Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX7220

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
12-07-2012
Datum publicatie
13-09-2012
Zaaknummer
05/987031-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sloop en verwijdering van asbest zonder vergunningen en rapportages

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/987031-10

Data zittingen : 27 januari 2011 en 28 juni 2012

Datum uitspraak : 12 juli 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de rechtbank in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [naam verdachte],

adres : [adres verdachte],

plaats : [vestigingsplaats verdachte].

Raadsman : mr. N.A. Heidanus, advocaat te Groningen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van februari 2008 tot en met juni 2008, althans op een of meer tijdstippen in 2008, in de gemeente Arnhem, als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, handelingen heeft/hebben verricht en/of nagelaten in strijd met voormelde wet en/of de daarop berustende bepalingen, immers heeft/hebben zij en/of haar mededader(s) toen daar in een kantoorpand gelegen aan de [adres 1], zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van de Arbeidsomstandighedenwet, door een of meer van haar werknemer(s) in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of een of meer (andere) personen, arbeid doen verrichten, bestaande uit het verrichten van sloopwerkzaamheden, terwijl niet was/werd voldaan aan

- artikel 4.1b lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) niet gezorgd voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en veiligheid van de hiervoor bedoelde werknemer(s) die werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen (te weten asbest en/of asbesthoudende producten) en/of

- artikel 4.48a lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) in het hiervoor genoemde gebouw of delen daarvan niet het aanwezige asbest dan wel de aanwezige asbesthoudende producten verwijderd voordat werd aangevangen met andere werkzaamheden, te weten de sloopwerkzaamheden en/of renovatie-werkzaamheden en/of

- artikel 4.54a lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) niet voldaan aan de verplichting in het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten volledig te inventariseren voordat werd aangevangen met het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit het hiervoor genoemde gebouw,

Terwijl daardoor, naar zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs meosten weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers, althans levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer van die werknemers, ontstond of te verwachten was;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

[medeverdachte 1] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van februari 2008 tot en met juni 2008, althans op een of meer tijdstippen in 2008, in de gemeente Arnhem, als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, handelingen heeft/hebben verricht en/of nagelaten in strijd met voormelde wet en/of de daarop berustende bepalingen, immers heeft/hebben

[medeverdachte 1] en/of haar mededader(s) toen daar in een kantoorpand gelegen aan de [adres 1], zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van de Arbeidsomstandighedenwet, door een of meer van haar werknemer(s) in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] en/of een of meer (andere) personen, arbeid doen verrichten, bestaande uit het verrichten van sloopwerkzaamheden, terwijl niet was/werd

voldaan aan

- artikel 4.1b lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers heeft/hebben [medeverdachte 1] en/of haar mededader(s) niet gezorgd voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en veiligheid van de hiervoor bedoelde werknemer(s) die werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen (asbest en/of asbesthoudende producten) en/of

-artikel 4.48a lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers heeft/hebben [medeverdachte 1] en/of haar mededader(s) in het hiervoor genoemde gebouw of delen daarvan niet het aanwezige asbest dan wel de aanwezige asbesthoudende producten verwijderd voordat werd aangevangen met andere werkzaamheden, te weten de sloopwerkzaamheden en/of renovatie-werkzaamheden en/of - artikel 4.54a lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, heeft/hebben

[medeverdachte 1] en/of haar mededader(s) niet voldaan aan de verplichting in het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten volledig te inventariseren voordat werd aangevangen met het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit het hiervoor genoemde kantoorpand;

terwijl daardoor, naar [medeverdachte 1] en/of haar mededader(s) wist(en), dat levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers te verwachte was,

bij/tot het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte op of omstreeks 28 januari 2008, althans in of omstreeks de maand januari 2008, althans in of omstreeks het jaar 2008, in de gemeente Groningen, althans in Nederland, door toen aldaar - zakelijk weergegeven - aan [medeverdachte 1] opdracht te geven diverse werkzaamheden, waaronder het leeghalen van drie etages en/of sloopactiviteiten, uit te voeren, in het pand [adres 1] te Arnhem, althans op enigerlei (andere) wijze, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of gelegenheid en/of (een) middel(en) (een) inlichting(en) heeft verschaft;

2.

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van februari 2008 tot en met juni 2008, althans op een of meer tijdstippen in 2008, in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, als degene die asbest of (een)

asbesthoudend(e) product(en) uit een bouwwerk, te weten een kantoorpand gelegen aan de [adres 1] deed verwijderen, al dan niet opzettelijk met betrekking tot dat bouwwerk niet beschikte over een asbestinventarisatierapport;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van februari 2008 tot en met juni 2008, althans op een of meer tijdstippen in 2008, in de gemeente Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, als degene die een handeling deed verrichten waarop artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 van toepassing was, te weten - zakelijk weergegeven - het verwijderen of doen verwijderen van

asbesthoudend(e) producten uit een kantoorpand gelegen aan de [adres 1] te Arnhem, al

3.

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van februari 2008 tot en met juni 2008, althans op een of meer tijdstippen in 2008, in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk een kantoorpand gelegen aan de [adres 1] heeft gesloopt, terwijl daarbij niet werd voldaan aan de op dat slopen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d

en/of g van de Woningwet, immers heeft/hebben verdachte en/of verdachtes mededader(s) toen aldaar zonder vergunning (van Burgemeester en wethouders) van de gemeente Arnhem asbest, althans asbesthoudende delen of toepassingen uit/in dat kantoorpand gesloopt;

4.

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de maand februari 2008, althans op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van februari 2008 tot en met april 2008, althans op een of meer tijstippen in 2008, te Velp, in de gemeente Rheden, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, als degene die asbest of (een) asbesthoudend(e) product(en) uit een bouwwerk, te weten een kantoorpand gelegen aan de [adres 2] deed verwijderen, al dan niet opzettelijk met betrekking tot dat bouwwerk niet beschikte over een asbestinventarisatierapport;

althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling leidt:

verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de maand februari 2008, althans op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van februari 2008 tot en met april 2008, althans op een of meer tijdstippen in 2008, in de gemeente Rheden, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, als degene die een handeling deed verrichten waarop artikel 3 van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 van toepassing was, te weten - zakelijk weergegeven - het verwijderen of doen verwijderen van asbesthoudend(e) producten uit een kantoorpand gelegen aan de [adres 2] te Velp, al dan niet opzettelijk, voordat die handeling(en) werd(en) verricht, geen afschrift van het

asbestinventarisatierapport heeft verstrekt aan degene(n) die die handeling(en) verrichtte(n).

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 28 juni 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is de vertegenwoordiger van verdachte, de heer [naam vertegenwoordiger], verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. N.A. Heidanus, advocaat te Groningen.

De officier van justitie, mr. S. Buist, heeft gerekwireerd.

De vertegenwoordiger van verdachte en de raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, omdat het Openbaar Ministerie in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een goede procesorde. Het Openbaar Ministerie heeft volgens de verdediging het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel heeft de raadsman aangevoerd dat het Openbaar Ministerie willekeurig heeft gehandeld door gelijke partijen niet gelijk te behandelen. De zaken tegen [naam 1], [naam 2] en haar werknemers, [naam verdachte] en [medeverdachte 2] zijn volgens de raadsman gelijke zaken. De zaken tegen [naam 1], [naam 2] en haar werknemers zijn echter geseponeerd en [naam verdachte] en [medeverdachte 2] zijn wél gedagvaard.

Ten aanzien het vertrouwens- en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft de raadsman bepleit dat het Openbaar Ministerie de tussen partijen lopende schikkingsonderhandelingen op onjuiste of onrechtmatige wijze heeft afgewikkeld door niet te reageren op een namens [naam verdachte] gedaan voorstel de zaak in der minne te regelen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk in de vervolging is, omdat de beginselen van een goede procesorde niet zijn geschonden.

De officier van justitie heeft met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel aangevoerd dat het Openbaar Ministerie de vervolgingsbeslissing toekomt. Aan het begin van het onderzoek is het totale dossier bekeken en, na grondige bestudering, is het Openbaar Ministerie gekomen tot de vervolging van een aantal verdachten. [naam 1], [naam 2] en haar werknemer en [getu[getuige 1] konden op grond van de informatie die destijds bekend was niet vervolgd worden. Volgens de officier van justitie is het gelijkheidsbeginsel dan ook niet geschonden. Met betrekking tot het vertrouwens- en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft de officier van justitie aangevoerd dat nooit sprake is geweest van schikkingsonderhandeling en daarom ook nooit enige verwachtingen zijn gewekt.

De beoordeling door de rechtbank en conclusie

Op grond van het in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel heeft het Openbaar Ministerie de exclusieve vervolgingsbevoegdheid. De officier van justitie heeft beargumenteerd destijds een secure afweging te hebben gemaakt op grond van het opportuniteitsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel niet te hebben geschonden. De rechtbank ziet geen enkele aanleiding hieraan te twijfelen en ziet niet in waarom vervolging van verdachte strijd zou opleveren met de beginselen van een goede procesorde. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de raadsman zijn argumentatie mede heeft gegrond op hetgeen door getuigen [getuige 1] en [getuige 2] bij de rechter-commissaris is verklaard. Deze informatie is echter pas na de regiezitting d.d. 27 januari 2011 aan het dossier gevoegd. Wat er van de inhoud van de verklaringen ook zij, de officier van justitie heeft deze verklaringen dan ook niet kunnen betrekken bij zijn vervolgingsbeslissing..

Ten aanzien van het verweer met betrekking tot een schending van het vertrouwens- en het zorgvuldigheidsbeginsel merkt de rechtbank op dat van schikkingsonderhandelingen niet is gebleken. Een brief met een schikkingsvoorstel zijdens de verdediging waarop zijdens de officier van justitie niet inhoudelijk werd gereageerd is onvoldoende om zelfs maar een begin van schikkingsonderhandelingen aan te nemen.De verweren van de raadsman worden daarom verworpen.

3. De beslissing inzake het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Pand [naam pand] (feiten 1, 2 en 3):

[naam 1] was in de periode februari 2008 tot en met juni 2008 economisch eigenaar van het kantoorpand [naam pand], staande en gelegen aan de [adres 1] te Arnhem. Haar beherend vennoot [naam 1] was juridisch eigenaar en had het formele beheer ondergebracht bij [naam 2] welke op haar beurt het feitelijk beheer in die periode had ondergebracht bij [naam verdachte] (hierna: [naam verdachte]). 2 [medeverdachte 2] was bij [naam verdachte] werkzaam als hoofd technisch beheer en leidde de binnen- en buitendienst.3 Van 15 maart 2008 tot en met juni 2008 was hij als zodanig eindverantwoordelijk voor het beheer van het pand [naam pand].4 [[naam 4] was in de ten laste gelegde periode technisch beheerder/inspecteur bij [naam verdachte] en begeleidde als zodanig de verbouwing van het pand [naam pand] die in de periode van februari tot en met juni 2008 plaatsvond.5

In het kader van die verbouwing werden in het pand sloopwerkzaamheden verricht. De opdrachtnemer van deze werkzaamheden was [medeverdachte 1]dachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) en voerde aldus de werkzaamheden uit. [naam 5] was destijds directeur/eigenaar van [medeverdachte 1].6

In het pand waren gevaarlijke stoffen, zijnde asbest of asbesthoudende producten (hierna: asbest) aanwezig.7 Voorafgaand aan de aanvang van de sloopwerkzaamheden is niet voldaan aan de verplichting om in het kader van de beoordeling de aanwezigheid van asbest volledig te inventariseren.8 Ook is het aanwezige asbest niet uit het pand verwijderd voordat de sloopwerkzaamheden werden aangevangen.9 De sloopwerkzaamheden zelf zijn feitelijk uitgevoerd door de ingeleende arbeidskrachten [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5].10 [slachtoffer 1], medewerker van [medeverdachte 1], heeft tevens werkzaamheden verricht.11 Toen zij blootgesteld werden of konden worden aan asbest, droegen de arbeidskrachten geen, althans niet afdoende, beschermende werkkleding.12

Tijdens de sloopwerkzaamheden is tevens asbest verwijderd, waarbij asbesthoudende delen zijn verspreid en niet afgeschermd zijn achtergebleven. 13

[medeverdachte 2]14 en [naam 4]15 wisten voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden dat in het pand asbest aanwezig was. [naam 5] wist voorafgaand aan het verwijderen van de vensterbanken, dat die vensterbanken asbest bevatten.16

[naam verdachte], [naam 4] of [medeverdachte 1] beschikten niet over een asbestinventarisatierapport betreffende het kantoorpand.17 Voor de verwijdering van het asbest was geen vergunning door burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem afgegeven, en bij de sloop van het kantoorpand werd niet voldaan aan de daarvoor geldende voorschriften, bedoeld in artikel 8, lid 2, onderdeel d en g van de Woningwet.18

Pand [adres 2] (feit 4):

[naam verdachte] beheerde in de periode van februari 2008 ook een kantoorpand aan de [adres 2] te Velp, gemeente Rheden.19 Ook van dit pand was [naam 1] in die periode economisch eigenaar en haar beherend vennoot [naam 1] juridisch eigenaar. Het formele beheer was ondergebracht bij [naam 2] welke op haar beurt het feitelijk beheer in die periode had ondergebracht bij [naam verdachte] [medeverdachte 2] was als hoofd technisch beheer eindverantwoordelijk voor het beheer van dit kantoorpand.20 [naam 4] was als technisch beheerder verantwoordelijk door het dagelijks beheer van het kantoorpand.21 [medeverdachte 1] heeft in opdracht van [naam verdachte] in die periode renovatiewerkzaamheden verricht in dit kantoorpand. De communicatie tussen [naam verdachte] en [medeverdachte 1] verliep tussen [naam 4] en de directeur/eigenaar van [medeverdachte 1], [naam 5].22 Tijdens de renovatie is asbesthoudend materiaal uit het kantoorpand verwijderd.23 [naam verdachte], [naam 4] of [medeverdachte 1] beschikten niet over een asbestinventarisatierapport betreffende het kantoorpand.24

Het standpunt van de officier van justitie

De onder 1, 2 en 4 primair en 3 ten laste gelegde feiten kunnen wettig en overtuigend bewezen worden. Als beherende vennootschap was verdachte verantwoordelijk voor het onderhoud en had erop moeten toezien dat de sloopwerkzaamheden volgens de regels werden verricht. Verdachte had goed moeten bedenken wat het betekent als voorschriften niet nageleefd worden en had moeten weten hoe men daarop had moeten reageren.

Het standpunt van de verdediging

In de eerste plaats heeft de verdediging gemotiveerd aangevoerd dat verdachte niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor de door derden feitelijk uitgevoerde illegale asbestverwijdering. Immers is niet voldaan aan de criteria die de Hoge Raad stelt aan daderschap van de rechtspersoon en kunnen de feitelijke verboden gedragingen niet aan verdachte worden toegerekend. Ook heeft verdachte hieraan geen feitelijk leiding of hiertoe opdracht gegeven.

Ook kan niet worden gesproken van medeplegen met de medeverdachten nu niet eens sprake was van een nauwe samenwerking ten aanzien van de asbestverwijdering.

Als laatste kan niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake was van opzet of culpa van verdachte. De feitelijke gedragingen pasten niet in de sfeer van de rechtspersoon en verdachte had niet kunnen voorzien dat [medeverdachte 1] het asbest illegaal zou verwijderen.

De beoordeling door de rechtbank

Toerekenen rechtspersonen [naam verdachte] en [medeverdachte 1]

De raadsman heeft bepleit dat de strafbare gedragingen niet kunnen word toegerekend aan de rechtspersoon [naam verdachte].

Blijkens de wetsgeschiedenis kan een rechtspersoon conform artikel 51 Wetboek van Strafrecht worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend. Of een (verboden) gedraging redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de rechtspersoon, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval en de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt is dat de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan is sprake indien zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.

Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kan worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Uit de vastgestelde feiten volgt dat [medeverdachte 2] hoofd technisch beheer was bij [naam verdachte] en de binnen- en buitendienst leidde. Hij stond hiërarchisch boven [naam 6].25

[naam 7] was directeur van [naam verdachte].26

[medeverdachte 2] wist dat de panden aan de [adres 1] en de [adres 2] asbest bevatten.27 Op 10 januari 2008 heeft [naam 7] aan [medeverdachte 1] de opdracht gegeven om renovatiewerkzaamheden te verrichten aan de [adres 2] te Velp.28 Met betrekking tot de werkzaamheden in het pand aan de [adres 1] hebben - alvorens de opdracht werd verstrekt aan [medeverdachte 1] - onderhandelingen plaatsgevonden met [naam 8].29 De rechtbank maakt uit de stukken op dat deze onderhandelingen gingen over het mogelijk verwijderen van het asbest door [naam 8]. In het e-mailbericht staat tevens vermeld dat wanneer de verkoop niet door zou gaan, de opdracht aan [medeverdachte 1] kon worden gegeven. Op 28 januari 2008 is de werkopdracht aan [medeverdachte 1] door [naam 7] getekend.30 Conform de offerte van 12 november 2007 heeft [medeverdachte 1] drie etages (3e, 4e, 5e) leeg gehaald, het materiaal afgevoerd en een kraan gehuurd. Hieruit leidt de rechtbank af dat de onderhandelingen met [naam 8] inmiddels waren afgebroken. [medeverdachte 2] heeft voor deze opdracht drie facturen/opdrachtbonnen getekend.31

[naam 7] en [medeverdachte 2] hebben namens [naam verdachte] welbewust opdracht gegeven aan [medeverdachte 1] om de betreffende werkzaamheden te verrichten in de panden aan de [adres 2] te Velp en de [adres 1] te Arnhem. Zij wisten dat deze panden asbest bevatten en [medeverdachte 2] wist dat [medeverdachte 1] geen ervaring had met het deugdelijk en conform de regels verwijderen van asbesthoudende materialen.32

De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 2] en [naam 7] hebben gehandeld ten behoeve van [naam verdachte]. De gegeven opdracht en taak vallen binnen het kader van de beheerstaken, ook al was wellicht sprake van een bijzonder project. De gedragingen zijn daarom verricht in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen tevens worden toegerekend aan [naam verdachte].

De eigenaar, directeur en enig aandeelhouder van [medeverdachte 1] was [naam 5]. [naam 5] wist (kort) van te voren dat in de panden aan de [adres 1] te Arnhem en de [adres 2] te Velp astbest aanwezig was. Ondanks deze wetenschap heeft hij de arbeidskrachten de (renovatie)werkzaamheden laten verrichten. Hij wist dat deze arbeidskrachten op een ondeugdelijke wijze asbest uit de betreffende panden zouden verwijderen.

De rechtbank is van oordeel dat [naam 5] heeft gehandeld ten behoeve van [medeverdachte 1]. De gedragingen zijn daarom verricht in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen tevens worden toegerekend aan [medeverdachte 1].

Medeplegen

[naam 4] onderhield - in zijn functie van technisch beheerder bij [naam verdachte] - alle contacten met betrekking tot de werkzaamheden van de panden aan de [adres 1] te Arnhem en [adres 2] te Velp met [medeverdachte 1].33 Over en weer zijn de (renovatie)werkzaamheden, die hebben plaatsgevonden in de twee panden, besproken. [naam 5], directeur van [medeverdachte 1], is kort voor de aanvang van de werkzaamheden ingelicht over het feit dat asbest aanwezig was in de panden.34 Gezamenlijk is besloten toch te starten met de werkzaamheden zoals overeengekomen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [naam verdachte] en [medeverdachte 1]. Met betrekking tot de feiten onder 2, 3 en 4 is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [naam verdachte], [medeverdachte 1] en [naam 4].

Concluderend is de rechtbank op grond van de feiten en de bespreking van de verweren, van oordeel dat verdachte kan worden aangemerkt als een werkgever in de zin van artikel 1 Arbeidsomstandighedenwet en in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] sloopwerkzaamheden heeft doen verrichten in het pand aan de [adres 1] te Arnhem door werknemers terwijl daarbij niet werd voldaan aan de eisen gesteld in de artikelen 4.1b lid 1, 4.48a lid en 4.54a lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Voorts beschikten verdachte en medeverdachten niet over de vereiste vergunning conform artikel 8, tweede lid, onderdeel d/g van de Woningwet. Tevens hebben zij gezamenlijk asbest doen verwijderen in het pand aan de [adres 2] te Velp. Zij beschikten voor zowel het verwijderen van asbest in het pand aan de [adres 1] te Arnhem als het pand aan de [adres 2] te Velp niet over een asbestinventarisatierapport.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het de tenlastegelegde feiten 1, 2, 3 en 4 primair heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

Feit 1:

verdachte op meer tijdstippen in de periode van februari 2008 tot en met juni 2008, in de gemeente Arnhem, als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, tezamen en in vereniging met een ander, handelingen heeft verricht en nagelaten in strijd met voormelde wet en de daarop berustende bepalingen, immers hebben zij en haar mededader toen daar in een kantoorpand gelegen aan de [adres 1], zijnde een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van de Arbeidsomstandighedenwet, door meer van haar werknemers in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5], arbeid doen verrichten, bestaande uit het verrichten van sloopwerkzaamheden, terwijl niet was/werd voldaan aan

- artikel 4.1b lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers hebben verdachte en verdachtes mededader niet gezorgd voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en veiligheid van de hiervoor bedoelde werknemer(s) die werden of konden worden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen (te weten asbest en/of asbesthoudende producten) en

- artikel 4.48a lid 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit, immers hebben verdachte en verdachtes mededader in het hiervoor genoemde gebouw of delen daarvan niet het aanwezige asbest dan wel de aanwezige asbesthoudende producten verwijderd voordat werd aangevangen met andere werkzaamheden, te weten de sloopwerkzaamheden en renovatie-werkzaamheden en

- artikel 4.54a lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit,immers hebben verdachte en verdachtes mededader niet voldaan aan de verplichting in het kader van de beoordeling, bedoeld in artikel 4.2 van het Arbeidsomstandighedenbesluit de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende producten volledig te inventariseren voordat werd aangevangen met het verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit het hiervoor genoemde gebouw,

Terwijl daardoor, naar zij, verdachte, en haar mededader wisten of redelijkerwijs moesten weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die werknemers, althans levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer van die werknemers, ontstond of te verwachten was;

Feit 2:

verdachte op meer tijdstippen in de periode van februari 2008 tot en met juni 2008, in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met anderen, als degene die asbest of (een)

asbesthoudend(e) product(en) uit een bouwwerk, te weten een kantoorpand gelegen aan de [adres 1] deed verwijderen, opzettelijk met betrekking tot dat bouwwerk niet beschikte over een asbestinventarisatierapport;

Feit 3:

verdachte op meer tijdstippen in de periode van februari 2008 tot en met juni 2008, in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een kantoorpand gelegen aan de [adres 1] heeft gesloopt, terwijl daarbij niet werd voldaan aan de op dat slopen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d

en/of g van de Woningwet, immers hebben verdachte en verdachtes mededaders toen aldaar zonder vergunning (van Burgemeester en wethouders) van de gemeente Arnhem asbest, althans asbesthoudende delen of toepassingen uit/in dat kantoorpand gesloopt;

Feit 4:

verdachte op meer tijdstippen in de maand februari 2008, te Velp, in de gemeente Rheden, tezamen en in vereniging met anderen, als degene die asbest of (een) asbesthoudend(e) product(en) uit een bouwwerk, te weten een kantoorpand gelegen aan de [adres 2] deed verwijderen, opzettelijk met betrekking tot dat bouwwerk niet beschikte over een asbestinventarisatierapport.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 32 lid 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon

Ten aanzien van feit 2 zijnde de tenlastegelegde periode van februari tot en met mei 2008:

Medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon

Ten aanzien van feit 2 zijnde de tenlastegelegde periode van juni 2008:

Medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 7b lid 2 onder d van de Woningwet, opzettelijk begaan door een rechtspersoon

Ten aanzien van feit 4:

Medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen (oud), opzettelijk begaan door een rechtspersoon

De feiten zijn strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 4 zal worden veroordeeld tot betaling van een geldboete ten bedrage van € 50.000, -.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 1 december 2010.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte, medeverdachten en de feitelijk leidinggevers hebben sloopwerkzaamheden laten uitvoeren in de panden aan de [adres 2] te Velp en de [adres 1] te Arnhem door ingehuurde arbeidskrachten. Zij wisten dat in deze panden asbest aanwezig was. Toch hebben zij dit asbest op een ondeugdelijke wijze laten verwijderen. Bij de verwijdering zijn de geldende wettelijke voorschriften niet nageleefd en geen van de verdachten beschikte over de vereiste asbestinventarisatierapportages en de benodigde vergunningen.

Het is een feit van algemene bekendheid dat asbest een gevaarlijke afvalstof is die onder bepaalde omstandigheden zeer schadelijk voor het milieu en de menselijke gezondheid kan zijn. Juist om die reden dient uiterste zorgvuldigheid te worden betracht bij het verwijderen van asbest.

Van de vereiste zorgvuldigheid is casu totaal niet gebleken. Door de wijze waarop de asbesthoudende materialen zijn verwijderd, hebben verdachten de aanwezige personen onnodig bloot gesteld aan zeer ernstige gezondheidsrisico's en deze mensen de blijvende onzekerheid bezorgd dat zij een dodelijke asbestgerelateerde ziekte kunnen ontwikkelen. Verdachte en haar medeverdachten hebben willens en wetens de keuze hebben gemaakt bovenomschreven werkzaamheden te laten verrichten. Er is een financiële afweging gemaakt, waarbij de gezondheid van de aanwezige personen van ongeschikt belang werd gemaakt. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte. Verdachte is niet eerder voor soort gelijke feiten veroordeeld

Aan verdachte zal om de hiervoor genoemde redenen, conform de eis van de officier van justitie een geldboete van € 50.000,- worden opgelegd.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 47, 57 en 91 Wetboek van Strafrecht, artikelen 1, 1a (oud), 1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten, artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet, artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen (oud), artikel 9.2.2.1 Wet milieubeheer, artikel 7b Woningwet en artikel 3 lid 2 Asbestverwijderingsbesluit.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

betaling van een geldboete van € 50.000, - (vijftigduizend euro).

Aldus gewezen door:

mr. J.M. Klep (voorzitter), mr. J.M. Hamaker en mr. R.M. Maanicus, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Ruessink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 juli 2012.

35

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Midden, unit Tactiek, opgemaakte proces-verbaal, OPS-dossiernummer PLO 0700/09-002937, gesloten op 8 maart 2010 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 660.

3 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2], p. 805.

4 Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris, inhoudende de verklaring van [naam 6], d.d. 4 juli 2011, p. 2, alsmede het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2], d.d. 4 juli 2011, p. 3.

5 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [naam 4], p. 691, alsmede p. 698-699.

6 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [naam 5], p. 674, 676.

7 Het proces-verbaal, inhoudende een relaas, p. 547, alsmede het schriftelijk bescheid, zijnde een asbestinventarisatierapport, d.d. 14 september 2008, opgenomen als bijlage 7, map 1 arbeidsinspectie.

8 Het schriftelijk bescheid, inhoudende een globale asbestinventarisatie (quick-scan), p. 134 map 1 arbeidsinspectie.

9 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2], p. 809.

10 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 597.

11 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1], p. 641.

12 Het schriftelijk bescheid, inhoudende de vertaling van de verklaring van [slachtoffer 4], p. 631 alsmede het proces-verbaal van verhoor van [naam 5], p. 680.

13 Het schriftelijk bescheid, inhoudende een rapport asbestbemonstering Tauw, p. 409, map 3 arbeidsinspectie.

14 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2], p. 809.

15 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [naam 4], p. 698.

16 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [naam 5], p. 685.

17 Het schriftelijk bescheid, inhoudende een globale asbestinventarisatie (quick-scan), p. 134 map 1 arbeidsinspectie.

18 Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten van de Arbeidsinspectie, p. 7, map 1 arbeidsinspectie, alsmede het proces-verbaal van verhoor van [naam 5], p. 679.

19 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 956.

20 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2], p. 1034.

21 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [naam 4], p. 991.

22 Het proces-verbaal van verhoor, inhoudende de verklaring van [naam 5], p. 972.

23 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 906, alsmede het schriftelijk bescheid, zijnde een searchrapport, opgenomen als B.1.001.004, map SVO.

24 Het schriftelijk bescheid, zijnde een searchrapport (quickscan), opgenomen als B.01.001.003.

25 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 6], d.d. 30 november 2009, p. 723.

26 Het proces-verbaal van verhoor van [naam 7], d.d. 23 december 2009, p. 800.

27 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2], d.d. 12 januari 2010, p. 809.

28 Het schriftelijke bescheid zijnde de werkopdracht verstrekt door [naam 7] aan [medeverdachte 1], d.d. 10 januari 2008, SVO C.01.001.002.

29 Het schriftelijke bescheid zijnde de e-mail van [naam 9] aan [medeverdachte 2], d.d. 11 januari 2008, SVO A.02.01.004.006.

30 Het schriftelijke bescheid zijnde de werkopdracht verstrekt door [naam 7] aan [medeverdachte 1], d.d. 28 januari 2008.

31 De schriftelijke bescheiden zijnde de facturen van [medeverdachte 1], SVO A.04.02.002.001.

32 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2], d.d. 11 januari 2010, p. 809 en 810.

33 De verklaring van verdachte [naam 5] afgelegd bij de rechter-commissaris, d.d. 4 juli 2011.

34 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [naam 4], d.d. 24 november 2009, p. 699 en de verklaring van verdachte [naam 5] afgelegd bij de rechter-commissaris, d.d. 4 juli 2011.