Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX6994

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
11-09-2012
Zaaknummer
221724
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een van de stellingen van eiser komt erop neer, dat CTB vorderingen van derden op en/of schulden aan derden aan Nordined aan zich heeft doen overdragen teneinde haar eigen vorderingen op en/of schulden aan Nordined daarmee te verrekenen, terwijl zij wist dat het faillissement dan wel de surseance van betaling van Nordined aanstaande was. Eiser betwist met een beroep op artikel 54 Fw de bevoegdheid van CTB tot verrekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2012/109

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 221724 HA ZA 11.1399

Vonnis van 22 augustus 2012

in de zaak van

[eiser]

eiser,

advocaat: mr. G.J. Boven te Leusden

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CTB HOLDING B.V,

gevestigd te Ede, Gelderland,

gedaagde,

advocaat: mr. J.G. Princen te Rotterdam.

Partijen worden hierna [eiser] en CTB genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 december 2011;

- de akte vermindering eis van [eiser];

- het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 3 april 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De besloten vennootschap Ingenieursbureau Nordined B.V, statutair gevestigd te Utrecht (hierna te noemen: Nordined), opgericht in 1965, dreef een onderneming voor het adviseren met betrekking tot en het uitvoeren van technische, administratieve en andere opdrachten met behulp van eigen elektronische en/of mechanische apparatuur dan wel apparatuur van derden in de bouw, oorspronkelijk als onderdeel van het Bredero-concern. [eiser] was eerder in dienst van Bredero International en is van 1 januari 1988 tot 15 maart 1991 in dienst geweest bij Nordined, sedert 1 juli 1989 als bestuurder. Enig aandeelhoudster van Nordined was CTB. [eiser] is als bestuurder werkzaam gebleven tot 13 maart 1991. Op die datum is hem ontslag aangezegd door de algemene vergadering van aandeelhouders. Bestuurder van Nordined was nadien [ ]. [betrokkene] (hierna te noemen: [betrokkene]).

2.2. [eiser] heeft op 21 juni 1991 conservatoir derdenbeslag gelegd op twee bankrekeningen van Nordined en onder twee debiteuren van Nordined voor een pretense vordering van fl. 350.000,- uit hoofde van loonderving en geleden immateriële schade. Deze beslaglegging was de directe reden voor het creëren van een rekening-courantverhouding tussen CTB en Nordined zodat deze laatste aan haar verplichtingen kon blijven voldoen. Het beslag heeft uiteindelijk geleid tot een vordering in rechte die tot een bedrag van fl. 30.000,- is toegewezen.

2.3. Nordined en de besloten vennootschap CTB Bouwautomatisering B.V. te Ede hebben op 7 oktober 1991 een overeenkomst gesloten, strekkende tot overdracht van activiteiten, apparatuur en inventaris, programmatuur en contracten door Nordined aan CTB Bouwautomatisering B.V, een en ander tegen een prijs van fl. 174.086,-. In die overeenkomst is onder meer het volgende beding opgenomen:

“Betaling van de koopprijs heeft op heden plaatsgevonden door CTB Holding B.V. te Ede door boeking in rekening-courant. Nordined verleent bij dezen aan CTB kwijting en verklaart ter zake van voornoemde koopprijs niets meer van CTB te vorderen te hebben.”

2.4. [betrokkene] schrijft in een notitie, als productie A1 gevoegd bij de dagvaarding, dat in de aandeelhoudersvergadering van 29 oktober 1991 is besloten het faillissement van Nordined aan te vragen.

2.5. Bij authentieke akte van 31 oktober 1991 is de naam van de besloten vennootschap CTB Bouwautomatisering B.V, statutair gevestigd te Ede, gewijzigd in Nordined Technische Automatisering B.V. en is de statutaire vestigingsplaats gewijzigd in Bunnik. Deze vennootschap zal hierna worden aangeduid als “NTA”.

2.6. Bij vonnis van de rechtbank te Utrecht van 6 november 1991 is Nordined in staat van faillissement verklaard en is mr. A.J.M. van Riet tot curator benoemd (hierna te noemen: curator mr. Van Riet). De ondernemingsactiviteiten van Nordined zijn gestaakt per 1 maart 1992. Het faillissement is bij beschikking van die rechtbank van 31 juli 1996 opgeheven wegens de toestand van de boedel.

2.7. Curator mr. Van Riet heeft op 22 november 1991 per fax aan de toenmalige raadsvrouwe van [eiser], mr. L.K.M. van Druenen (verder: mr. Van Druenen), de saldilijsten per 30 oktober 1991 toegezonden. De daarop vermelde vordering op CTB ad ruim fl. 300.000,-, zo deelt curator mr. Van Riet mee, betrof de factuur ter zake van de activatransactie (ruim fl. 200.000,-) en twee facturen ter zake van “uitgeleend” personeel (tezamen ruim fl. 100.000,-). Deze facturen zijn nog voor het faillissement verrekend middels de rekening-courant verhouding tussen CTB en Nordined, aldus het bericht.

2.8. Mr. Van Druenen heeft bij aan curator mr. Van Riet van 12 mei 1992 vragen gesteld en opmerkingen gemaakt naar aanleiding van het faillissement, in het bijzonder over de financiële verhouding tussen Nordined en CTB.

2.9. [betrokkene] heeft bij brief van 31 augustus 1992 een notitie aan curator mr. Van Riet gezonden, waarin hij ingaat op de vragen en opmerkingen van mr. Van Druenen, onder meer met een beschrijving van de mutaties in de rekening-courant. [betrokkene] vermeldt daarin onder meer de betalingen die CTB voor Nordined heeft gedaan in verband met de door [eiser] gelegde beslagen en licht de noodzaak van die betalingen toe.

2.10. Na het faillissement van Nordined is in overleg met de werknemersorganisaties een sociaal plan ten belope van fl. 74.186,15 voor het personeel tot stand gekomen. Curator mr. Van Riet heeft met instemming van de rechter-commissaris in het faillissement de kosten daarvan tot een bedrag van fl. 44.788,15 ten laste van de boedel en het overige ten laste van de rekening-courant gebracht. De president van de Rechtbank te Utrecht deelt in dit verband bij brief van 28 april 1998 aan [eiser] in antwoord op diens brief van 17 december 1997 mee, voor zover hier van belang:

“In uw brief vraagt u toegang tot niet - openbare verslaglegging om te kunnen beoordelen op welke wijze de toestemming tot erkenning van de kosten sociaal plan als boedelschuld verleend is.Niet - openbare verslagen plegen echter niet aan crediteuren of andere belanghebbenden ter inzage te worden verstrekt. (…)

Wèl is het mogelijk aan u de aan bedoelde brief van de curator ontleende motivering voor de erkenning als boedelschuld van de kosten van het sociaal plan mede te delen.Deze is,dat het sociaal plan op 26 november 1991, dus tijdens het faillissement, is tot stand gekomen,dat de kosten door CTB-Holding B.V. zijn betaald bij gebreke aan baten in de Nordined-boedel en dat deze kosten in het belang van de boedel zijn gemaakt om het onderhanden werk af te maken en zo baten voor de boedel te realiseren,hetgeen ook is gebeurd. Op deze gronden heeft de rechter-commissaris op 28 april 1993 goedkeuring gegeven om Fw 44.788,15 welk bedrag is gecontroleerd en goedgekeurd door Moret Ernst en Young Accountants te erkennen als boedelvordering van CTB-Holding.

(…)

Tenslotte,een heropening van het faillissement,door u aan het einde van uw brief geopperd,is niet mogelijk.Een dergelijke rechtsfiguur kent ons recht niet.Heropening van de vereffening als bedoeld in artikel 2:23c BW is wel mogelijk,maar vereist óf het opkomen van een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo ( bedoeld is een niet eerder bekende schuldeiser ) óf het blijken van een ( niet eerder bekende ) bate,hetgeen zich hier niet voordoet.”

2.11. Curator mr. Van Riet schrijft op 6 maart 2003 aan de Rechtbank te Utrecht onder meer:

“De heer [eiser] brengt naar voren dat de boedel van Nordined de kosten van een sociaal plan heeft betaald. Dat zou in het licht van het arrest Papierfabriek Van Gelder niet juist zijn. Ook over deze vermeende aangelegenheid is de heer [eiser], met name via diens voormalige raadsman mr Knüppe, uitgebreid en gedocumenteerd geïnformeerd. Zakelijk weergegeven is het volgende gebeurd. Na faillissement is het rekencentrum enige tijd gecontinueerd teneinde substantiële kapitaalsvernietiging en schade zoveel mogelijk te beperken. Na het faillissement hebben de werknemers van Nordined het werk neergelegd (staking) teneinde de eis om in onderhandeling te treden over een te treffen sociaal plan, waarover reeds voor de faillietverklaring was onderhandeld, kracht bij te zetten. Daardoor kwam de bedrijfsvoering van Nordined abrupt stil te liggen, met als voorzienbaar gevolg substantiële schade en kapitaalsvernietiging. Daarop hebben onderhandelingen plaatsgevonden over een sociaal plan tussen directie van Nordined, werknemers en vakbonden, hetgeen heeft geleid tot een sociaal plan en werkhervatting. Dat sociaal plan is betaald door CTB Holding B.V. en tot een bedrag van NLG 44.788,15 aangemerkt en voldaan door Nordined als boedelschuld, nadat de kosten daarvan waren onderzocht door het toenmalige Moret Ernst & Young en akkoord bevonden.”

2.12. Bij beschikking van 2 april 2003 heeft de rechtbank te Utrecht heropening van de vereffening van Nordined bevolen in verband met een nagekomen belastingbate, mr. A. van der Schee te Utrecht tot vereffenaar benoemd en deze opgedragen deze belastingbate af te wikkelen.

2.13. Op 30 juni 2003 heeft mr. Van der Schee bij aangetekende brief met handtekening retour aan CTB doen meedelen, dat de boeking van de hiervoor onder 2.2 bedoelde koopprijs in rekening-courant met Nordined wellicht onrechtmatig, nietig en/of in strijd met artikel 54 Fw is en dat Nordined zich alle rechten voorbehoudt. De brief bevat verder de mededeling, dat hij uitdrukkelijk beschouwd moet worden als handeling tot stuiting van verjaring. Een zakelijk gelijkluidende brief van dezelfde datum is gezonden aan NTA.

2.14. Op 9 juni 2004 is Nordined andermaal in staat van faillissement verklaard en is mr. A. van der Schee tot curator benoemd (verder te noemen: curator mr. Van der Schee).

2.15. Curator mr. Van der Schee en [eiser] hebben op 28 mei 2008 een overeenkomst gesloten, strekkende tot verkoop door curator mr. Van der Schee in haar hoedanigheid aan [eiser] van:

“a. Vordering(en) tot teruggave BTW jegens Belastingdienst (c.q. de Nederlandse Staat). [eiser] is van mening dat Nordined respectievelijk de boedels in de onderscheidenlijke faillissementen van Nordined onvoldoende BTW hebben teruggevraagd c.q. ontvangen in vergelijking met hetgeen waartoe Nordined respectievelijk de onderscheidenlijke boedels op grond van de administratie van Nordined aanspraak zouden hebben gehad.

b. vorderingen op CTB Holding B.V. (“CTB”) en Nordined Technische Automatisering B.V. (“NTA”) Tussen Nordined en CTB bestaat een rekening-courantverhouding, althans deze heeft bestaan. In deze rekening-courantverhouding zijn vorderingen van CTB op Nordined geboekt die, naar de mening van [eiser], betwistbaar zijn, waaronder terzake van verrekening koopprijs activa Nordined-NTA, die mogelijk van CTB en/of NTA gevorderd zou kunnen worden. In of buiten rekening-courant: alle vorderingsrechten van Nordined op CTB en NTA, uit welken hoofde ook, voor zover toepasselijk ná beroep jegens CTB en NTA op art. 54 Fw overeenkomstig artikel 3 van deze overeenkomst, worden verkocht en overgedragen aan [eiser].”

2.16. Deze overeenkomst bevat verder, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen en bedingen:

“2. De koopprijs voor de vorderingen gezamenlijk bedraagt EUR 1.

3. De curator geeft aan [eiser] - voor zover mogelijk - de bevoegdheid om zich, namens de curator, jegens CTB en/of NTA te beroepen op art. 54 Fw terzake van verrekeningen door CTB en/of NTA.

4. Overdracht van de onder a. en b. vermelde vorderingsrechten wordt geëffectueerd door de twee aktes van cessie die aan deze overeenkomst zijn gehecht.”

2.17. De in de overeenkomst onder 4 genoemde cessieakten bevinden zich in het dossier. Mr. J.W. Frieling, advocaat te Amsterdam, heeft bij brief van 26 juni 2008 namens [eiser] aan NTA en CTB mededeling gedaan van de hiervoor bedoelde overdracht van vorderingen. In de brief is verder vermeld, dat [eiser] door curator mr. Van der Schee is gemachtigd om zich namens haar op artikel 54 Fw te beroepen, wat de steller van de brief namens hem doet, en dat [eiser] CTB aansprakelijk houdt voor de vordering van de koopprijs ad € 174.086,- en NTA voor de vordering van een reële, nog nader te bepalen koopprijs, in beide gevallen vermeerderd met rente en kosten.

3. De vordering en het verweer

3.1. [eiser] vordert - na vermindering van eis (betreffende deelvordering A)- dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

1. CTB zal veroordelen tot betaling van € 223.086,- tegen finale kwijting binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente per 6 november 1991, althans met ingang van 30 juni 2003, dan wel met ingang van 26 juni 2008 ofwel met ingang van een datum als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, tot het moment van de algehele voldoening, alsmede met een bedrag voor buitengerechtelijke kosten conform het rapport Voor-werk II;

2. CTB zal veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen een bedrag aan salaris voor zijn advocaat, en in de nakosten.

3.2. De vordering is gegrond op de volgende stellingen, samengevat weergegeven.

Er is sprake van:

- verrekeningen in rekening-courant tussen CTB en Nordined welke hebben plaatsgevonden in zowel drie weken voorafgaand als in de periode volgend op de eigen faillissementsaanvraag (door [eiser] aangeduid als deelvordering B);

- onverschuldigde betaling van pensioenpremies (door [eiser] aangeduid als deelvordering C);

- ontvangen vergoedingen voor betalingen in verband met een sociaal plan (door [eiser] aangeduid als deelvordering D);

- dubbeltelling van door CTB aan Nordined in rekening gebrachte verwerkingskosten (door [eiser] aangeduid als deelvordering E);

waarbij CTB niet te goeder trouw heeft gehandeld als bedoeld in artikel 54 Fw. Toen CTB de schuld van NTA aan Nordined overnam, de verrekening van schulden aan Nordined via rekening-courant uitvoerde en de onverschuldigde betalingen ontving voor pensioenverplichtingen, had zij in haar hoedanigheid van aandeelhouder van Nordined reeds besloten de te verkopen activa onder te brengen in een aparte vennootschap om daarmee de veroverde markt af te schermen van Nordined. De vorderingen op CTB ter zake van een en ander zijn door de curator aan [eiser] overgedragen. De kosten van verkrijging van voldoening buiten rechte behoren door CTB te worden vergoed.

3.3. CTB voert gemotiveerd verweer.

3.4. Op de stellingen en weren van partijen wordt, voor zover hier van belang, hieronder ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ter comparitie heeft [eiser] de vordering die door hem is aangeduid als deelvordering C ingetrokken, zodat dit deel van de vordering verder geen bespreking behoeft.

4.2. Deelvordering B: verrekeningen in rekening-courant tussen CTB en Nordined

4.2.1. De stelling van [eiser] komt erop neer, dat CTB vorderingen van derden op en/of schulden van derden aan Nordined aan zich heeft doen overdragen teneinde haar eigen vorderingen op en/of schulden aan Nordined daarmee te verrekenen, terwijl zij wist dat het faillissement dan wel de surseance van betaling van Nordined aanstaande was. [eiser] betwist met een beroep op artikel 54 Fw de bevoegdheid van CTB tot verrekening.

4.2.2. Uit artikel 54 volgt dat degene die een schuld aan de gefailleerde of een vordering op de gefailleerde vóór de faillietverklaring van een derde heeft overgenomen, niet bevoegd is tot verrekening, indien hij bij de overneming niet te goeder trouw heeft gehandeld.

Wat er verder ook zij van goede trouw aan de zijde van CTB, [eiser] heeft bij een vordering gebaseerd op schending van artikel 54 Fw geen belang. Indien namelijk al door [eiser] een geslaagd beroep op artikel 54 Fw zou kunnen worden gedaan, hetgeen niet het geval is, zoals hierna nader wordt uiteengezet, behoren de ten onrechte verrekende bedragen tot de failliete boedel van Nordined. De vorderingen vallen dan niet in het vermogen van [eiser].

4.2.3. In algemene zin strekt immers de bevoegdheid van de curator tot het innen van vorderingen op schuldenaren ten behoeve van de boedel. Zo werkt volgens vaste rechtspraak (onder meer HR 24 april 2009, LJN BF3917, NJ 2009, 416) de vernietiging van een rechtshandeling als bedoeld in artikel 47 Fw ook slechts ten opzichte van de boedel; de rechtbank gaat ervan uit dat voor het herroepen van verrekening als bedoeld in artikel 54 Fw hetzelfde geldt.

4.2.4. Waar [eiser] volgens onderdeel 1 van het petitum van zijn dagvaarding vordert dat CTB zal worden veroordeeld “tot betaling tegen finale kwijting” van het daar genoemde bedrag, laat hij in het midden of hij bedoelt betaling te vorderen aan de boedel of aan hemzelf. Betaling aan hemzelf is, gelet op het voorgaande, niet mogelijk. Het instellen van een vordering tot betaling van een schuld aan de boedel is een bevoegdheid van de curator, die slechts kan worden uitgeoefend met machtiging van de rechter-commissaris. Deze bevoegdheid is naar haar aard niet vatbaar voor overdracht aan een enkele boedelcrediteur. In de toevoeging “voor zover mogelijk” onder 3 in de overeenkomst tot overdracht van de vorderingen (zie hiervoor onder 2.16) geeft de curator er blijk van zich dit te hebben gerealiseerd.

4.2.5. In voorkomende gevallen is het dus aan de curator als zodanig om de door [eiser] bedoelde vordering in te stellen. De vordering van [eiser] zal daarom worden afgewezen.

4.3. Deelvordering D: ontvangen vergoedingen voor betalingen in verband met een sociaal plan

4.3.1. Het verst strekkende verweer van CTB op dit punt houdt in, dat deze vordering niet begrepen is in de vorderingen die [eiser] van de curator heeft gecedeerd gekregen.

4.3.2. [eiser] erkent dat deze vordering niet genoemd wordt in de hiervoor onder 2.15 bedoelde overeenkomst, maar stelt zich op het standpunt dat hij heeft mogen begrijpen dat de curator heeft bedoeld alle vorderingen van Nordined op CTB aan hem over te dragen.

4.3.3. Hieromtrent geldt het volgende. Uit de tekst van de overeenkomst blijkt niet, dat deze vordering is begrepen in hetgeen op grond daarvan aan [eiser] is gecedeerd. [eiser] heeft verder niet toegelicht op grond waarvan hij heeft mogen begrijpen dat deze vordering toch aan hem is overgedragen. Dat had wel van hem mogen worden verwacht. Dat brengt mee dat hij niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat de vordering wel aan hem is overgedragen. Zou dit echter anders zijn, dan geldt het navolgende.

4.3.4. [eiser] heeft ter comparitie nader toegelicht dat de vordering waar het hier om gaat (evenals het geval is met betrekking tot de hierna te beoordelen deelvordering E) een vordering uit onrechtmatige daad betreft. Er is volgens hem ten onrechte dubbel betaald aan CTB. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt echter niet in te zien waarom [eiser], die stelt te zijn getreden in de rechten van de tweede curator, een vorderingsrecht zou hebben uit hoofde van een onrechtmatige daad ter zake van een betaling waar een eerste curator expliciet mee heeft ingestemd en waar goedkeuring aan is verleend door de rechter-commissaris. In deze procedure moet er, bij gebrek aan die toelichting, van uitgegaan worden dat curator mr. Van der Schee op dit punt geen vorderingsrecht toekwam, zodat zij in zoverre ook geen vordering aan [eiser] kon overdragen.

4.3.5. Een en ander leidt tot de conclusie dat ook deze deelvordering van [eiser] moet worden afgewezen.

4.4. Deelvordering E: dubbeltelling van door CTB aan Nordined in rekening gebrachte verwerkingskosten

4.4.1. CTB heeft aangevoerd dat de verwerkingskosten na faillissement gemaakt zijn in overleg met de curator, naar de rechtbank begrijpt om de onderneming van Nordined nog enige tijd te kunnen voortzetten. Had zij die afspraak niet met de curator gemaakt, dan had zij verder geen verwerkingskosten meer ten laste van de rekening-courant kunnen brengen. CTB betoogt dat [eiser] niet bevoegd is om betalingen waarover zij en de curator afspraken hebben gemaakt terug te vorderen. CTB betwist de - naar haar zeggen niet onderbouwde - stelling van [eiser], dat zij de verwerkingskosten twee keer betaald heeft gekregen.

4.4.2. [eiser] acht het “zeer waarschijnlijk” dat CTB de verwerkingskosten twee maal betaald heeft gekregen, eenmaal via de rekening-courant en eenmaal via een boedeluitkering.

4.4.3. Naar het oordeel van de rechtbank volgt dit echter niet uit de berekening van [eiser] en uit de door hem in het geding gebrachte stukken. Van [eiser] had mogen worden verwacht dat hij zijn vordering op dit punt nader zou hebben onderbouwd. Dat heeft hij echter nagelaten. Reeds op die grond dient zijn vordering te worden afgewezen.

4.4.4. Zou er echter wel sprake zijn van dubbele vergoeding van verwerkingskosten in deze zin, dan geldt, evenals hiervoor is overwogen ten aanzien van deelvordering D, dat de desbetreffende betaling berust op een overeenkomst tussen de curator en CTB. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat die betaling dan onrechtmatig is jegens een opvolgend curator in het faillissement. Van overdracht van een degelijke vordering, voor zover die al zou zijn begrepen in de overeenkomst met curator mr. Van der Schee, kan dan ook geen sprake zijn.

4.4.5. Aldus komt ook dit onderdeel van de vordering niet in aanmerking voor toewijzing.

4.5. Proceskosten

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. De aan de zijde van CTB gevallen kosten worden begroot op € 3.529,- voor griffierecht en twee punten à € 2.000,- volgens het liquidatietarief voor salaris advocaat, totaal € 7.529,-, te vermeerderen met de nakosten als gevorderd.

BESLISSING

De rechtbank

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van CTB begroot op € 7.529,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis indien die kosten alsdan niet zullen zijn betaald;

- veroordeelt [eiser] in de nakosten, aan de zijde van CTB bepaald op € 131,- voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,- voor nasalaris advocaat en de werkelijke kosten van het doen uitbrengen van het betekeningexploot;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2012.