Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX7028

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
227039
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Griffierecht niet tijdig door eiseres betaald (art. 3 lid 3 WGBZ).

Beroep op hardheidsclausule (art. 127a lid 3 Rv) faalt.

Gedaagde wordt ontslagen van instantie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 227039 / HA ZA 12-167

Vonnis van 29 augustus 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EXOLOGY HOLDING B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres,

advocaat mr. W.G.A. van Hoogstraten te Beuningen,

tegen

[gedaagde]

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedaagde,

niet verschenen.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding.

Daarna is vonnis bepaald.

De beoordeling van het geschil

1. Exology heeft bij dagvaarding van 22 februari 2012 de onderhavige vordering tegen [gedaagde] ingesteld. De zaak is op 6 juni 2012 voor de eerste maal uitgeroepen ter terechtzitting. Daarna is de zaak aangehouden voor het laten uitbrengen door Exology van een herstelexploot. Ingevolge art. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken diende Exology te zorgen dat het door haar verschuldigde griffierecht binnen vier weken na de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting zou zijn bijgeschreven op de bankrekening van de rechtbank. Die termijn liep af op 4 juli 2012.

2. De advocaat van Exology, mr. Van Hoogstraten, heeft niet bestreden dat de betaling te laat is verricht. Hij heeft een beroep gedaan op het buiten toepassing laten van het bepaalde in art. 127a lid 2 Rv op de in dat artikel in lid 3 genoemde grond, de zogenoemde hardheidsclausule. Hij heeft aangevoerd (a) dat hij er vanuit is gegaan dat het griffierecht pas verschuldigd zou zijn nadat het herstelexploot zou zijn aangebracht, en (b) dat toepassing van artikel 127a lid 2 tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden, omdat [gedaagde] geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, zich niet heeft gesteld in de procedure, en zij door het buiten toepassing laten van artikel 127a lid 2 Rv niet in haar belangen wordt geschaad.

3. De door mr. Van Hoogstraten onder 2.a aangevoerde omstandigheid noopt niet tot het geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van artikel 127a lid 2 Rv op de in dat artikel in lid 3 genoemde grond. Het betreft hier een omstandigheid die ligt in de risicosfeer van mr. Van Hoogstraten. Het behoort immers tot zijn verantwoordelijkheid in de door hem bedoelde omstandigheden zodanige maatregelen te treffen dat wordt zorggedragen voor de (tijdige) voldoening van verschuldigde griffierechten. Daarbij dient bedacht te worden dat volgens vaste rechtspraak de advocaat op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de onderhavige procedure zonder meer geacht moet worden op de hoogte te zijn van de hier aan de orde zijnde termijn, waaronder begrepen de ingangsdatum daarvan zoals die volgt uit voormeld art. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken, en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan. Niet kan worden aangenomen dat hetgeen onder 2.b is aangevoerd van een dusdanig gewicht is, dat het niet te verantwoorden zou zijn dat de belangen van Exology zouden worden aangetast, enkel omdat door een vergissing of onachtzaamheid tijdige betaling van het griffierecht is verzuimd.

4. Nu Exology niet tijdig tot betaling van het griffierecht is overgegaan en het beroep op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv faalt, zal [gedaagde] overeenkomstig het bepaalde in artikel 127a lid 2 Rv van deze instantie worden ontslagen, met de veroordeling van Exology in de kosten van de procedure.

De beslissing

De rechtbank

ontslaat [gedaagde] van deze instantie,

veroordeelt Exology in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2012.

Coll.: ED