Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX8019

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
21-09-2012
Zaaknummer
232422
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opheffing executoriaal beslag.

DUO heeft voor de studieschulden van beslagene executoriaal beslag gelegd op het salaris van beslagene onder haar werkgever. Aan het litigieuze executoriaal loonbeslag zijn door DUO twee dwangbevelen ex artikel 4:114 Awb ten grondslag gelegd. Partijen verschillen van mening over de juiste manier van betekening en dus de rechtsgeldigheid van deze dwangbevelen. Beslagene heeft periodes in Duitsland gewoond. Het eerste dwangbevel is betekend aan het verkeerde adres van beslagene in Nederland zodat dit dwangbevel niet ten grondslag kan worden gelegd aan het loonbeslag. Het tweede dwangbevel is aan beslagene betekend op de wijze van artikel 56 Rv op een adres in Duitslad. Ook als zou worden uitgegaan van de juiste wijze van betekening van dit tweede dwangbevel en dus van de rechtsgeldigheid ervan, dan nog is er reden om het loonbeslag op te heffen. Immers, er kan namelijk hooguit voor het bedrag van het tweede dwangbevel, vermeerderd met de hierop betrekking hebbende rente en (executie)kosten, beslag worden gelegd. Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is voldoende duidelijk geworden dat uit hoofde van het loonbeslag een zodanig bedrag is ingehouden op het salaris van beslagene, dat het voor de hand ligt alsnog aan te nemen dat met het reeds geïnde bedrag de vordering waarvoor beslag had mogen worden gelegd in zijn geheel is voldaan. Dit betekent dat het loonbeslag reeds hierom niet genadhaafd kan blijven en dus moet worden opgeheven, wat er ook zij van de juiste manier van betekening van het tweede dwangbevel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 232422 / KG ZA 12-404

Vonnis in kort geding van 30 augustus 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats in Duitsland] (Duitsland),

eiseres,

advocaat mr. M.J. Germs te Nijmegen,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP, DIENST UITVOERING ONDERWIJS (DUO),

rechtsopvolger onder algemene titel van de Informatie Beheer Groep,

zetelende te ‘s-Gravenhage,

gedaagde,

vertegenwoordigd door mr. M. Zweers, bijzonder gevolmachtigde.

Partijen zullen hierna [eiseres] en DUO genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de pleitnota van DUO.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] heeft een studieschuld aan DUO. DUO is overgegaan tot inning van die vordering.

2.2. Op 5 juli 2004 heeft DUO ten laste van [eiseres] een dwangbevel met titelnummer 1057094 uitgevaardigd ten bedrage van € 14.861,71 + P.M. Dit dwangbevel (hierna ook: het eerste dwangbevel) heeft betrekking op de achterstallige aflossingstermijnen juni 2000 t/m februari 2004.

2.3. DUO heeft dit dwangbevel op 30 augustus 2004 bij exploot aan [eiseres] doen betekenen op het adres [adres A] te [woonplaats] door achterlating van een afschrift van het exploot en het dwangbevel in een gesloten envelop aan voormeld adres. Het openstaande bedrag bedraagt volgens het exploot € 15.018,34.

2.4. Op 10 oktober 2005 heeft DUO een tweede dwangbevel met titelnummer 1146266 uitgevaardigd tegen [eiseres] ten bedrage van € 723,07 + P.M. Dit dwangbevel (hierna ook: het tweede dwangbevel) heeft betrekking op de achterstallige aflossingstermijnen maart 2004 t/m maart 2005.

2.5. DUO heeft het tweede dwangbevel op 18 oktober 2005 op de voet van artikel 56 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) aan [eiseres] doen betekenen door verzending van een afschrift van het exploot en het dwangbevel per aangetekende post aan de ontvangende instantie in Duitsland, het Ambtsgericht Kleve, met het verzoek om de stukken aan [eiseres], wonende te [woonplaats Z] (Duitsland) aan de [adres B] te betekenen. Het openstaande bedrag bedraagt volgens het exploot € 805,53.

2.6. [eiseres] is in loondienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voorheen genaamd het Ministerie van Justitie (hierna ook: de werkgever).

2.7. Op 9 januari 2006 heeft DUO uit hoofde van de hiervoor genoemde twee dwangbevelen executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de werkgever van [eiseres] op het salaris van [eiseres] (hierna ook: het loonbeslag). Het loonbeslag is gelegd voor een totaalbedrag van € 16.685,64 + P.M. Dit bedrag is volgens het exploot samengesteld uit

€ 15.676,04 voor dossier 99800 (het eerste dwangbevel), € 811,10 voor dossier 125499 (het tweede dwangbevel) en € 198,50 voor explootkosten.

2.8. Op 13 januari 2006 heeft DUO het beslagexploot doen overbetekenen aan [eiseres]. Daartoe heeft een deurwaarder in zijn hoedanigheid van verzendende instantie als bedoeld in artikel 56 Rv een afschrift van het exploot en het beslagexploot van 9 januari 2006 per aangetekende post aan de ontvangende instantie in Duitsland, het Ambtsgericht Kleve, verzonden met het verzoek om de stukken aan [eiseres], wonende te [woonplaa[ ] Duitsland] (Duitsland) aan de [adres B] te betekenen.

2.9. Uit hoofde van het loonbeslag heeft de werkgever van [eiseres] van 10 september 2007 tot 4 juni 2012 een bedrag van in totaal € 2.475,00 ingehouden op het loon van [eiseres] en overgedragen aan de deurwaarder.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. het op 9 januari 2006 door DUO ten laste van haar onder haar werkgever, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voorheen genaamd het Ministerie van Justitie, gelegde executoriaal loonbeslag op te heffen;

2. DUO te veroordelen tot betaling aan haar van de bedragen en kosten die DUO uit hoofde van het hiervoor vermelde loonbeslag op haar heeft verhaald, te vermeerderen met de wettelijke rente;

3. DUO te veroordelen in de proceskosten.

3.2. [eiseres] legt aan haar vordering primair ten grondslag dat de twee dwangbevelen ten titel waarvan het loonbeslag is gelegd nietig zijn, omdat beide dwangbevelen niet in de wettelijk voorgeschreven vorm aan haar zijn bekendgemaakt c.q. niet rechtsgeldig aan haar zijn betekend, als gevolg waarvan ook de daarop gebaseerde executie nietig is, zodat het door DUO ten onrechte en aldus onrechtmatig gelegde loonbeslag moet worden opgeheven. Daarnaast stelt [eiseres] dat de executie ook nietig is omdat het loonbeslag niet rechtsgeldig

(in de voorgeschreven vorm) aan [eiseres] is overbetekend zoals uitdrukkelijk is voorgeschre¬ven in artikel 475i Rv, zodat ook op deze grond het loonbeslag moet worden opgeheven.

Tot slot stelt [eiseres] dat het loonbeslag moet worden opgeheven omdat de onderliggende vorderingen waarvoor de dwangbevelen zijn uitgevaardigd zijn verjaard. Aan de restitutie van de mid¬dels het loonbeslag geïncasseerde bedragen legt zij ten grondslag dat deze onverschul¬digd zijn betaald, nu het loonbeslag nietig c.q. onrechtmatig is. [eiseres] stelt een spoedeisend belang te hebben dat het onrechtmatige beslag op haar inkomen op de kortst mogelijke termijn wordt opgeheven.

3.3. DUO voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Gelet op de internationale aspecten van deze zaak – [eiseres] heeft woonplaats in Duitsland – dient ambtshalve eerst de bevoegdheid van de voorzieningenrechter en het op de onderhavige vorderingen toepasselijke recht te worden beoordeeld.

4.2. De Nederlandse rechter komt krachtens artikel 2 van de EEX-verordening

(EG Verordening nr. 44/2001) rechtsmacht toe, nu DUO haar zetel heeft in Nederland.

Voor de vaststelling van het toepasselijke recht op de rechtsverhouding tussen partijen is van belang dat [eiseres] haar vorderingen baseert op een onrechtmatige daad van DUO. Om te bepalen welk recht van toepassing is ten aanzien van een op een onrechtmatige daad gegronde vordering dient de Nederlandse rechter EG Verordening nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-verordening) toe te passen. Bij afwezigheid van een rechtskeuze door partijen is ingevolge artikel 4 lid 1 Rome II-verordening het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet. In dit geval is dat Nederlands recht, omdat de gestelde onrechtmatige daad bestaat uit het doen leggen c.q. handhaven van executoriaal loonbeslag op het salaris van [eiseres] onder haar werkgever in Nederland. Voorts geldt dat uit het geheel der omstandigheden van deze zaak blijkt dat de gestelde onrechtmatige daad vrijwel uitsluitend in de rechtssfeer van Nederland plaatsvindt en dus met Nederland een nauwere band heeft dan met Duitsland, zodat ook op deze grond het Nederlands recht van toepassing is ex artikel 4 lid 3 van Rome II-verordening.

4.3. [eiseres] heeft met verwijzing naar artikel 6.2 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie (hierna: het Procesreglement) bezwaar gemaakt tegen de door DUO één dag voor de zitting ingediende producties. Zij is van mening dat de producties niet zo spoedig mogelijk en dus te laat zijn ingediend en heeft om die reden de voorzieningenrechter verzocht om de producties van DUO buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Vast staat dat de producties van DUO weliswaar op de laatste dag voor de zitting, maar nog vóór de uiterlijke termijn van 24 uur (één werkdag) vóór het tijdstip van de zitting zijn ingediend, zodat de stukken niet te laat zijn in de zin van artikel 6.2 van het Procesreglement. Het bezwaar van [eiseres] is derhalve ongegrond, zodat de producties van DUO worden toegelaten in de onderhavige procedure.

4.4. Met de aard van het gevorderde en het daaraan ten grondslag gelegde acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van [eiseres] bij de gevraagde opheffing van het loonbeslag gegeven.

4.5. De voorzieningenrechter constateert dat aan het litigieuze executoriaal loonbeslag twee dwangbevelen (ex artikel 4:114 Algemene wet bestuursrecht (Awb)) ten grondslag liggen: het eerste dwangbevel van 5 juli 2004 en het tweede dwangbevel van 10 oktober 2005. Op grond van artikel 4:123 Awb geschiedt de bekendmaking van een dwangbevel door middel van betekening van een exploot door een deurwaarder. Een dwangbevel levert krachtens artikel 4:116 Awb een executoriale titel op als bedoeld in artikel 430 Rv, die met toepassing van de voorschriften van dit wetboek (Rv) kan worden tenuitvoergelegd. Voor de tenuitvoerlegging van een executoriale titel is ingevolge het derde lid van artikel 430 Rv voorafgaande betekening daarvan vereist aan degene tegen wie de executie zich zal richten. De tenuitvoerlegging is nietig als de executoriale titel niet eerst rechtsgeldig is betekend.

4.6. Het eerste dwangbevel is op 30 augustus 2004 aan [eiseres] betekend aan het adres [adres A] te Nijmegen. [eiseres] stelt dat dit dwangbevel nietig is, omdat de betekening van dit dwangbevel niet in de voorgeschreven vorm heeft plaatsgevonden, nu zij ten tijde van de betekening al geruime tijd geen woon- of verblijfplaats had op het adres [adres A] te Nijmegen noch in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) op dat

adres stond ingeschreven. Zij stelt dat zij destijds in Duitsland woonde. Uit het door haar overgelegde uittreksel uit de GBA met haar historische adressen blijkt dat zij sinds

20 februari 2000 niet meer op dat adres stond ingeschreven en dat zij op 11 november 2003 met onbekende bestemming is vertrokken, zodat in beginsel ervan uit moet worden gegaan dat [eiseres] ten tijde van de betekening van het eerste dwangbevel op 30 augustus 2004 op het adres [adres A] te Nijmegen geen woonplaats had. Het had op de weg van DUO gelegen om haar stelling dat [eiseres] daar op dat moment toch woonde en/of daar werkelijk verblijf had nader te motiveren. DUO heeft dit echter nagelaten. Nu DUO ook niet goed kan vertellen welk onderzoek precies door de deurwaarder is gedaan ten einde de (feitelijke) woon- of verblijfplaats van [eiseres] te achterhalen alvorens het eerste dwangbevel op

30 augustus 2004 aan het adres [adres A] te Nijmegen te betekenen, is de voorzieningen¬rechter van oordeel dat DUO geen goede reden(en) had om aan te nemen dat [eiseres] ten tijde van de betekening aldaar (feitelijk) woon- of verblijfplaats had en dat het dwangbevel bij betekening aan dat adres [eiseres] ook daadwerkelijk zou bereiken dan wel dat zij daarvan op enigerlei andere wijze op de hoogte zou raken. Daaraan doet niet af dat [eiseres] in het verleden op dat adres heeft gewoond en ingeschreven heeft gestaan en daarnaast vanuit dat adres ook heeft gecom¬municeerd met DUO, nu al dit ruim vóór de datum van de bewuste betekening heeft plaatsgevonden. De voorzieningen¬rechter acht het aannemelijk dat [eiseres] pas begin 2012 bekend is geraakt met het bestaan van het loonbeslag van DUO en dit dwangbevel, nadat zij eerst bij haar werkgever en vervolgens bij de deurwaarder navraag had gedaan over hoe lang nog op basis van het rustende loonbeslag bedragen zouden worden ingehouden op haar salaris. [eiseres] stelt dat zij als gevolg daarvan door de deurwaarder voor het eerst in het bezit is gesteld van de beslagstukken en de onderliggende twee dwangbevelen. DUO heeft dat onvoldoende kunnen ontkrachten. Niet in geschil is dat er al jarenlang diverse beslagen voor hoge bedragen liggen op het salaris van [eiseres], zodat het niet ongeloofwaardig is dat [eiseres] lange tijd ervan uitging dat het rustende loonbeslag afkomstig was van één van haar andere schuldeisers. Nu verder ook niet (voldoende) is gesteld of gebleken dat [eiseres] eerder dan begin 2012 van het bestaan van het eerste dwang¬bevel op de hoogte is geraakt, is zij door de nietigheid van (het exploot van betekening van het) dwangbevel ook onredelijk benadeeld.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat het eerste dwangbevel niet rechtsgeldig aan [eiseres] is betekend, zodat dit dwangbevel niet ten grondslag kan worden gelegd aan het loonbeslag. Dit betekent dat DUO voor dit dwangbevel, dat volgens het beslagexploot van 9 januari 2006 een waarde vertegenwoordigt van € 15.676,04, geen beslag had mogen leggen.

4.8. Vervolgens is de vraag aan de orde of het tweede dwangbevel, dat volgens het beslagexploot van 9 januari 2006 een waarde vertegenwoordigt van € 811,10, wel ten grondslag kan worden gelegd aan de beslaglegging. Het tweede dwangbevel is op 18 oktober 2005 betekend aan [eiseres]. Deze betekening heeft plaatsgevonden op de wijze van artikel 56 Rv. Dit is de betekening in geval van een onbekende woonplaats en/of onbekend werkelijk verblijf in Nederland en een bekende woonplaats of bekend werkelijk verblijf in een staat waar de (Herziene) EG-Betekeningsverordening van toepassing is, waaronder alle EU-lidstaten.

4.9. Het tweede dwangbevel is betekend aan een adres in [woonplaats in Duitsland] (Duitsland) waar [eiseres] volgens DUO op dat moment woonplaats had. In de akte van betekening wordt als adres van [eiseres] vermeld: [woonplaats Z] (Duitsland) aan de [adres B].

[eiseres] stelt allereerst dat ook deze betekening niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden en dus nietig is, omdat zij ten tijde van de betekening niet op dat adres in Duitsland woonde en zij overigens ook dit dwangbevel niet heeft ontvangen. DUO heeft geen uittreksel uit de administratie van de gemeente Kranenbrug overgelegd waaruit blijkt dat [eiseres] ten tijde van de betekening op dat adres in Duitsland woonde. DUO heeft wel een brief van 7 december 2005 van de gemeente [woonplaats in Duitsland] overgelegd, waarin wordt verklaard dat [eiseres] ingeschreven staat op het adres [ ] [woonplaats in Duitsland], [adres] in Duitsland. [eiseres] heeft ter zitting ook erkend dat zij op dat moment (7 december 2005) op dat adres stond ingeschreven, zodat ervan kan worden uitgegaan dat zij op dat moment aldaar woonplaats had. Uit deze informatie kan echter niet zonder meer worden geconcludeerd dat [eiseres] aldaar ook ongeveer twee maanden eerder - ten tijde van de betekening op 18 oktober 2005 - ingeschreven stond dan wel feitelijk woonde, maar is gelet op het relatief korte tijdsbestek tussen beide momenten ook niet helemaal uit te sluiten. Wat toen precies de feitelijke situatie was kan thans niet worden vastgesteld.

4.10. Ten tweede stelt [eiseres] met verwijzing naar een vonnis van de rechtbank Zutphen van 4 juni 2008, LJN BD7229 dat het dwangbevel ook nietig is, omdat de betekening van dit dwangbevel op de voet van artikel 56 Rv niet de wettelijk voorgeschreven wijze is voor de van toepassing zijnde situatie. Een dwangbevel valt volgens [eiseres] niet onder de materiële werkingssfeer van de (Herziene) EG-Betekeningsverordening, nu een dwangbevel niet valt onder het begrip “burgerlijke of handelszaak” in de zin van deze verordening. Volgens [eiseres] had daarom betekend moeten worden op de voet van artikel 55 Rv dat een andere wijze van betekening voorschrijft. De beoordeling hiervan kan in het midden blijven gelet op het hiernavolgende.

4.11. Ook al zou evenwel worden uitgegaan van de juiste wijze van betekening van dit dwangbevel en dus van de rechtsgeldigheid ervan, hetgeen [eiseres] uitdrukkelijk betwist, dan nog is er reden, gelet op het hiernavolgende om het loonbeslag op te heffen. Daarvoor is het volgende van belang. Er kan namelijk hooguit voor het bedrag van het tweede dwangbevel, vermeerderd met de hierop betrekking hebbende rente en (executie)kosten, beslag worden gelegd. Uit het beslagexploot volgt dat uit hoofde van dit tweede dwangbevel [eiseres] een bedrag van € 811,10 is verschuldigd en dat de executiekosten € 198,50 bedragen, zodat DUO hoogstens voor een bedrag van € 1.009,60 + P.M. beslag had mogen leggen op grond van dit dwangbevel. Inmiddels is uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting voldoende duidelijk geworden dat uit hoofde van het loonbeslag in ieder geval reeds een bedrag van € 2.475,00 is ingehouden op het salaris van [eiseres] ter voldoening van de onderliggende vordering van DUO op [eiseres] op basis waarvan DUO de twee dwangbevelen heeft uitgevaardigd en aan het loonbeslag ten grondslag heeft gelegd. Nu hierboven is geoordeeld dat het eerste dwang¬bevel niet ten grondslag had mogen worden gelegd aan de beslaglegging, maar enkel het tweede dwangbevel vermeerderd met rente en kosten, ligt het voor de hand vooralsnog aan te nemen dat met het reeds geïnde bedrag de vordering waarvoor beslag had mogen worden gelegd in zijn geheel is voldaan. Dit betekent dat het loonbeslag reeds hierom niet gehandhaafd kan blijven en dus moet worden opgeheven, wat er ook zij van de juiste manier van betekening van het tweede dwangbevel.

4.12. Nu reeds op grond van het vorenstaande de voorzieningenrechter het loonbeslag zal opheffen, behoeft het door [eiseres] gestelde omtrent de beweerdelijk onjuiste wijze van over¬betekening van het beslagexploot en het beroep van [eiseres] op verjaring geen bespreking.

4.13. De vordering van [eiseres] tot terugbetaling van de reeds ingehouden bedragen op grond van het loonbeslag strekt tot betaling van een geldsom. Voor de vraag of plaats is voor toewijzing bij voorraad van een dergelijke geldvordering in kort geding zal de voorzieningenrechter niet alleen dienen te onderzoeken of deze vordering voldoende aannemelijk is, maar ook of [eiseres] daarbij een spoedeisend belang heeft, terwijl de voorzieningenrechter bij afweging van de belangen van partijen mede het restitutierisico zal hebben te betrekken.

4.14. [eiseres] heeft de hoogte van de door haar gevorderde bedragen niet geconcretiseerd zodat deze vordering reeds vanwege onvoldoende bepaaldheid niet kan worden toegewezen, nog afgezien van dat er voor deze vordering geen spoedeisend belang is gesteld en een restititutierisico aan de zijde van [eiseres] niet onaanzienlijk is gelet op haar vele schuldeisers. Bovendien is mogelijk een deel van de door DUO middels het loonbeslag geïncasseerde bedragen wel rechtsgeldig en dus niet onverschuldigd betaald, omdat dit in mindering heeft gestrekt op de vordering van DUO op [eiseres] uit hoofde van het tweede dwangbevel.

4.15. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. heft op het op 9 januari 2006 ten laste van [eiseres] onder haar werkgever, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voorheen genaamd het Ministerie van Justitie, gelegde executoriaal loonbeslag,

5.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2012.

Coll.: HS