Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX7065

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
AWB 11/3229
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte het beleid ten aanzien van de vrijstelling van het paspoortvereiste heeft gewijzigd. Voorheen was, indien een vreemdeling in de procedure tot verblijfsvergunning vrijgesteld was van paspoort en geboorteakte, deze vrijstelling tevens van toepassing voor de procedure tot naturalisatie. Niet nader gemotiveerd wordt waarom deze gelijkstelling thans is losgelaten.

De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 31 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap volgt dat verweerder mag verlangen dat de vreemdeling de gestelde identiteit en nationaliteit met documenten onderbouwd. In welke omstandigheden welke documenten zijn vereist, wordt niet nader in algemeen verbindende voorschriften genormeerd, zodat verweerder in zoverre beleidsvrijheid heeft. Dat betekent dat de keuze van verweerder om voortaan een paspoort en geboorteakte te eisen, ook in de omstandigheid dat deze niet in de procedure omtrent de verblijfsvergunning zijn verlangd, door de rechtbank slechts terughoudend mag worden getoetst. Dat betekent evenwel niet dat verweerder zijn, exceptief te toetsen, beleidswijziging in zoverre niet nader dient te motiveren.

In het Tussentijds Bericht Nationaliteiten (TBN 2009/1) is in de toelichting nader gemotiveerd dat het beleid dat houders van een reguliere verblijfsvergunning die in dat kader waren vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands paspoort en een buitenlandse geboorteakte bij een verzoek tot naturalisatie daarvan tevens ware vrijgesteld, niet langer wordt gevoerd. Thans wordt bij een verzoek tot naturalisatie ook in dat geval een paspoort en geboorteakte vereist, tenzij sprake is van bewijsnood. De redenen van deze beleidswijziging zijn dat de gevolgen van de verkrijging van het Nederlanderschap verstrekkender zijn dan de gevolgen van het verkrijgen van een verblijfsvergunning en dat de betrokkene meer tijd heeft gehad om aan documenten te komen.

De rechtbank acht deze motivering, gelet op de aan verweerder toekomende beleidsvrijheid, genoegzaam. Dat, zoals eiser stelt, deze redenen niet nieuw zijn en ook al eerder bestonden, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel, omdat ook gewijzigde inzichten tot beleidswijziging aanleiding mogen geven. Daarbij is voorts van belang dat het beleid erin voorziet dat bij een vreemdeling waarvan is vastgesteld dat deze geen paspoort of geboorteakte kan overleggen daarvan alsnog wordt vrijgesteld via een beroep op bewijsnood

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/3229

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats], vertegenwoordigd door mr. C.T.G. van Schie,

tegen

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 6 juli 2011.

2. Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiser om naturalisatie tot Nederlander afgewezen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd.

Tegen dit besluit op bezwaar is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 7 juni 2012. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C.T.G. van Schie. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.W. van den Berg.

3. Overwegingen

Verweerder heeft aan het bestreden besluit - kort samengevat - ten grondslag gelegd dat de identiteit en nationaliteit van eiser onvoldoende vast staan om voor naturalisatie in aanmerking te komen. Eiser heeft immers geen geldig buitenlands paspoort en geboorteakte overgelegd. Hetgeen in dit verband is aangevoerd en overgelegd is voorts onvoldoende om bewijsnood aan te nemen.

Eiser heeft het bestreden besluit gemotiveerd betwist. Voor zover nodig zal in het hierna volgende op zijn stellingen worden ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) is bepaald dat, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk vier van deze wet, op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap wordt verleend aan vreemdelingen die daarom verzoeken.

In artikel 23, eerste lid, van de RWN is bepaald dat bij en krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen kunnen worden gesteld ter uitvoering van deze wet.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a,b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: BvvN) verstrekt de verzoeker bij indiening van een naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of namen; geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland; en nationaliteit of nationaliteiten.

In het vijfde lid van dit artikel is onder meer bepaald dat de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, kan verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

In de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: Handleiding) is in paragraaf 3.5, als toelichting bij artikel 7 van die wet, vermeld dat het verzoek om naturalisatie zoveel mogelijk moet worden ondersteund door (bewijs)stukken, waarmee een geldig nationaal paspoort en een (indien nodig: gelegaliseerde/van apostille voorziene) buitenlandse geboorteakte zijn bedoeld.

In paragraaf 3.5.2 staat omschreven dat van de voorwaarde van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) is vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) over te leggen. Vrijstelling van deze voorwaarde is alleen mogelijk indien de verzoeker aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument. Daartoe legt verzoeker een schriftelijke verklaring over van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de verzoeker niet in het bezit wordt gesteld van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort). Indien verzoeker voornoemde verklaring niet over kan leggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort). Deze bewijsstukken worden in het naturalisatiedossier gevoegd. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) beslist vervolgens of voldoende is aangetoond dat de verzoeker niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van het gevraagde document. De bewijsstukken mogen bij de indiening van het verzoek om naturalisatie niet ouder zijn dan zes maanden.

In paragraaf 3.5.6 van de Handleiding staat vervolgens omschreven dat van de voorwaarde van het overleggen van uit het buitenland afkomstige gelegaliseerde documenten (geboorteakte) kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten te overleggen. Indien geen sprake is van bewijsnood, wordt geen vrijstelling verleend. Bewijsnood zal zich met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte het beleid ten aanzien van de vrijstelling van het paspoortvereiste heeft gewijzigd. Voorheen was, indien een vreemdeling in de procedure tot verblijfsvergunning vrijgesteld was van paspoort en geboorteakte, deze vrijstelling tevens van toepassing voor de procedure tot naturalisatie. Niet nader gemotiveerd wordt waarom deze gelijkstelling thans is losgelaten.

De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 31 van het BvvN volgt dat verweerder mag verlangen dat de vreemdeling de gestelde identiteit en nationaliteit met documenten onderbouwd. In welke omstandigheden welke documenten zijn vereist, wordt niet nader in algemeen verbindende voorschriften genormeerd, zodat verweerder in zoverre beleidsvrijheid heeft. Dat betekent dat de keuze van verweerder om voortaan een paspoort en geboorteakte te eisen, ook in de omstandigheid dat deze niet in de procedure omtrent de verblijfsvergunning zijn verlangd, door de rechtbank slechts terughoudend mag worden getoetst. Dat betekent evenwel niet dat verweerder zijn, exceptief te toetsen, beleidswijziging in zoverre niet nader dient te motiveren.

In het Tussentijds Bericht Nationaliteiten (TBN 2009/1) is in de toelichting nader gemotiveerd dat het beleid dat houders van een reguliere verblijfsvergunning die in dat kader waren vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands paspoort en een buitenlandse geboorteakte bij een verzoek tot naturalisatie daarvan tevens waren vrijgesteld, niet langer wordt gevoerd. Thans wordt bij een verzoek tot naturalisatie ook in dat geval een paspoort en geboorteakte vereist, tenzij sprake is van bewijsnood. De redenen van deze beleidswijziging zijn dat de gevolgen van de verkrijging van het Nederlanderschap verstrekkender zijn dan de gevolgen van het verkrijgen van een verblijfsvergunning en dat de betrokkene meer tijd heeft gehad om aan documenten te komen.

De rechtbank acht deze motivering, gelet op de aan verweerder toekomende beleidsvrijheid, genoegzaam. Dat, zoals eiser stelt, deze redenen niet nieuw zijn en ook al eerder bestonden, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel, omdat ook gewijzigde inzichten tot beleidswijziging aanleiding mogen geven. Daarbij is voorts van belang dat het beleid erin voorziet dat bij een vreemdeling waarvan is vastgesteld dat deze geen paspoort of geboorteakte kan overleggen daarvan alsnog wordt vrijgesteld via een beroep op bewijsnood.

Eiser heeft ter ondersteuning van zijn naturalisatieverzoek geen gelegaliseerde geboorteakte en geen geldig buitenlands paspoort overgelegd. Hij stelt dat sprake is van bewijsnood. Hij kan geen Ethiopische paspoort krijgen omdat hij, zoals ook blijkt uit de door hem overgelegde verklaring van de Ethiopische ambassade van 30 juni 2011, hij daarvoor over documenten moet beschikken waarmee hij zijn Ethiopische nationaliteit kan aantonen. Die heeft hij niet en kan hij ook niet krijgen, omdat reizen naar Ethiopië voor hem te gevaarlijk is. Ter onderbouwing daarvan heeft hij gesteld dat hij van een Ethiopische advocaat telefonisch en per email bevestigd heeft gekregen dat de bekendheid van het feit dat hij in Nederland asiel heeft gevraagd met zich mee brengt, dat “his rights will be affected”en “it will be difficult tot apply for a birthcertificate”.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bovenstaande onvoldoende heeft mogen achten voor het oordeel dat sprake is van bewijsnood. Immers, niet gebleken is dat eiser door de Ethiopische ambassade nimmer in het bezit zal worden gesteld van een paspoort. Uit de betrokken stukken blijkt slechts dat eiser nadere documenten over zijn identiteit en nationaliteit dient te overleggen ter verkrijging van een paspoort. Van eiser mag verwacht worden dat hij tracht dergelijke documenten te krijgen, in het bijzonder een geboorteakte. Dat hij deze niet kan krijgen, heeft hij niet aangetoond. Dat hij niet naar Ethiopië kan reizen, wat daarvan ook zij, staat er niet aan in de weg dat eiser ook op een andere manier, bijvoorbeeld schriftelijk, in contact treedt met de autoriteiten in Ethiopië, bijvoorbeeld via tussenkomst van de reeds gecontacteerde advocaat. Dat dit, althans zo stelt eiser, veel geld kost, betekent nog niet dat verweerder dit niet van eiser mag verwachten.

Eiser heeft verder betoogd dat verweerder wegens bijzonder omstandigheden had moeten afwijken van zijn beleid. Als bijzondere omstandigheden voert eiser aan dat hij al sinds 1992 in Nederland is, dat hij veel medische problemen heeft en dat zijn broer het Nederlanderschap heeft verkregen voor de beleidswijziging van 2009 en dit binnen de familie verschillende uitkomsten geeft.

De rechtbank is van oordeel dat voormelde omstandigheden, niet zijn aan te merken als bijzondere, zodat verweerder dan ook terecht geen gebruik heeft gemaakt van de hem toekomende inherente afwijkingsbevoegdheid, als neergelegd in artikel 4:84 van de Awb.

Voor zover eiser zich op het gelijkheidsbeginsel beroept, faalt dat beroep reeds omdat het verzoek van zijn broer is beoordeeld onder ander beleid dan thans voor eiser geldt.

Ten aanzien van het betoog van eiser dat in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord, overweegt de rechtbank het volgende.

Met betrekking tot het horen in bezwaar is uitgangspunt de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb vervatte algemene regel dat er voor het bestuur een hoorplicht bestaat, behoudens de in artikel 7:3 van de Awb genoemde uitzonderingen. Van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb is sprake indien, aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen in eerste instantie is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing, naar objectieve maatstaven bezien, op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank deed een dergelijke situatie zich hier voor. Het horen is er, anders dan eiser stelt, niet voor bedoeld om zijn persoonlijke situatie nader toe te lichten en aldus bijzondere omstandigheden te stellen. Dat dient reeds in het bezwaarschrift zelf te worden gedaan en is daar niet op die wijze gedaan dat verweerder had moeten horen. Verweerder heeft derhalve terecht met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afgezien.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de stellingen en betogen van eiser tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, rechter, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Wessels-Harmsen, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: