestuursdwang onrechtmatig is en dat de gemeente misbruik van haar executierecht ex artikel 5:30 lid 2 Awb door de uit hoofde van dit onrechtmatige bestuursdwangbesluit meegevoerde en opgeslagen zaken te verkopen.

4.6. Indien tegen een besluit van een bestuursorgaan een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan, maar deze rechtsgang niet is gebruikt, dient de burgerlijke rechter, ingeval de geldigheid van het besluit in het voor hem gevoerde geding in geschil is, in beginsel van die geldigheid uit te gaan, behoudens indien de daaraan verbonden bezwaren door bijkomende omstandigheden zo klemmend worden dat op dat beginsel een uitzondering moet worden aanvaard (vgl. HR 16 mei 1986, NJ 1986, 723). Hetzelfde geldt ingeval gebruik is gemaakt van een administratiefrechtelijke rechtsgang als vorenbedoeld, in welk geval de burgerlijke rechter van de geldigheid van het besluit dient uit te gaan, zolang het niet is vernietigd (vgl. HR 7 april 1995, NJ 1997, 166).

4.7. Tegen het besluit op bezwaar van 28 februari 2012 loopt een beroepsprocedure bij de bestuursrechter. In het onderhavige geschil heeft de voorzieningenrechter als burgerlijke rechter uit te gaan van de geldigheid van dit besluit op bezwaar, nu dit besluit (nog) niet is vernietigd. Aan het ter zitting gevoerde betoog van [eiser] gaat de voorzieningenrechter dan ook voorbij.

4.8. Voorts gaat [eiser] in de dagvaarding uitputtend in op de vraag of de gemeente wel het recht van parate executie op grond van artikel 5:30 lid 2 Awb toekomt.

De beoordeling van die vraag is niet aan de orde, nu de gemeente dat recht toekomt op grond van artikel 5:30 lid 1 Awb: de termijn van 13 weken is ruimschoots verstreken en kennelijk - [eiser] heeft niet gesteld dat het anders is - kunnen de uit hoofde van het bestuursdwangbesluit meegevoerde en opgeslagen zaken niet aan hem worden geretourneerd, omdat hij de ingevolge artikel 5:25 Awb verschuldigde kosten voor toepassing van bestuursdwang niet kan voldoen. Dit betekent dat de gemeente reeds op grond van het eerste lid van artikel 5:30 Awb de zaken van [eiser] mag verkopen.

De vraag of het tweede lid van artikel 5:30 Awb in casu opgaat doet derhalve niet ter zake.

4.9. De vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

4.10. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.391,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vordering af,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.391,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2012.

Coll.: HS