Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX7582

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-09-2012
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
AWB 11/5502
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:4678, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vennootschapsbelasting. Foutenleer. Afwaardering van gesloopte opstallen. De gesloopte boerderij met bijbehorende opstallen is door eiseres aangeschaft tezamen met landbouwgronden met als doel deze op termijn te ontwikkelen en verkopen als bedrijventerrein. Omdat de gesloopte boerderij nooit is verhuurd of anderszins opbrengstgevend is gebruikt, is in dit geval geen sprake van voorraad die ook kenmerken van een bedrijfsmiddel heeft (HR 1 april 2005, nr. 38.973, LJN: AT3022, BNB 2005/208). Zo al aan de boerderij met bijbehorende opstallen een separate waarde kan worden toegekend, dan zijn die onroerende zaken in dit geval opgeofferd om de ondergrond vrij te maken. Daarom moet die boekwaarde als onderdeel van de kostprijs van de voorraad geheel aan de grond worden toegerekend. De rechtbank wijst ter vergelijking naar het met betrekking tot bedrijfsmiddelen gewezen arrest van de Hoge Raad van 25 maart 1987 (nr. 23.827, LJN: AW7717, BNB 1987/151). Beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/2310
FutD 2012-2365
NTFR 2012/2754 met annotatie van mr. F. van Horzen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 11/5502

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 20 september 2012

inzake

B.V. [X], gevestigd te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Utrecht-Gooi, kantoor Utrecht, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2008 een aanslag (aanslagnummer: [000].V.86.0112) Vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd van nihil en daarbij bij beschikking het verlies vastgesteld op een bedrag van € 220.572.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 november 2011 de verliesbeschikking nader vastgesteld op € 324.050.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 27 december 2011, ontvangen door de rechtbank op 28 december 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend, dat in afschrift aan verweerder is verzonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2012 te Arnhem. Eiseres is daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde, mr. [gemachtigde], werkzaam bij [A] te [Q]. Namens verweerder zijn verschenen de gemachtigden mr. [gemachtigde], mr. [B] en mr. [C].

De door partijen overgelegde pleitnota's worden tot de gedingstukken gerekend.

2. Feiten

2.1. De doelstelling van eiseres bestaat uit het exploiteren van onroerende zaken en het houden van aandelen, de bemiddeling en de handel in (zowel de im- als export) kantoormachines, bureaucomputers en aanverwante goederen, de exploitatie van informatieverwerkende apparatuur, het verlenen van diensten op het gebied van de mechanisering en/of automatisering van administratieve processen, systeemanalyse en programmering. Feitelijk houdt eiseres zich bezig met projectontwikkeling.

2.2. In 2001 behoort tot de onderneming van eiseres een boerderij met bijbehorende opstallen, ondergrond, erf, tuin en landerijen. Deze onroerende zaken zijn op 4 december 2000 verworven voor een bedrag van ƒ 5.498.330. De koopsom is in de akte van levering als volgt gesplitst:

- ƒ 1.060.000 voor de opstallen en erfverharding;

- ƒ 400.000 voor de ondergrond van de opstallen, erf en tuin van ongeveer 1 ha, en

- ƒ 4.098.330 voor de percelen landbouwgrond van in totaal ongeveer 27.32.22 ha.

Eiseres heeft deze onroerende zaken op de balans in één post materiële vaste activa, "bedrijfsterreinen", opgenomen. In de akte is voorts vermeld dat de koper voornemens is de onroerende zaken in de toekomst te ontwikkelen als bedrijventerrein. Partijen zijn bij de verkoop het volgende beding overeengekomen:

" (…)

Partijen komen overeen dat tot en met eenendertig december tweeduizend twintig als kettingbeding en kwalitatieve verplichting met boetebeding geldt, dat koper casu quo diens rechtsopvolgers , (…) zich verplicht(en) een nabetaling te doen van vijftien gulden (ƒ. 15) per centiare landbouwgrond, geheel groot circa (…) (27.32.22 ha), planologisch onherroepelijk wordt gewijzigd in een andere dan agrarische bestemming, zoals de bestemmingen "bedrijfsterreinen, kantoren, doeleinden van educatie en gezondheidszorg, nutsvoorzieningen, woningbouw, horeca, entertainment, etcetera". (…)

Deze nabetalingsclausule wordt door partijen eveneens vastgelegd in de vorm van een kwalitatief beding (…), waarbij als verplichting geldt dat tot en met eenendertig december tweeduizend twintig niet gebouwd mag worden casu quo geen werkzaamheden verricht mogen worden ter realisering van de bestemmingen "bedrijfsterrein, kantoren, doeleinden van educatie en gezondheidszorg, woningbouw, horeca (…)", welke verplichting evenwel niet geldt voor de reeds bestaande verplichtingen voortvloerende uit de in deze akte vermelde zakelijke rechten. "

2.3. Op 9 juli 2001 heeft een algemene vergadering van aandeelhouders van eiseres (hierna: ava) plaatsgevonden. In de notulen van die vergadering staat onder meer vermeld:

" 5. Tijdelijke verhuur.

5.1 Er hebben zich 2 partijen gemeld voor tijdelijke huur. Beide partijen willen voor een habbekrats de panden gebruiken. Gezien de geringe opbrengsten en de mogelijke ellende met huurders en hun bescherming is besloten om voorlopig niet met tijdelijke huurders in zee te gaan. "

In de tweede helft van 2001 zijn de opstallen gesloopt. De landbouwgronden worden door een loonwerker gemaaid en leveren eiseres jaarlijks ongeveer € 10.000 tot € 15.000 op.

2.4. Eiseres heeft aangifte Vpb 2008 gedaan naar een belastbare winst van € 943.297 negatief. Daarbij is tot een bedrag van € 481.007 een last opgevoerd in verband met de sloop van de opstallen in 2001. Eiseres wil deze last met toepassing van de foutenleer alsnog in 2008 nemen.

2.5. Bij het vaststellen van de verliesbeschikking heeft verweerder de last niet in aftrek toegelaten.

3. Geschil

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de verliesbeschikking tot een juist bedrag is vastgesteld. In het bijzonder is in geschil of eiseres op grond van de foutenleer in het onderhavige jaar een bedrag van € 481.007 ten laste van de winst mag brengen ter zake van de sloop van de boederij met bijbehorende opstallen in 2001 op de grond dat die als een bedrijfsmiddel moeten worden aangemerkt waarop kan worden afgeschreven. Eiseres stelt dat dit het geval is en verweerder is de tegengestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Niet is in geschil dat de onderhavige onroerende zaken – de landbouwgronden van ruim 27 ha, de boerderij met bijbehorende opstallen en de daarbij behorende ondergrond van ongeveer 1 ha – door eiseres zijn aangeschaft met het doel de grond op termijn te ontwikkelen en te verkopen als bedrijfsterrein. Deze zaken moeten daarom als voorraad worden aangemerkt. Voorraden mogen worden gewaardeerd op kostprijs of lagere marktwaarde. Nu niet is gesteld of gebleken dat de marktwaarde van de onroerende zaken lager is dan de daarvoor opgeofferde kostprijs, moet waardering in beginsel dus op kostprijs plaatsvinden.

4.2. Eiseres heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 april 2005 (nr. 38.973, LJN: AT3022, BNB 2005/208) betoogd dat de onroerende zaken deels ook kenmerken van bedrijfsmiddel hebben, zodat op de boerderij met bijbehorende opstallen kan worden afgeschreven. Hieruit volgt volgens eiseres, dat de boekwaarde van de in 2001 gesloopte boerderij geheel als last in mindering kan worden gebracht. De rechtbank volgt dit betoog niet en overweegt daartoe als volgt.

4.3. De boerderij en daarbij behorende opstallen zijn door eiseres nooit verhuurd of anderszins opbrengstgevend gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit kader niet van belang om welke reden dit is gebeurd en of bij eiseres daadwerkelijk de intentie heeft bestaan om de boerderij te exploiteren. Dit kan in het midden blijven omdat het besluit tot sloop van de boerderij in alle gevallen strookt met het doel waarvoor de boerderij is aangeschaft, namelijk het na de sloop ontwikkelen en verkopen van de (onder)grond als bedrijfsterrein. Eiseres heeft daarom ook terecht de sloopkosten – zoals zij ter zitting onweersproken heeft gesteld – geactiveerd. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de aan boerderij met bijbehorende opstallen toegekende boekwaarde – zo die al separaat kan worden toegekend – door eiseres is opgeofferd om de ondergrond vrij te maken ten behoeve van de ontwikkeling en verkoop als bedrijfsterrein. Daarom moet die boekwaarde als onderdeel van de kostprijs van de voorraad geheel aan de grond worden toegerekend en bestaat geen aanleiding om de boekwaarde van de ondergrond met de boekwaarde van de opstallen te verminderen. De rechtbank wijst ter vergelijking naar het met betrekking tot bedrijfsmiddelen gewezen arrest van de Hoge Raad van 25 maart 1987 (nr. 23.827, LJN: AW7717, BNB 1987/151).

4.4. Eiseres heeft ook betoogd dat op de boerderij met bijbehorende opstallen kan worden afgeschreven omdat het deelt in het hybride karakter van voorraad en bedrijfsmiddel van de landbouwgronden, die worden gemaaid en daardoor in enige mate opbrengstgevend zijn. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 augustus 2007 (nr. 39.519, LJN: AU3977, BNB 2007/299) zouden volgens eiseres de opstallen en de landbouwgronden één bedrijfsmiddel vormen. De rechtbank volgt ook dit betoog niet. In laatstgenoemd arrest gaat het uitsluitend om de aan een opstal dienstbare ondergrond. In het onderhavige geval is er naar het oordeel van de rechtbank geen ander verband tussen de boerderij en de landbouwgronden dan dat beide behoren tot de voorraad van eiseres. Overigens wijst de rechtbank er nog op dat, omdat de daadwerkelijke exploitatie van de boerderij nimmer ter hand is genomen, de ratio van afschrijven, zoals die door de Hoge Raad is omschreven in zijn arrest van 1 april 2005, in dit geval ook geen rechtvaardiging kan vormen om af te schrijven op de voorraad.

4.5. Eiseres heeft voorts nog gesteld dat geen sprake is geweest van slopen met het oog op de verkoop als bedrijfsterrein, omdat als dat wel zo was geweest de verkoper zich zou hebben beroepen op het in de akte opgenomen kettingbeding, op grond waarvan bij werkzaamheden verricht ter realisering van de bestemming bedrijfsterrein een nabetalingsverplichting zou ontstaan. De rechtbank volgt eiseres evenwel niet in haar interpretatie van de reikwijdte van het kettingbeding en hecht aan het door eiseres bedoelde uitblijven van een actie van de verkopers niet de betekenis die eiseres daaraan kennelijk gehecht wil zien.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat in 2008 een last te nemen en de boekwaarde van de vaste materiële activa te verlagen met een bedrag van

€ 481.007.

4.7. Het beroep is ongegrond.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. A.I. van Amsterdam en mr. G.H.W. Bodt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 20 september 2012

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.