Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX7378

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
17-09-2012
Datum publicatie
17-09-2012
Zaaknummer
05/700509-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling op grond van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 wegens aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam verkeersgedrag ten gevolge waarvan een bestuurder van een bromfiets zodanig letsel heeft opgelopen dat hij tijdelijk niet in staat is zijn normale bezigheden uit te voeren: een geldboete van € 900,- met een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden en een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank Arnhem veroordeelt een 26-jarige automobilist wegens het veroorzaken van een verkeersongeval met letsel tot gevolg. De man werd het zicht op tegemoetkomend verkeer ontnomen door een voor hem rijdende auto. Hij kon zich daardoor onvoldoende zekerheid geven of vanuit tegengestelde richting verkeer naderde. De man had echter wel waargenomen dat deze auto vaart minderde (naar later bleek om een bromfiets voor te laten). Ook was de man bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Toch heeft hij zijn stuur ingedraaid om linksaf te slaan . Daardoor is hij in aanrijding gekomen met een hem tegemoetkomende bromfiets. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een aanmerkelijke verkeersfout. De bestuurder van de bromfiets brak bij het ongeval zijn rechterpols/onderarm en liep (vlees)wonden op aan zijn been, waardoor hij enige maanden niet volledig kon werken. De rechtbank heeft de automobilist, conform de strafeis van de officier van justitie, een geldboete van

€ 900,- opgelegd met daarnaast een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 maanden en een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/700509-12

Datum zitting : 3 september 2012

Datum uitspraak : 17 september 2012

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [naam verdachte]

geboren op : [geboortedatum verdachte] 1986 te [geboorteplaats verdachte]

adres : [adres verdachte]

plaats : [woonplaats verdachte]

Raadsman : mr. F.G.W.M. Huijbers, advocaat te Nijmegen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 oktober 2011, te Groesbeek, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Gooiseweg, ter hoogte van de kruising met de Frieselaan,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en/of onachtzaam,

terwijl het zicht ter plaatse werd belemmerd door een of meerdere voor hem, verdachte uitrijdende personenauto('s), en/of

terwijl hij een tegemoetkomende (bestuurder van een) bromfiets (tijdig) had waargenomen, en/of

terwijl hij een voor hem uitrijdend motorrijtuig (personenauto) had zien stoppen voor de op die Gooiseweg gelegen wegversmalling,

niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg, de Gooiseweg en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) zijn aandacht niet, althans in onvoldoende mate op of bij het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad, en/of

(vervolgens) naar links heeft gestuurd en/of linksaf is geslagen, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een hem tegemoetkomende (bestuurder van een) bromfiets niet voor heeft laten gaan, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met voornoemde (bestuurder van een) bromfiets,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([sla[slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 24 oktober 2011 te Groesbeek, in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Gooiseweg, ter hoogte van de kruising met de Frieselaan,

terwijl het zicht ter plaatse werd belemmerd door een of meerdere voor hem, verdachte uitrijdende personenauto('s), en/of

terwijl hij een tegemoetkomende (bestuurder van een) bromfiets (tijdig) had waargenomen, en/of

terwijl hij een voor hem uitrijdend motorrijtuig (personenauto) had zien stoppen voor de op die Gooiseweg gelegen wegversmalling,

niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg, de Gooiseweg en/of het overige verkeer heeft gelet en/of is blijven letten, en/of

(daarbij) zijn aandacht niet, althans in onvoldoende mate op of bij het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad, en/of

(vervolgens) naar links heeft gestuurd en/of linksaf is geslagen, en/of

(daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een hem tegemoetkomende (bestuurder van een) bromfiets niet voor heeft laten gaan, en/of

(vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met voornoemde (bestuurder van een) bromfiets,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 3 september 2012 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.G.W.M. Huijbers voornoemd.

De officier van justitie, mr. L.M. Vogel, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 24 oktober 2011 reed verdachte met zijn personenauto, een Renault Clio met kenteken

[kentekennummer], in Groesbeek over de - voor het openbaar verkeer openstaande - Gooiseweg, ter hoogte van de kruising met de Frieselaan.2 Verdachte is toen met zijn personenauto in botsing gekomen met een hem tegemoetkomende bromfiets.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit, met dien verstande dat de zinsnede dat verdachte de tegemoetkomende (bestuurder van een) bromfiets (tijdig) had waargenomen niet bewezen kan worden. Naar de mening van de officier van justitie blijkt uit de verklaring van de getuige [naam getuige] en uit de verklaring van verdachte bij de politie, dat de auto rijdend vóór verdachte is gestopt. Daarnaast heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij geen zicht had op het tegemoetkomende verkeer en dat hij er niet van uitging dat er een bromfiets aankwam. Dat de bromfietser, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, te hard zou hebben gereden, blijkt niet uit de bewijsmiddelen.

De officier van justitie is van mening dat verdachte een aanmerkelijke verkeersfout heeft gemaakt door op te trekken en naar links te sturen, terwijl hij niet goed kon zien of hem verkeer tegemoet kwam gereden. Voorts is zij van mening dat bij het slachtoffer sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair tenlastegelegde, omdat verdachte voor het afslaan voldoende voorzorg heeft getroffen door ter plaatse (in de 30 kilometer zone) stapvoets te rijden, richting aan te geven en - zonder afgeleid te zijn - in de richting van het hem tegemoetkomende verkeer te kijken, wetende dat dit verkeer voorrang heeft. De inschatting die verdachte vervolgens heeft gemaakt, is naar de mening van de raadsman niet als aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag te kwalificeren. Immers, aannemelijk is dat de bromfiets midden door de sluis - en dus ver naar links - heeft gereden en op het laatste moment terug is gegaan naar rechts. Dit valt af te leiden uit het feit dat de auto die voor verdachte reed. niet zodanig groot was dat deze het zicht volledig belemmerde. Daardoor heeft verdachte hem niet kunnen zien aankomen. Verder kan volgens de raadsman niet worden gesproken van 'zwaar lichamelijk letsel', maar is sprake van tijdelijke ziekte dan wel tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

Het volgende wordt voorop gesteld. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Weergave van relevante bewijsmiddelen

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij, toen hij links - de Frieselaan op - wilde afslaan, achter een auto reed die stopte waardoor hij op dat moment geen zicht had op het tegemoetkomende verkeer. Omdat het een smal weggedeelte betrof, ging verdachte er daarom vanuit dat er geen tegemoetkomend verkeer aan kwam.

Op het moment dat hij stapvoets de Frieselaan wilde inrijden en op het weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer reed, naderde een scooter waarna een botsing plaatsvond.4

Getuige [naam getuige] heeft verklaard dat hij met zijn auto over de Gooiseweg in Groesbeek reed en dat, toen hij de wegversmalling naderde, hem een persoon op een scooter naderde. Hij heeft de persoon op de scooter voor laten gaan bij de wegversmalling en stond op dat moment dus stil. Nadat de scooter de wegversmalling was gepasseerd, hoorde [naam getuige] een harde klap achter zich en zag hij in de spiegel dat de persoon op de scooter door de lucht vloog en op de grond viel. [naam getuige] zag dat de auto die de scooter had aangereden, links had willen afslaan.5

De bestuurder van de bromfiets, [slachtoffer], heeft verklaard dat hij over de Gooiseweg reed en hij, nadat hij de wegversnelling was gepasseerd, weer gas wilde geven om vaart te maken een klap heeft gevoeld. Ook verklaarde hij dat de auto die hem aan heeft gereden links wilde afslaan en om die reden al voor een deel op het andere weggedeelte reed.6

In de VOA zijn foto's opgenomen van de botspositie en bij de omschrijving van de toedracht van het ongeval staat onder meer dat de bestuurder van de Renault Clio (verdachte) over de Gooiseweg reed en naar links stuurde om de Frieselaan in te rijden, waarna de botsing met de bromfiets volgde.7

Beoordeling van de verkeersgedragingen van verdachte

Gelet op de aangehaalde verklaringen en de conclusie uit de VOA is de rechtbank van oordeel dat verdachte schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 draagt aan de botsing tussen de door hem bestuurde Renault en de bromfiets. Verdachte werd het zicht op de weg, en daarmee ook op de weghelft van het hem tegemoetkomend verkeer, belemmerd door de auto voor hem. Hierdoor heeft verdachte niet dan wel niet voldoende kunnen zien of er tegemoetkomend verkeer aankwam. Desondanks is verdachte, die - zoals verklaard ter terechtzitting - bekend is met de plaatselijke verkeerssituatie en die heeft gezien dat de auto voor hem bij het naderen van de wegversmalling stil ging staan, zonder de vereiste voorzichtigheid in acht te nemen en vooral zonder te kijken of er nog tegemoetkomend verkeer aan kwam, afgeslagen naar links. De stelling van de raadsman dat het feitelijk onjuist is dat verdachte in het geheel geen zicht had op het tegemoetkomende verkeer omdat er suggestiestroken gelegen zijn naast de rijbaan en het mogelijk een Caddy was die voor verdachte reed, doet hier niets aan af.

Hierdoor is hij met zijn personenauto gedeeltelijk op de andere weghelft gekomen op het moment dat een bromfiets naderde. Verdachte heeft, in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, de betreffende bromfiets niet voor laten gaan.

Dat de bromfiets, zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, mogelijk (te) hard zou hebben gereden - de rechtbank laat dit in het midden - doet geen afbreuk aan de verwijtbaarheid van het handelen van verdachte.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam verkeersgedrag. Verdachte met zijn rijgedrag een (groot) risico heeft genomen.

Dit heeft geresulteerd in een botsing met een (bestuurder van een) bromfiets.

Letsel van [slachtoffer]

Na het ongeval is [slachtoffer] overgebracht naar het Radboudziekenhuis te Nijmegen waar een breuk in zijn rechterpols/onderarm werd geconstateerd en (vlees)wonden aan zijn rechterbeen. De pols/onderarm moest in het gips worden gezet en de wonden een het been moesten (met ongeveer 20 hechtingen) gehecht worden.8 Het gips is na ongeveer vier weken verwijderd en de hechtingen zijn er na ongeveer drie weken uit gehaald. Tot 21 november heeft 2011 heeft [slachtoffer] vanwege zijn verwondingen niet kunnen werken, daarna heeft hij een periode (tot

12 december 2011 halve dagen en daarna hele dagen) aangepaste werkzaamheden gedaan, waarna hij op 9 januari 2012 zijn eigen werkzaamheden weer kon verrichten.9

De rechtbank acht op grond daarvan bewezen dat [slachtoffer] als gevolg van het ongeval letsel heeft opgelopen en is van oordeel dat dit letsel, gelet op het feit dat hij hierdoor gedurende enkele maanden niet in staat is geweest zijn eigen werkzaamheden te verrichten, zodanig is dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Niet kan worden bewezen dat het slachtoffer, gelet op de aard en ernst van het letsel, zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Daarvan zal verdachte worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 24 oktober 2011, te Groesbeek, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Gooiseweg, ter hoogte van de kruising met de Frieselaan,

aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam,

terwijl het zicht ter plaatse werd belemmerd door een voor hem, verdachte uitrijdende personenauto, en terwijl hij een voor hem uitrijdend motorrijtuig (personenauto) had zien stoppen voor de op die Gooiseweg gelegen wegversmalling,

niet op het voor hem gelegen gedeelte van die weg, de Gooiseweg en het overige verkeer heeft gelet en is blijven letten, en (daarbij) zijn aandacht niet op of bij het overige verkeer en/of de (verkeers)situatie ter plaatse heeft gericht en/of gehad, en (vervolgens) naar links heeft gestuurd en/of linksaf is geslagen, en (daarbij) in strijd met artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een hem tegemoetkomende (bestuurder van een) bromfiets niet voor heeft laten gaan, en (vervolgens) is gebotst tegen voornoemde (bestuurder van een) bromfiets,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zodanig letsel wordt toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 900,- en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. Hierbij heeft zij expliciet rekening gehouden met de aard en ernst van het feit en de gevolgen daarvan, de persoon van verdachte, de preventieve werking die uitgaat van bestraffing, de richtlijnen voor verkeersdelicten, het feit dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en het feit dat verdachte contact heeft gezocht met [slachtoffer] om te horen hoe het met hem gaat.

De voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid acht de officier van justitie gepast, omdat verdachte een verkeersfout heeft gemaakt, hij vaak op de weg is met zijn auto en hij ter zitting heeft verklaard dat hij niet vindt dat hij fout was en hij in de toekomst op dezelfde wijze zou handelen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft in het kader van een eventuele strafoplegging verzocht rekening te houden met het feit dat verdacht geen strafblad heeft en op onregelmatige tijden voor zijn werk in het casino met de auto van Groesbeek naar Venlo moet rijden. Ook dient rekening gehouden te worden met het feit dat, naar de mening van de raadsman, niet van zwaar lichamelijk letsel kan worden gesproken maar sprake is van tijdelijke ziekte en tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale werkzaamheden.

Beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan; en

- de persoon en de persoonlijke en financiële omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op?het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 13 augustus 2012.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft, terwijl hij achter een auto reed - en daardoor geen dan wel onvoldoende zicht had op de wegversmalling voor hem - en heeft waargnomen dat de betreffende auto stopte, zijn stuur ingedraaid om linksaf te slaan, waardoor hij in aanrijding is gekomen met een hem tegemoetkomende bromfiets. Verdachte heeft hiermee niet alleen onzorgvuldig gehandeld en de geldende verkeersregels overtreden, maar ook [slachtoffer] schade toegebracht.

Zorgelijk is dat verdachte niet inziet dat hij anders had kunnen handelen en de botsing had kunnen voorkomen door beter op te letten. Voor een ontzegging van de rijbevoegdheid is dan ook alle aanleiding. Aan de andere kant is verdachte niet eerder met justitie in aanraking geweest en heeft hij zijn rijbewijs hard nodig in verband met zijn werkzaamheden.

De rechtbank is van oordeel dat een straf als door de officier van justitie is geëist, passend en geboden is.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een geldboete van € 900,- (negenhonderd euro).

Beveelt dat, bij gebreke van betaling, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 18 (achttien) dagen.

Veroordeelt verdachte daarnaast tot

een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen, bromfietsen daaronder begrepen, voor de duur van 3 (drie) maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Bepaalt dat die rijontzegging in het geheel niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.

Aldus gewezen door:

mr. D.R. Sonneveldt (voorzitter), mr. H.P.M. Kester-Bik en mr. E. de Boer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.W.M. Heutinck, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 september 2012.10

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam verbalisant] van de regiopolitie Gelderland-Zuid, district Tweestromenland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL082H 2011108042, gesloten op 12 januari 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aanrijding, p. 5 en 6, het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 15 en het proces-verbaal VerkeersOngevallen Analyse (hierna: VOA), p. 24 en 26.

3 Het proces-verbaal van aanrijding, p. 5, het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 16 en het proces-verbaal VOA, p. 38.

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 15.

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam getuige], p. 17 en 18.

6 Het proces-verbaal van verhoor van benadeelde [slachtoffer], p. 10 en 11.

7 Het proces-verbaal VOA, p. 37 en 38.

8 Het proces-verbaal van verhoor van benadeelde [slachtoffer], p. 11 en een schriftelijk bescheid inhoudende een geneeskundige verklaring van 24 januari 2012 betreffende [slachtoffer], p. 19.

9 Het proces-verbaal van verhoor van benadeelde [slachtoffer], p. 13 en 14.