Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX7250

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
05/987029-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sloop en verwijdering van asbest zonder vergunningen en rapportages

Wetsverwijzingen
Asbestverwijderingsbesluit 2005
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3082
JBO 2013/5 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
JAF 2012/154 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/987029-10

Data zittingen : 27 januari 2011 en 28 juni 2012

Datum uitspraak : 12 juli 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de rechtbank in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

adres : [adres verdachte],

plaats : [vestigingsplaats verdachte]

raadsman : mr. B. Munneke, advocaat te Velsen-Zuid.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

verdachte, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van februari 2008 tot en met juni 2008, althans op een of meer tijdstippen in 2008, in de gemeente Arnhem, als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, handelingen heeft/hebben verricht en/of nagelaten in strijd met voormelde wet en/of de daarop berustende bepalingen, immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) toen daar in een kantoorpand gelegen aan de [adres 1], zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van de Arbeidsomstandighedenwet, door

een of meer van haar werknemer(s) in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of een of meer (andere) personen, arbeid doen verrichten, bestaande uit het verrichten van sloopwerkzaamheden, terwijl niet was/werd voldaan aan

- artikel 4.1b lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) niet gezorgd voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en veiligheid van de hiervoor bedoelde werknemer(s) die werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen (te weten asbest en/of asbesthoudende producten) en/of

- artikel 4.48a lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) in het hiervoor genoemde gebouw of delen daarvan niet het aanwezige asbest dan wel de aanwezige asbesthoudende producten verwijderd voordat werd aangevangen met andere werkzaamheden, te weten de sloopwerkzaamheden en/of renovatie-werkzaamheden en/of

- artikel 4.54a lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) niet voldaan aan de verplichting in het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2 van het Arberidsomstandighedenbesluit de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten volledig te inventariseren voordat werd aangevangen met het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit het hiervoor genoemde gebouw,

terwijl daardoor, naar zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moesten weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers, althans levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer van die werknemers, ontstond of te verwachten was;

2.

verdachte, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van februari 2008 tot en met juni 2008, althans op een of meer tijdstippen in 2008, in de gemeente Arnhem, tezamen en in

vereniging met anderen of een ander, althans alleen, als degene die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf asbest of (een) asbesthoudend(e) product(en) uit een bouwwerk, te weten een kantoorpand gelegen aan de [adres 1], verwijderde, al dan niet opzettelijk met betrekking tot dat bouwwerk niet beschikte over een asbestinventarisatierapport;

3.

verdachte, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van februari 2008 tot en met juni 2008, althans op een of meer tijdstippen in 2008, in de gemeente Arnhem, tezamen en in

vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk een kantoorpand gelegen aan de [adres 1] heeft gesloopt, terwijl daarbij niet werd voldaan aan de op dat slopen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d en/of g van de Woningwet, immers heeft heeft/hebben verdachte en/of verdachtes medader(s) toen aldaar zonder vergunning (van Burgemeester en wethouders) van de gemeente Arnhem asbest, althans asbesthoudende delen of toepassingen uit/in dat kantoorpand gesloopt;

4.

verdachte, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de maand februari 2008, althans op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van februari 2008 tot en met april 2008, althans op

een of meer tijdstippen in 2008, te Velp, in de gemeente Rheden, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, als degene die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf asbest of (een) asbesthoudend(e) product(en) uit een bouwwerk, te weten een kantoorpand gel[adres 2]s 2] verwijderde, al dan niet opzettelijk met betrekking tot dat bouwwerk niet beschikte over een asbestinventarisatierapport.

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 28 juni 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is de vertegenwoordiger van verdachte, de heer [naam 5], verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. B. Munneke, advocaat te Velsen-Zuid.

De officier van justitie, mr. S. Buist, heeft gerekwireerd.

De vertegenwoordiger van verdachte en de raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, omdat het Openbaar Ministerie in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een goede procesorde. Het Openbaar Ministerie heeft volgens de verdediging het gelijkheidsbeginsel geschonden. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het Openbaar Ministerie willekeurig heeft gehandeld door gelijke partijen niet gelijk te behandelen. De zaken tegen [naam[naam 2]] en haar werknemers, [getuige 1], [naa[naa[verdachte]erdachte] (hierna: [verdachte]) en [naam 5] zijn volgens de raadsman gelijke zaken. De zaken tegen [naam 1], [naam 2] en haar werknemers, [getuige 1] en [naa[naam 6] zijn echter geseponeerd en [verdachte] en [naam 5] zijn wél gedagvaard.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk in de vervolging is, omdat de beginselen van een goede procesorde niet zijn geschonden.

De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat het Openbaar Ministerie de vervolgingsbeslissing toekomt. Aan het begin van het onderzoek is het totale dossier bekeken en, na grondige bestudering, is het Openbaar Ministerie gekomen tot de vervolging van een aantal verdachten. [naam[naam 2]] en haar werknemers, [getuige 1] en [naa[naam 6] konden op grond van de informatie die destijds bekend was niet vervolgd worden. Volgens de officier van justitie is het gelijkheidsbeginsel dan ook niet geschonden.

De beoordeling door de rechtbank en conclusie

Op grond van het in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel heeft het Openbaar Ministerie de exclusieve vervolgingsbevoegdheid. De officier van justitie heeft beargumenteerd destijds een secure afweging te hebben gemaakt op grond van het opportuniteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel niet te hebben geschonden. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding hieraan te twijfelen en ziet niet in waarom vervolging van verdachte strijd zou opleveren met de beginselen van een goede procesorde. Daarenboven is de rechtbank van oordeel dat de positie van verdachte als feitelijk uitvoerder van de sloopwerkzaamheden niet vergelijkbaar is met die van de genoemde medeverdachten zodat ook daarom in casu niet gesproken kan worden van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

3. De beslissing inzake het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Pand [naam pand] (feiten 1, 2 en 3):

[naam 1] was in de periode februari 2008 tot en met juni 2008 economisch eigenaar van het kantoorpand [naam pand], staande en gelegen aan de [adres 1] te Arnhem. Haar beherend vennoot [naam 1] was juridisch eigenaar en had het formele beheer ondergebracht bij [naam 2] welke op haar beurt het feitelijk beheer in die periode had ondergebracht [medeverdachte 1]verdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]).2 [medeverd[medeverdachte 2] was bij [medeverdachte 1] werkzaam als hoofd technisch beheer en leidde de binnen- en buitendienst.3 Van 15 maart 2008 tot en met juni 2008 was hij als zodanig eindverantwoordelijk voor het beheer van het pand [naam pand].4 [[naam 4] was in de ten laste gelegde periode technisch beheerder/inspecteur bij [medeverdachte 1] en begeleidde als zodanig de verbouwing van het pand [naam pand] die in de periode van februari tot en met juni 2008 plaatsvond.5

In het kader van die verbouwing werden in het pand sloopwerkzaamheden verricht. De opdrachtnemer van deze werkzaamhede[verdachte]erdachte] en voerde aldus de werkzaamheden uit. [naam 5] was destijds directeur/eigenaar van [verdachte].6

In het pand waren gevaarlijke stoffen, zijnde asbest of asbesthoudende producten (hierna: asbest) aanwezig.7 Voorafgaand aan de aanvang van de sloopwerkzaamheden is niet voldaan aan de verplichting om in het kader van de beoordeling de aanwezigheid van asbest volledig te inventariseren.8 Ook is het aanwezige asbest niet uit het pand verwijderd voordat de sloopwerkzaamheden werden aangevangen.9 De sloopwerkzaamheden zelf zijn feitelijk uitgevoerd door de ingeleende arbeidskrachten [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5].10 [slachtoffer 1], medewerker van [verdachte], heeft tevens werkzaamheden verricht.11 Toen zij blootgesteld werden of konden worden aan asbest, droegen de arbeidskrachten geen, althans niet afdoende beschermende werkkleding.12

Tijdens de sloopwerkzaamheden is tevens asbest verwijderd, waarbij asbesthoudende delen zijn verspreid en niet afgeschermd zijn achtergebleven. 13

[medeverdachte 2]14 en [naam 4]15 wisten voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden dat in het pand asbest aanwezig was. [naam 5] wist voorafgaand aan het verwijderen van de vensterbanken, dat de vensterbanken asbest bevatten.16

[medeverdachte 1], [naam 4] of [verdachte] beschikten niet over een asbestinventarisatierapport betreffende het kantoorpand.17 Voor de verwijdering van het asbest was geen vergunning door burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem afgegeven, en bij de sloop van het kantoorpand werd niet voldaan aan de daarvoor geldende voorschriften, bedoeld in artikel 8, lid 2, onderdeel d en g van de Woningwet.18

Pand [adres 2] (feit 4):

[medeverdachte 1] beheerde in de periode van februari 2008 ook een kantoorpand aan de [adres 2] te Velp, gemeente Rheden.19 Ook van dit pand was [naam 1] in die periode economisch eigenaar en haar beherend vennoot [naam 1] juridisch eigenaar. Het formele beheer was ondergebracht bij [naam 2] welke op haar beurt het feitelijk beheer in die periode had ondergebracht [medeverdachte 1]verdachte 1] [medeverdachte 2] was als hoofd technisch beheer eindverantwoordelijk voor het beheer van dit kantoorpand.20 [naam 4] was als technisch beheerder verantwoordelijk door het dagelijks beheer van het kantoorpand.21 [verdachte] heeft in opdracht van [medeverdachte 1] in die periode renovatiewerkzaamheden verricht in dit kantoorpand. De communicatie tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] verliep tussen [naam 4] en de directeur/eigenaar van [verdachte], [naam 5].22 Tijdens de renovatie is asbesthoudend materiaal uit het kantoorpand verwijderd.23 [medeverdachte 1], [naam 4] of [verdachte] beschikten niet over een asbestinventarisatierapport betreffende het kantoorpand.24

Het standpunt van de officier van justitie

De onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten kunnen wettig en overtuigend bewezen worden. Verdachte heeft als rechtspersoon de illegale asbestverwijdering feitelijk uitgevoerd en kan daardoor als medepleger worden gezien. Ook al voerde verdachte de werkzaamheden voor de eerste keer uit, verdachte had zich meer moeten laten voorlichten over de risico's en de regels.

De verdediging heeft geen bewijsverweren gevoerd.

De beoordeling door de rechtbank

Toerekenen rechtspersonen [medeverdachte 1] en [verdachte]

Blijkens de wetsgeschiedenis kan een rechtspersoon conform artikel 51 Wetboek van Strafrecht worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Of een (verboden) gedraging redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de rechtspersoon, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval en de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt is dat de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan is sprake indien zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Uit de vastgestelde feiten volgt dat [medeverdachte 2] hoofd technisch beheer was bij [medeverdachte 1] en de binnen- en buitendienst leidde. Hij stond hiërarchisch boven [naam 6].25

[naam 7] was directeur van [medeverdachte 1].26

[medeverdachte 2] wist dat de panden aan de [adres 1] en de [adres 2] asbest bevatten.27 Op 10 januari 2008 heeft [naam 7] aan [verdachte] de opdracht gegeven om renovatiewerkzaamheden te verrichten aan de [adres 2] te Velp.28 Met betrekking tot de werkzaamheden in het pand aan de [adres 1] hebben - alvorens de opdracht werd verstrekt aan [verdachte] - onderhandelingen plaatsgevonden met [naam 8].29 De rechtbank maakt uit de stukken op dat deze onderhandelingen gingen over het mogelijk verwijderen van het asbest door [naam 8]. In het e-mailbericht staat tevens vermeld dat wanneer de verkoop niet door zou gaan, de opdracht aan [verdachte] kon worden gegeven. Op 28 januari 2008 is de werkopdracht aan [verdachte] door [naam 7] getekend.30 Conform de offerte van 12 november 2007 heeft [verdachte] drie etages (3e, 4e, 5e) leeg gehaald, het materiaal afgevoerd en een kraan gehuurd. Hieruit leidt de rechtbank af dat de onderhandelingen met [naam 8] inmiddels waren afgebroken. [medeverdachte 2] heeft voor deze opdracht drie facturen/opdrachtbonnen getekend.31

[naam 7] en [medeverdachte 2] hebben namens [medeverdachte 1] welbewust opdracht gegeven aan [verdachte] om de betreffende werkzaamheden te verrichten in de panden aan de [adres 2] te Velp en de [adres 1] te Arnhem, terwijl zij in de wetenschap verkeerden dat zich in beide panden asbest bevond.

De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 2] en [naam 7] hebben gehandeld ten behoeve van [medeverdachte 1]. De gegeven opdracht en taak vallen binnen het kader van de beheerstaken, ook al was wellicht sprake van een bijzonder project. De gedragingen zijn daarom verricht in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen tevens worden toegerekend aan [medeverdachte 1].

De eigenaar, directeur en enig aandeelhouder van [verdachte] was [naam 5]. [naam 5] wist (kort) van te voren dat in de panden aan de [adres 1] te Arnhem en de [adres 2] te Velp astbest aanwezig was. Ondanks deze wetenschap heeft hij de arbeidskrachten de (renovatie)werkzaamheden laten verrichten. Hij wist dat deze arbeidskrachten onbeschermd en op een ondeugdelijke wijze asbest uit de betreffende panden zouden verwijderen. Tevens wist hij dat er geen sloopvergunning was en evenmin een asbestinventarisatierapport.

De rechtbank is van oordeel dat [naam 5] heeft gehandeld ten behoeve van [verdachte]. De gedragingen zijn daarom verricht in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen tevens worden toegerekend aan [verdachte].

Medeplegen

[naam 4] onderhield - in zijn functie van technisch beheerder bij [medeverdachte 1] - alle contacten met betrekking tot de werkzaamheden van de panden aan de [adres 1] te Arnhem en [adres 2] te Velp met [verdachte].32 Over en weer zijn de (renovatie)werkzaamheden, die hebben plaatsgevonden in de twee panden, besproken. [naam 5], directeur van [verdachte], is kort voor de aanvang van de werkzaamheden ingelicht over het feit dat asbest aanwezig was in de panden.33 Gezamenlijk is besloten toch te starten met de werkzaamheden zoals overeengekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte]. Met betrekking tot de feiten onder 2, 3 en 4 is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1], [verdachte] en [naam 4].

Concluderend is de rechtbank op grond van de feiten en de bespreking van de verweren, van oordeel dat verdachte kan worden aangemerkt als een werkgever in de zin van artikel 1 Arbeidsomstandighedenwet en in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] sloopwerkzaamheden heeft doen verrichten in het pand aan de [adres 1] te Arnhem door werknemers terwijl daarbij niet werd voldaan aan de eisen gesteld in de artikelen 4.1b lid 1, 4.48a lid en 4.54a lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Voorts beschikten verdachte en medeverdachten niet over de vereiste vergunning conform artikel 8, tweede lid, onderdeel d/g van de Woningwet. Tevens hebben zij gezamenlijk asbest doen verwijderen in het pand aan de [adres 2] te Velp. Zij beschikten voor zowel het verwijderen van asbest in het pand aan de [adres 1] te Arnhem als het pand aan de [adres 2] te Velp niet over een asbestinventarisatierapport.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Feit 1:

verdachte, op tijdstippen, in de periode van februari 2008 tot en met juni 2008, in de gemeente Arnhem, als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, tezamen en in vereniging met een ander handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met voormelde wet en/of de daarop berustende bepalingen, immers heeft zij en haar mededader toen daar in een kantoorpand gelegen aan de [adres 1], zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van de Arbeidsomstandighedenwet, door meer van haar werknemers in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], arbeid doen verrichten, bestaande uit het verrichten van sloopwerkzaamheden, terwijl niet was/werd voldaan aan

- artikel 4.1b lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers hebben verdachte en verdachtes mededader niet gezorgd voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en veiligheid van de hiervoor bedoelde werknemers die werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen (te weten asbest en/of asbesthoudende producten) en

- artikel 4.48a lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers hebben verdachte en verdachtes mededader in het hiervoor genoemde gebouw of delen daarvan niet het aanwezige asbest dan wel de aanwezige asbesthoudende producten verwijderd voordat werd aangevangen met andere werkzaamheden, te weten de sloopwerkzaamheden en/of renovatie-werkzaamheden en

- artikel 4.54a lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,immers hebben verdachte en verdachtes mededader niet voldaan aan de verplichting in het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten volledig te inventariseren voordat werd aangevangen met het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit het hiervoor genoemde gebouw,

terwijl daardoor, naar zij, verdachte, en haar mededader wisten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers, althans levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer van die werknemers, ontstond of te verwachten was;

Feit 2:

verdachte, op tijdstippen, in de periode van februari 2008 tot en met juni 2008, in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met anderen als degene die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf asbest of (een) asbesthoudend(e) product(en) uit een bouwwerk, te weten een kantoorpand gelegen aan de [adres 1], verwijderde, opzettelijk met betrekking tot dat bouwwerk niet beschikte over een asbestinventarisatierapport;

Feit 3:

verdachte op tijdstippen in de periode van februari 2008 tot en met juni 2008, in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een kantoorpand gelegen aan de [adres 1] heeft gesloopt, terwijl daarbij niet werd voldaan aan de op dat slopen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d en/of g van de Woningwet, immers hebben verdachte en verdachtes mededaders toen aldaar zonder vergunning (van Burgemeester en wethouders) van de gemeente Arnhem asbest, althans asbesthoudende delen of toepassingen uit/in dat kantoorpand gesloopt;

Feit 4:

verdachte, op tijdstippen, in de maand februari 2008, te Velp, in de gemeente Rheden, tezamen en in vereniging met anderen, als degene die anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf asbest of (een) asbesthoudend(e) product(en) uit een bouwwerk, te weten een kantoorpand gelegen aan de [adres 2] verwijderde, opzettelijk met betrekking tot dat bouwwerk niet beschikte over een asbestinventarisatierapport.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 32 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon

Ten aanzien van feit 2 zijnde de tenlastegelegde periode van februari tot en met mei 2008:

Medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon

Ten aanzien van feit 2 zijnde de tenlastegelegde periode van juni 2008:

Medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 7b lid 2 onder d van de Woningwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon

Ten aanzien van feit 4:

Medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 4 zal worden veroordeeld tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 25.000, -.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit de straf te matigen. [verdachte] is een slapende B.V., met enkel schulden. Een geldboete kan het bedrijf niet betalen. Indien hiertoe wel wordt geoordeeld, zal het bedrijf zijn faillissement moeten aanvragen. Tevens heeft de raadsman aangevoerd rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 8 september 2011.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte, medeverdachten en de feitelijk leidinggevers hebben sloopwerkzaamheden laten uitvoeren in de panden aan de [adres 2] te Velp en de [adres 1] te Arnhem door ingehuurde arbeidskrachten. Zij wisten dat in deze panden asbest aanwezig was. Toch hebben zij dit asbest op een ondeugdelijke wijze laten verwijderen. Bij de verwijdering zijn de geldende wettelijke voorschriften niet nageleefd en geen van de verdachten beschikte over de vereiste asbestinventarisatierapportages en de benodigde vergunningen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat asbest een gevaarlijke afvalstof is die onder bepaalde omstandigheden zeer schadelijk voor het milieu en de menselijke gezondheid kan zijn. Juist om die reden dient uiterste zorgvuldigheid te worden betracht bij het verwijderen van asbest.

Van de vereiste zorgvuldigheid is casu totaal niet gebleken. Door de wijze waarop de asbesthoudende materialen zijn verwijderd, hebben verdachten de aanwezige personen onnodig bloot gesteld aan zeer ernstige gezondheidsrisico's en deze mensen de blijvende onzekerheid bezorgd dat zij een dodelijke asbestgerelateerde ziekte kunnen ontwikkelen. Verdachte en haar medeverdachten hebben willens en wetens de keuze gemaakt bovenomschreven werkzaamheden te laten verrichten. Er is een financiële afweging gemaakt, waarbij de gezondheid van de aanwezige personen van ongeschikt belang werd gemaakt. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte. Verdachte is niet eerder voor soort gelijke feiten veroordeeld.

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Hiertoe is allereerst redengevend dat de rechtbank rekening houdt dat feitelijk leidinggever [naam 5] enig eigenaar is van verdachte en ook persoonlijk zal worden veroordeeld. Als enig aandeelhouder zal de aan verdachte op te leggen straf geheel voor rekening van [naam 5] komen. Daarnaast houdt de rechtbank rekening de met de schending van de redelijke termijn. [naam 5] is als vertegenwoordiger van verdachte op 23 november 2009 in verzekering gesteld en vanaf dat moment is de redelijke termijn gaan lopen. In beginsel had binnen twee jaar eindvonnis gewezen moeten worden. Inmiddels zijn echter 2,5 jaar verstreken. De rechtbank constateert een overschrijding van de redelijke termijn van ruim een half jaar.

Aan verdachte zal om de hiervoor genoemde redenen een geldboete van € 10.000, - opleggen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 57 en 91 Wetboek van Strafrecht,

artikelen 1, 1a (oud), 1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten, artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet, artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen (oud), artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer, artikel 7b Woningwet en artikel 3 lid 2 Asbestverwijderingsbesluit.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

betaling van een geldboete van € 10.000, - (tienduizend euro).

Aldus gewezen door:

mr. J.M. Klep (voorzitter), mr. J.M. Hamaker en mr. R.M. Maanicus, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Ruessink, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juli 2012. 34

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Midden, unit Tactiek, opgemaakte proces-verbaal, OPS-dossiernummer PLO 0700/09-002937, gesloten op 8 maart 2010 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 660.

3 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2], p. 805.

4 Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris, inhoudende de verklaring van [naam 6], d.d. 4 juli 2011, p. 2, alsmede het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2], d.d. 4 juli 2011, p. 3.

5 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [naam 4], p. 691, alsmede p. 698-699.

6 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [naam 5], p. 674, 676.

7 Het proces-verbaal, inhoudende een relaas, p. 547, alsmede het schriftelijk bescheid, zijnde een asbestinventarisatierapport, d.d. 14 september 2008, opgenomen als bijlage 7, map 1 arbeidsinspectie.

8 Het schriftelijk bescheid, inhoudende een globale asbestinventarisatie (quick-scan), p. 134 map 1 arbeidsinspectie.

9 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2], p. 809.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 597.

11 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1], p. 641.

12 Het schriftelijk bescheid, inhoudende de vertaling van de verklaring van [slachtoffer 4], p. 631 alsmede het proces-verbaal van verhoor van [naam 5], p. 680.

13 Het schriftelijk bescheid, inhoudende een rapport asbestbemonstering Tauw, p. 409, map 3 arbeidsinspectie.

14 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2], p. 809.

15 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [naam 4], p. 698.

16 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [naam 5], p. 685.

17 Het schriftelijk bescheid, inhoudende een globale asbestinventarisatie (quick-scan), p. 134 map 1 arbeidsinspectie.

18 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten van de Arbeidsinspectie, p. 7, map 1 arbeidsinspectie alsmede het proces-verbaal van verhoor van [naam 5], p. 679 .

19 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 956.

20 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2], p. 1034.

21 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [naam 4], p. 991.

22 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [naam 5], p. 972.

23 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 906, alsmede het schriftelijk bescheid, zijnde een searchrapport, opgenomen als B.1.001.004, map SVO.

24 Het schriftelijk bescheid, zijnde een searchrapport (quickscan), opgenomen als B.01.001.003.

25 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 6], d.d. 30 november 2009, p. 723.

26 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 7], d.d. 23 december 2009, p. 800.

27 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2], d.d. 12 januari 2010, p. 809.

28 Het schriftelijke bescheid zijnde de werkopdracht verstrekt door [naam 7] aan [verdachte], d.d. 10 januari 2008, SVO C.01.001.002.

29 Het schriftelijke bescheid zijnde de e-mail van [naam 9] aan [medeverdachte 2], d.d. 11 januari 2008, SVO A.02.01.004.006.

30 Het schriftelijke bescheid zijnde de werkopdracht verstrekt door [naam 7] aan [verdachte], d.d. 28 januari 2008.

31 De schriftelijke bescheiden zijnde de facturen van [verdachte], SVO A.04.02.002.001.

32 De verklaring van verdachte [naam 5] afgelegd bij de rechter-commissaris, d.d. 4 juli 2011.

33 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 4], d.d. 24 november 2009, p. 699 en de verklaring van verdachte [naam 5] afgelegd bij de rechter-commissaris, d.d. 4 juli 2011.