Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX8180

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
25-09-2012
Zaaknummer
220038
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beide partijen hebben na het tussenvonnis een toelichting op de materie van de onderdelen (6) en (7) gegeven. Deze onderdelen komen hierna aan de orde. Het genoemde onderdeel (6) betreft het doorgeven van de juiste salarissen aan de pensioenverzekeraar, dat volgens Giesbers Groep gebeurd is, waarop ook de juiste afdrachten hebben plaatsgevonden. Eiser erkent dit en trekt zijn vordering op dit onderdeel in.

Onderdeel (7) betreft de opgebouwde en niet opgenomen vakantiedagen. Giesbers Groep heeft aangevoerd dat het uitkeren van niet opgenomen vakantiedagen niet gebruikelijk is bij haar voor een functie als die van eiser, de functie van een statutair directeur. Dat dit bij de statutair directeuren niet gebruikelijk is, ontkent eiser niet. Zijn wat cryptische formulering ‘Er zijn slechts enkele statutair directeuren bij de Giesbers Groep, die overigens al jarenlang in dienst zijn’, kan de rechtbank in ieder geval niet lezen als een ontkenning van die stelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 220038 / HA ZA 11-1239

Vonnis van 12 september 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. E.P. Cornel te Enschede,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GIESBERS GROEP B.V.,

gevestigd te Arnhem,

gedaagde,

advocaat mr. A.J. Quant te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Giesbers Groep genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 juni 2012

- de akte van [eiser]

- de akte van Giesbers Groep.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis van 20 juni 2012 is onder 4.36 overwogen dat partijen op ‘de onder 4.32 en 4.33 genoemde onderdelen, (6) en (7)’ een nadere toelichting dienden te geven. Deze zin bevat een evidente fout omdat onderdeel (6) niet onder 4.32, maar onder 4.33 en onderdeel (7) niet onder 4.33, maar onder 4.34 is behandeld. Bovendien bevatten de overwegingen 4.33 en 4.34 van het tussenvonnis respectievelijk de zinsneden ‘[eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld te reageren op het verweer dat (…)’ en ‘[eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld zich hierover uit te laten’ terwijl een dergelijke aankondiging van een rolverwijzing ontbreekt in overweging 4.32.

2.2. Beide partijen hebben een toelichting op de materie van de onderdelen (6) en (7) gegeven. Deze onderdelen komen hierna aan de orde.

2.3. [eiser] is echter ook ingegaan op het onderwerp van overweging 4.32 van het tussenvonnis, (5) De indexatie van het salaris van 1 januari 2011 tot 1 mei 2011. Hij neemt daarbij een positie in die afwijkt van de eindbeslissing die in genoemde overweging vastligt. De rechtbank kan niet op die eindbeslissing terugkomen, nu gesteld noch gebleken is dat die eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, waardoor de rechtbank bevoegd zou zijn om over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing om te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, LJN: BC2800).

2.4. Het genoemde onderdeel (6) betreft het doorgeven van de juiste salarissen aan de pensioenverzekeraar, dat volgens Giesbers Groep gebeurd is, waarop ook de juiste afdrachten hebben plaatsgevonden. [eiser] erkent dit en trekt zijn vordering op dit onderdeel in.

2.5. Onderdeel (7) betreft de opgebouwde en niet opgenomen vakantiedagen. Giesbers Groep heeft aangevoerd dat het uitkeren van niet opgenomen vakantiedagen niet gebruikelijk is bij haar voor een functie als die van [eiser], de functie van een statutair directeur. Dat dit bij de statutair directeuren niet gebruikelijk is, ontkent [eiser] niet. Zijn wat cryptische formulering ‘Er zijn slechts enkele statutair directeuren bij de Giesbers Groep, die overigens al jarenlang in dienst zijn’, kan de rechtbank in ieder geval niet lezen als een ontkenning van die stelling.

2.6. [eiser] stelt dat de wet de werkgever verplicht de werknemer vakantieaanspraken te verlenen. Dat staat echter niet ter discussie. Aan de orde is of [eiser] een vergoeding toekomt voor de hem toekomende vakantiedagen die hij niet heeft opgenomen. Dat hij ze niet opgenomen heeft, staat vast.

2.7. [eiser] voert aan dat in de periode van 1 januari tot 1 mei 2011, waarin hij niet als statutair bestuurder functioneerde, niet van hem kon worden verwacht dat hij vakantiedagen opnam. Hem was op 15 december 2010 met onmiddellijke ingang ontslag verleend als statutair directeur terwijl de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de opzegtermijn werd opgezegd tegen 1 mei 2011. In de periode van 1 januari 2011 tot 1 mei 2011 kon, zoals [eiser] terecht opmerkt, Giesbers Groep niet van hem verlangen dat hij vakantiedagen opnam om zijn non-activiteit als werknemer zonder functie als het ware deels zelf te betalen. Onder die omstandigheden is het in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid om hem ook de mogelijkheid te onthouden de aldus niet-opneembare vakantiedagen te verrekenen omdat statutair directeuren bij Giesbers Groep dat nu eenmaal niet doen. Van het wettelijk recht op vakantie zou dan immers buiten [eiser]s wil niets overblijven voor de genoemde periode. Op onderdeel (7) zal zijn vordering om deze reden worden toegewezen.

2.8. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt Giesbers Groep om [eiser] te betalen de wettelijke vertragingsrente als bedoeld in art. 7:625 BW over de uitbetaalde tantièmes over 2008 en 2009 alsmede tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over zowel deze tantièmes als over de vertragingsrentes als hiervoor bedoeld vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag van algehele voldoening,

3.2. veroordeelt Giesbers Groep tot betaling aan [eiser] van de minimum tantième over de periode 1 januari 2011 tot 1 mei 2011 ten belope van bruto € 11.333,33, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente als bedoeld in art. 7:625 BW alsmede tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over zowel deze tantième als over de vertragingsrente als hiervoor bedoeld vanaf 1 mei 2011 tot aan de dag van algehele voldoening,

3.3. veroordeelt Giesbers Groep om [eiser] te betalen de wettelijke vertragingsrente over de te laat betaalde salarisindexatie over 2009 en 2010, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente als bedoeld in art. 7:625 BW, alsmede tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de hier bedoelde bedragen vanaf 18 februari 2011 tot aan de dag van algehele voldoening,

3.4. veroordeelt Giesbers Groep om [eiser] te betalen de indexatie ad 1,34 % op het salaris vanaf 1 januari 2011 tot 1 mei 2011, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente als bedoeld in art. 7:625 BW en beide vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 1 mei 2011 tot aan de dag van algehele voldoening, en verstaat dat het op 17 februari 2011 betaalde wat deze veroordeling betreft een voorschot is,

3.5. veroordeelt Giesbers Groep om [eiser] € 6.392,00 bruto te betalen terzake van opgebouwde en niet opgenomen vakantiedagen vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente als bedoeld in art. 7:625 BW, alsmede tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de hier bedoelde bedragen vanaf 1 mei 2011 tot aan de dag van algehele voldoening,

3.6. veroordeelt Giesbers Groep om [eiser] € 279,35 bruto te betalen terzake van te weinig betaalde vakantietoeslag 2011, vermeerderd met de wettelijke vertragingsrente als bedoeld in art. 7:625 BW, alsmede tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de hier bedoelde bedragen vanaf 1 mei 2011 tot aan de dag van algehele voldoening,

3.7. verklaart dit vonnis tot hier toe uitvoerbaar bij voorraad,

3.8. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.9. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken door mr. R.J.B. Boonekamp als rolrechter op 12 september 2012.