Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX8071

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-09-2012
Datum publicatie
24-09-2012
Zaaknummer
12-211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoekster niet-ontvankelijk omdat het wrakingsverzoek niet is gedaan zodra de feiten of omstandigheden die aan de wraking ten grondslag liggen aan verzoekster bekend zijn geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

Wrakingskamer

Zaaknummer: 12/211

Beschikking van 20 september 2012

in de zaak van

Sonac Vuren B.V.,

gevestigd te Vuren,

verzoekster tot wraking,

gemachtigde mr. W.M. Hes, advocaat te Amsterdam,

tegen

[de kantonrechter] in zijn hoedanigheid van kantonrechter.

1. De procedure

1.1. Bij brief van 31 juli 2012 heeft verzoekster [de kantonrechter] gewraakt.

1.2. [de kantonrechter] heeft schriftelijk meegedeeld dat hij niet zal verschijnen tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek, maar niet wenst te berusten in de wraking.

1.3. De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking behandeld ter openbare terechtzitting op 6 september 2012. Namens verzoekster is mr. W.M. Hes verschenen. Hij heeft het wrakingsverzoek mondeling toegelicht. Verder zijn verschenen de heren [betrokkene 1] (algemeen directeur van verzoekster) en [betrokkene 2] (HR manager van verzoekster).

1.4. Ten slotte is de beslissing bepaald op heden.

2. Het wrakingsverzoek

2.1. Het verzoek tot wraking is gericht tegen [de kantonrechter] als kantonrechter in de zaken met zaaknummers 882961 VV EXPL 12-5031 en 823068 HA VERZ 12-5131 tussen verzoekster en haar werknemer, de heer [werknemer]. Het betreft respectievelijk een verzoek om een voorlopige voorziening en een ontbindingsverzoek op grond van artikel 7:685 Burgerlijk Wetboek. Beide procedures zijn aanhangig gemaakt door de heer [werknemer]. De mondelinge behandeling van beide zaken heeft gelijktijdig plaatsgevonden op de zitting van [de kantonrechter] op 11 juli 2012. Op 25 juli 2012 heeft [de kantonrechter] op het verzoek om een voorlopige voorziening een tussenvonnis gewezen. De beschikking in de ontbindingsprocedure was bepaald op 1 augustus 2012, maar is aangehouden in verband met het wrakingsverzoek.

2.2. Verzoekster heeft aan het schriftelijke verzoek, zoals toegelicht tijdens de mondelinge behandeling, het volgende ten grondslag gelegd.

Tijdens de zitting had [de kantonrechter] volgens verzoekster in haar richting een kritische houding en heeft hij opmerkingen gemaakt die vooral de aanwezige vertegenwoordigers van verzoekster deden twijfelen aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van [de kantonrechter]. Zo heeft [de kantonrechter] – aldus verzoekster – opgemerkt dat hij zich echt afvroeg waarom verzoekster de heer [werknemer], die arbeidsongeschikt was, niet met rust had gelaten. Vervolgens zou [de kantonrechter], nadat verzoekster had aangevoerd dat werkgever en werknemer in het kader van de Wet verbetering Poortwachter een verplichting hebben, letterlijk hebben gezegd: “Vroeger was het zo dat een werkgever een werknemer die ziek was een tijd met rust moest laten en pas als de werknemer weer voldoende hersteld was dan pas de werknemer mocht benaderen en bijvoorbeeld met mediation mocht starten.” Nadat verzoekster daarop had opgemerkt dat de Wet verbetering Poortwachter ook aan de werknemer bepaalde verplichtingen oplegt en dat de bedrijfsarts bewaakt of een werknemer op een gegeven moment tijdens arbeidsongeschiktheid in staat is om bijvoorbeeld mediation in te gaan, heeft [de kantonrechter] volgens verzoekster gezegd dat dat dan wel zo zou zijn, maar dat je één en ander toch wel contextueel zou moeten bekijken. En nadat verzoekster had aangevoerd dat de context nu juist de Wet verbetering Poortwachter is, alsook de adviezen van de bedrijfsarts om mediation en de tweede spoor re-integratie in te gaan en dat dus de verplichting bij de heer [werknemer] lag om daaraan gevolg te geven, merkte [de kantonrechter] volgens verzoekster op: “Ik hoor het u zeggen.” Ook deze opmerking, in het licht van wat [de kantonrechter] daarvoor had gezegd, gaf verzoekster sterk de indruk dat [de kantonrechter] zijn eigen werkelijkheid erop nahield dan wel erop nahoudt, gebaseerd op “vroeger”. Gelet op het voorgaande is volgens verzoekster van een onpartijdige en onbevooroordeelde behandeling door [de kantonrechter] geen sprake geweest en bestaat gegronde vrees dat [de kantonrechter] niet de onpartijdige rechter is waar iedere burger en ook een rechtspersoon in Nederland recht op heeft.

2.3. Het verweer van [de kantonrechter] wordt hierna voor zover nodig besproken.

3. De beoordeling

3.1. Volgens artikel 37 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet het wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die aan de wraking ten grondslag liggen aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door de indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht.

3.2. De rechtbank constateert dat de aangevoerde feiten en omstandigheden voor de wraking verzoekster al op 11 juli 2012 bekend zijn geworden of redelijkerwijs bekend behoorden te zijn. Het wrakingsverzoek is immers gebaseerd op uitlatingen die [de kantonrechter] die dag op de zitting zou hebben gedaan. Verzoekster heeft echter pas op 31 juli 2012 een wrakingsverzoek op grond van die feiten en omstandigheden ingediend. Desgevraagd heeft verzoekster verklaard dat zij pas na lezing van het tussenvonnis van 25 juli 2012 besefte dat [de kantonrechter] op de zitting van 11 juli 2012 vooringenomen was doordat hij een standpunt innam dat was gebaseerd op wetgeving van vroeger. Wat daarvan verder ook zij, daarmee heeft verzoekster onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om het tijdsverloop tussen de zitting en het indienen van het wrakingsverzoek te rechtvaardigen.

3.3. De conclusie luidt dat het verzoek te laat is gedaan, zodat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek. Aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek komt de rechtbank daarom niet toe.

4. De beslissing

De rechtbank

verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.P.M. Kester-Bik, L.B.M. Klein Tank en F.M.T. Quaadvliet in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.C.D. Crezée en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2012.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.