Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX7884

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-09-2012
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
816845 Cv Expl. 12-3582
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Ontslag-

Werkgever heeft werknemer schriftelijk bericht dat er ontslag volgt wegens financiële redenen. Werknemer tekent hiertegen beroep aan bij de Commissie van Beroep voor het BO en (V)SO. Dit beroep wordt door de Commissie gegrond verklaard. De Commissie overweegt daartoe, kort gezegd, dat werkgever niet voldoende aan haar inspanningsverplichtingen heeft voldaan om werknemer binnen haar organisatie te (her)plaatsen.

Werknemer stelt primair dat deze uitspraak voor partijen bindend is en er toe leidt dat de arbeidsovereenkomst nog steeds bestaat.

De kantonrechter oordeelt daartoe dat uit jurisprudentie blijkt, kort samengevat, dat een uitspraak van de Commissie niet kan worden aangemerkt als bindend advies, tenzij zulks ondubbelzinnig is overeengekomen. Dit laatste is in onderhavige zaak niet gesteld of gebleken. Bovendien bestaat in het arbeidsrecht een gesloten stelsel van opzeggings- en beëindigingsmogelijkheden. Dit betekent dat een uitspraak van de Commissie niet de sanctie van vernietigbaarheid danwel nietigheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kent.

Subsidiair stelt de werknemer dat het ontslag kennelijk onredelijk is zoals bedoeld in artikel 7:681 BW. – valse reden, gevolgencriterium –

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/284
AR-Updates.nl 2012-0833
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

burgerlijk recht, sector kanton

Locatie Arnhem

zaakgegevens 816845 \ CV EXPL 12-3582 \ 321

uitspraak van 17 september 2012

vonnis

in de zaak van

[werkneemster]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. S.G. Volbeda

tegen

de stichting Stichting Montessori- en Traditioneel Basisonderwijs Doesburg/Ellecom

gevestigd te Doesburg

gedaagde partij

gemachtigde mr. R.J.A. Dil

Partijen worden hierna [werkneemster] en De Stichting genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 juni 2012 en de daarin genoemde processtukken;

- de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 30 augustus 2012.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn vanaf 11 maart 2002 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan. Op deze overeenkomst is de CAO PO van toepassing.

2.2. Op basis van de arbeidsovereenkomst was [werkneemster] werkzaam in de functie van conciërge op de locatie Ellecom van de Anne Frankschool (die de Stichting in stand houdt).

Het salaris van [werkneemster] bedroeg laatstelijk € 1.674,00 bruto exclusief 8 % vakantietoeslag en 6,3 % eindejaarsuitkering.

2.3. [werkneemster] was bij de Stichting werkzaam op basis van het Besluit In- en Doorstroombaan (ID-baan), waarvoor De Stichting loonkostensubsidie ontving van de gemeente Doesburg. Deze subsidie wordt sinds 1 augustus 2009 afgebouwd.

2.4. Bij besluit van 1 juli 2010 heeft De Stichting de functie van [werkneemster] per 1 augustus 2010 in het risicodragend deel van de formatie (rddf) geplaatst vanwege de vermindering van de loonkostensubsidie en de te verwachten terugloop van het aantal leerlingen.

[werkneemster] heeft tegen dit besluit beroep aangetekend bij de Commissie van Beroep voor het BO en (V)SO. Bij uitspraak van 23 november 2010 heeft deze commissie het beroep ongegrond verklaard en daartoe onder meer overwogen:

“Verweerster heeft in de opvatting van de Commissie in het meerjarenformatieplan voldoende onderbouwd waarom zij de functie van appellante, in het licht van voorgaande en in combinatie met andere maatregelen, niet langer kan handhaven. (…)

Het besluit van verweerster om appellante in het rddf te plaatsen dient dan ook in stand te blijven. (…)

De commissie verklaart het beroep van appellante derhalve ongegrond. (…)”

2.5. In de brief van 4 maart 2011 van De Stichting aan [werkneemster] staat onder meer:

“Zoals aangekondigd in onze brief van 01-07-2010 heeft het bestuur het voornemen over te gaan tot uw ontslag per 01-08-2011. (…)”

2.6. [werkneemster] heeft hiertegen (via haar gemachtigde) bij brief van 25 maart 2011 geprotesteerd.

2.7. In het besluit van 22 april 2011 heeft De Stichting het ontslag van [werkneemster] aangezegd. In dit besluit staat onder meer:

“Zoals aangekondigd in onze brief van 01-07-2010 gaan wij, na plaatsing van uw functie gedurende de periode van één jaar in het risico dragend deel van de formatie (RDDF), over tot uw ontslag per 01-08-2011. (…)

De grondslag voor dit ontslag ligt in de volgende financiële feiten (…)”

2.8. Op 3 mei 2011 heeft [werkneemster] hiertegen beroep aangetekend bij de Commissie van Beroep van de Stichting Onderwijsgeschillen (hierna: de Commissie).

Bij brief van 9 juni 2011 heeft zij (via haar gemachtigde) de volgende grond voor het beroep kenbaar gemaakt: “Appellante is ontslagen om financiële redenen. Appellante was dan ook zeer verbaasd dat de stichting een vacature heeft geplaatst voor een conciërge, ofwel voor haar functie. De vacature gaat hierbij. Kennelijk is ontslag van een conciërge/van cliënte niet noodzakelijk. (…)”

2.9. Bij uitspraak van 25 oktober 2011 heeft de Commissie het beroep van [werkneemster] gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:

“(…)Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is de Commissie gebleken dat de werkzaamheden van [werkneemster] nog steeds voorhanden zijn en dat de werkgever nog voor het einde van de arbeidsovereenkomst met [werkneemster] via een vacature van Presikhaaf Bedrijven op zoek is gegaan naar iemand die deze werkzaamheden, na het vertrek van [werkneemster], kon gaan verrichten. De werkgever heeft verklaard dit bedrijf te hebben benaderd omdat op de locatie Doesburg reeds iemand via Presikhaaf Bedrijven werkt en daarvoor slechts het budget voor schoonmaakkosten verschuldigd was.

De werkgever heeft op voorhand niet onderzocht of er mogelijkheden zijn om [werkneemster] via gemeentelijke dan wel wettelijke subsidiestromen bij haar te laten werken. Het door de werkgever ingenomen uitgangspunt dat het aan [werkneemster] zou zijn om dit te onderzoeken, acht de Commissie niet redelijk vanwege de complexiteit van de onderliggende materie. De Commissie is van oordeel dat het op de weg van de werkgever had gelegen om gedurende het jaar van rddf-plaatsing de mogelijkheden te onderzoeken om [werkneemster], wellicht ook via Presikhaaf Bedrijven, op school werkzaam te houden. Nu de werkgever dit heeft nagelaten heeft hij onvoldoende voldaan aan de op hem rustende inspanningsverplichtingen.

Dientengevolge zal de Commissie het beroep gegrond verklaren.”

2.10. [werkneemster] heeft per 1 augustus 2011 geen werkzaamheden meer voor de Stichting verricht.

3. De vordering en het verweer

3.1. [werkneemster] vordert primair:

- dat de kantonrechter bepaalt dat De Stichting de uitspraak van 25 oktober 2011 van de Commissie dient na te komen;

- een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst, gelet op voornoemde afspraak van de Commisie, nog bestaat;

- dat De Stichting veroordeeld wordt om aan [werkneemster] te betalen het salaris van

€ 1.674,00 bruto per maand plus emolumenten over de periode van 1 augustus 2011 tot en met maart 2012;

- dat De Stichting wordt veroordeeld om aan [werkneemster] te betalen de wettelijke verhoging van 50 % en de wettelijke rente over bovengenoemd salaris vanaf de dag van verschuldigdheid tot aan de dag van betaling;

- dat De Stichting wordt veroordeeld om aan [werkneemster] te betalen het salaris vanaf april 2012.

3.2. [werkneemster] stelt ter onderbouwing van deze vordering dat de uitspraken van de Commissie bindend zijn voor De Stichting. Volgens [werkneemster] leidt de laatste uitspraak van de Commissie van 25 oktober 2011 er toe dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog steeds bestaat, zodat De Stichting loon is verschuldigd.

3.3. [werkneemster] vordert subsidiair:

- een verklaring voor recht dat De Stichting het dienstverband met [werkneemster] kennelijk onredelijk heeft beëindigd;

- dat De Stichting wordt veroordeeld om aan [werkneemster] te betalen een schadevergoeding van € 41.000,00 bruto, althans een bedrag in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van betaling.

3.4. [werkneemster] stelt ter onderbouwing van deze vordering dat het dienstverband kennelijk onredelijk is geëindigd, omdat beëindiging van het dienstverband is geschied onder opgave van een voorgewende of valse reden. [werkneemster] stelt daartoe concreet dat de conciërgewerkzaamheden nog steeds bestaan. Verder is volgens [werkneemster] sprake van kennelijk onredelijk ontslag, omdat de gevolgen van de beëindiging voor [werkneemster] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van De Stichting bij de beëindiging. Daarbij betrekt [werkneemster] dat er geen voorzieningen voor haar zijn getroffen en dat het voor haar lastig is om ander passend werk te vinden, gelet op haar leeftijd van 52 jaar en de omstandigheid dat zij nagenoeg geen opleiding heeft genoten.

Zij is op grond van het voorgaande van mening dat zij recht heeft op een schadevergoeding conform de kantonrechtersformule met correctiefactor c=2, in totaal bedragende € 41.000,00 bruto.

3.5. [werkneemster] vordert primair en subsidiair veroordeling van De Stichting in de proceskosten.

3.6. De Stichting voert gemotiveerd verweer. Hierop zal hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

De primaire vordering

4.1. De Stichting heeft, kort gezegd, als verweer aangevoerd dat de uitspraak van de Commissie van 25 oktober 2011 niet tot de conclusie leidt dat het dienstverband niet rechtsgeldig is geëindigd. De kantonrechter volgt De Stichting in deze stelling. Immers, uit jurisprudentie blijkt, kort samengevat, dat een uitspraak van de Commissie niet kan worden aangemerkt als bindend advies, tenzij zulks ondubbelzinnig is overeengekomen. Dit laatste is niet gesteld of gebleken. Bovendien bestaat in het arbeidsrecht een gesloten stelsel van opzeggings- en beëindigingsmogelijkheden. Dit betekent dat een uitspraak van de Commissie niet de sanctie van vernietigbaarheid danwel nietigheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kent. Daar komt nog bij dat de gegrondverklaring van het bezwaar door de Commissie van 25 oktober 2011 is gebaseerd op de omstandigheid dat, kort gezegd, de werkgever niet aan zijn inspanningsverplichtingen heeft voldaan om te onderzoeken of [werkneemster] via een andere weg in de functie van conciërge zou kunnen worden geplaatst. Deze uitspraak kan van betekenis zijn bij de beoordeling van een mogelijk kennelijk onredelijk ontslag (hierna te beoordelen), maar leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat het gegeven ontslag nietig danwel vernietigbaar is.

Het voorgaande betekent dat de primaire vordering zal worden afgewezen.

De subsidiaire vordering

4.2. [werkneemster] stelt dat het ontslag kennelijk onredelijk is als bedoeld in artikel 7:681 Burgerlijk Wetboek (BW). Zij voert hiertoe allereerst aan dat De Stichting aan het ontslag een valse reden ten grondslag heeft gelegd, namelijk dat er geen conciërgewerkzaamheden meer zijn, terwijl die nog steeds bestaan, aldus [werkneemster]. [werkneemster] wijst hierbij op een vacature voor een conciërge die De Stichting na de aankondiging van het ontslag van [werkneemster] via het re-integratiebedrijf ‘Presikhaaf’ heeft opengesteld.

Tijdens de zitting heeft [werkneemster] erkend dat De Stichting enkel een financiële reden voor het ontslag heeft gegeven. Naar de kantonrechter begrijpt beroept [werkneemster] zich niet meer op haar stelling dat de valse danwel voorgewende reden inhoudt dat er geen conciërgewerkzaamheden meer zouden zijn. Indien [werkneemster] toch haar stelling handhaaft, oordeelt de kantonrechter dat deze geen doel treft, omdat de Stichting in haar brief van 22 april 2011 enkel een financiële reden voor het ontslag heeft gegeven en niet, althans onvoldoende is gesteld of gebleken dat de grond voor het ontslag (ook) was dat er geen werk meer was.

Ten aanzien van de financiële reden heeft (de gemachtigde van) [werkneemster] gesteld dat zij er, zonder nadere gegevens, niet vanuit kan gaan dat deze reden klopt. [werkneemster] heeft echter niet betwist dat de subsidieregeling sinds 2009 door de gemeente werd afgebouwd en dat er een terugloop was van het aantal leerlingen. Tegen deze achtergrond heeft zij geen, althans onvoldoende, concrete feiten of omstandigheden aangedragen die, indien bewezen, de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat de financiële reden die De Stichting voor het ontslag heeft aangevoerd een voorgewende of valse reden is. Het verweer van [werkneemster] slaagt daarom niet.

4.3. Verder doet [werkneemster] een beroep op het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 sub b BW. Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van een opzegging van de arbeidsovereenkomst voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dienen alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te worden genomen. Verder is van belang dat de enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, in het algemeen geen grond oplevert om aan te nemen dat het ontslag kennelijk onredelijk is. Voor het aannemen van kennelijke onredelijkheid moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van de beëindiging geheel of ten dele voor rekening van de werkgever dienen te komen.

4.4. Relevante omstandigheden aan de zijde van [werkneemster] zijn dat zij ten tijde van het ontslag 51 jaar oud was, vanaf 11 maart 2002 onafgebroken bij De Stichting als conciërge in dienst was en nagenoeg geen opleiding heeft genoten. Gelet op haar leeftijd en opleidingssituatie is aannemelijk dat het voor haar niet eenvoudig zal zijn ander vergelijkbaar werk te vinden.

4.5. Aan de zijde van De Stichting is van belang dat zij in een zodanige (slechte) financiële situatie verkeerde, dat het noodzakelijk was dat zij ging bezuinigen. Dat zij er in die situatie voor heeft gekozen te bezuinigen op een functie die niet tot haar primaire taak (namelijk het verzorgen van onderwijs) behoort, is een keuze die bij de beleidsvrijheid van de werkgever hoort. Niet, althans onvoldoende, is gesteld of gebleken dat De Stichting redelijkerwijs op een andere wijze had moeten bezuinigen.

4.6. Bij de belangenafweging moet verder worden betrokken welke voorzieningen De Stichting ten behoeve van [werkneemster] heeft getroffen. Als onweersproken staat vast dat De Stichting [werkneemster] heeft aangeboden haar te ondersteunen bij het zoeken naar ander werk, onder andere door (i) bij de gemeente informatie in te winnen over de mogelijkheden om via de gemeente ander werk te vinden en (ii) het doorlopen van een opleiding of beroepsoriëntatietraject. [werkneemster] heeft daar echter geen gebruik van gemaakt. [werkneemster] heeft verklaard dat zij op dat moment geconfronteerd werd met moeilijke persoonlijke omstandigheden waardoor zij niet in staat of in de gelegenheid was het aanbod van De Stichting aan te nemen. Dit moet voor rekening van [werkneemster] blijven, hoezeer ook begrip kan worden opgebracht voor haar situatie. De Stichting treft in dezen geen verwijt.

4.7. Verder heeft De Stichting gemotiveerd aangevoerd dat er geen herplaatsingsmogelijkheden waren en dat [werkneemster] ook niet via een andere route in dezelfde functie van conciërge kon worden geplaatst. Hoewel de functie van conciërge niet is vervallen, wordt deze thans ingevuld via het re-integratiebedrijf Presikhaaf. Voor De Stichting zijn daaraan niet of nauwelijks loonkosten verbonden. De Stichting heeft tijdens de procedure bij de Commissie onderzocht of [werkneemster] via dit bedrijf als conciërge bij haar zou kunnen (blijven) werken, maar gebleken is dat dat niet het geval is, omdat [werkneemster] niet tot de doelgroep van het re-integratiebedrijf behoort. [werkneemster] heeft weliswaar gesuggereerd dat er andere financiële middelen beschikbaar zijn om de functie voor [werkneemster] te behouden en te bekostigen, maar dat is, tegenover het gemotiveerde verweer van De Stichting dat er geen andere inkomsten- of subsidiebronnen zijn, niet geconcretiseerd. [werkneemster] verwijst ter onderbouwing van haar stellingen naar de uitspraak van de Commissie van 25 oktober 2011. Deze uitspraak, die is uitgemond in een gegrondverklaring van het bezwaar van [werkneemster] tegen het ontslagbesluit, impliceert dat De Stichting niet aan haar inspanningsverplichtingen heeft voldaan. De Commissie verwijt De Stichting dat zij niet eerder, namelijk gedurende het jaar van de rddf-plaatsing, nader onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheden om [werkneemster] als conciërge te behouden, al dan niet via het re-integratiebedrijf Presikhaaf. Op zichzelf heeft [werkneemster] gelijk als zij betoogt dat deze beslissing niet zonder betekenis is. De uitspraak kan echter alleen gevolgen hebben als zou blijken dat er wel mogelijkheden waren om [werkneemster] in de functie van conciërge te behouden. Het onderzoek door De Stichting heeft echter (alsnog) uitgewezen dat die mogelijkheid niet bestaat. Dat betekent dat het ontslagbesluit ook zou zijn genomen als het onderzoek tijdig zou zijn gedaan. Anders gezegd: als De Stichting aan haar inspanningsverplichting had voldaan was de situatie voor [werkneemster] niet anders geweest.

4.8. Op grond van voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de hiervoor weergegeven omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat de gevolgen van de opzegging voor [werkneemster] in vergelijking tot het belang van de werkgever bij die opzegging niet te ernstig zijn, ook niet nu [werkneemster] door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst financieel nadeel lijdt.

De kantonrechter komt om die reden tot de slotsom dat het ontslag niet kennelijk onredelijk is, zodat voor een vergoeding geen plaats is. De subsidiaire vordering wordt dan ook afgewezen.

4.9. [werkneemster] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1. wijst de vorderingen af;

5.2. veroordeelt [werkneemster] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van De Stichting begroot op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. A.E.M. Overkamp en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2012.