Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX6864

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
218047
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet. Schijn van volmachtverlening. Art. 3:61 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

in de zaak van

zaaknummer / rolnummer: 218047 / HA ZA 11-1092

Vonnis in verzet van 22 augustus 2012

in de zaak van

de maatschap

ROSS ADVOCATEN,

gevestigd te Zevenaar,

eiseres,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. R.H. van de Beeten te Zevenaar,

tegen

1. [ged1/eis.1verzet],

wonende te [woon-/vestigingsplaats],

2. de vennootschap naar Duits recht

[ged.2/eis2verzet]

gevestigd te [woon-/vestigingsplaats],

gedaagden,

eisers in het verzet,

advocaat mr. J.B.M. Vaessen te Cuijk.

Partijen zullen hierna Ross Advocaten en [gedn./eis.verzet] genoemd worden. Afzonderlijk worden [gedn./eis.verzet] aangeduid met [ged1/eis1verzet] en [ged.2/eis2verzet].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 januari 2012

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 april 2012

- het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 19 juni 2012

- het bericht van de advocaat van [gedn./eis.verzet] dat [gedn./eis.verzet] afziet van contra-enquête

- de rolverwijzing voor vonnis.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank Ross Advocaten opgedragen om te bewijzen dat Anwaltskanzlei Strick krachtens een door [gedn./eis.verzet] verleende volmacht aan Ross Advocaten opdracht heeft gegeven om de litigieuze werkzaamheden te verrichten en rechtstreeks aan [gedn./eis.verzet] in rekening te brengen, alsmede dat zij onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat de volmacht toereikend was voor een opdracht voor werkzaamheden ten koste van € 18.802,79.

2.2. Ross Advocaten heeft ter voldoening aan deze bewijsopdracht vier getuigen laten horen. Het betreft [getuige1] die tweemaal is gehoord, [ged1/eis1verzet], [getuige2] en [getuige3].

2.3. [getuige1] is de Duitse advocaat, tot wie [ged1/eis1verzet] zich had gewend voor advies en/of bemiddeling inzake de overname van een onderneming in Nederland. [getuige1] heeft daarbij Ross Advocaten ingeschakeld.

[getuige1] verklaart als getuige onder meer als volgt:

De heer [ged1/eis1verzet] was mij nog niet bekend. Hij heeft zich tot ons kantoor gewend per telefax, uit welke fax ik begreep dat hij advies en/of bemiddeling wilde inzake de overname van een onderneming in Nederland. Vervolgens heb ik telefonisch contact gehad met de heer [ged1/eis1verzet] om duidelijk te krijgen waar het precies om gaat.

In dat gesprek werd duidelijk dat er complicaties waren en dat wij ook juridisch advies nodig hadden van een Nederlandse advocaat. Ik heb toen gebeld met het kantoor van

Ross Advocaten en daarbij heb ik gesproken met mr. Van den Beeten of mr. Dantuma. In dit gesprek werd mij duidelijk dat in het bijzonder advies nodig was met betrekking tot het Nederlandse arbeidsrecht en dat wij daarvoor de hulp nodig hadden van mr. Langehuizen. Ik heb daarna gesproken met de heer [ged1/eis1verzet]. Het probleem was dat er haast was, omdat de over te nemen onderneming op de rand van faillissement stond, terwijl intussen in Duitsland sprake was van een verplicht vrije dag, Sacramentsdag, waar de meeste Duitsers een korte vakantie aan koppelen. Intussen was er ook nog sprake van dat de heer [ged1/eis1verzet] naar Mallorca ging. Ik heb in dit stadium mij moeten beperken tot telefonisch contact met de heer [ged1/eis1verzet]. In een van die telefoongesprekken heb ik hem meegedeeld dat wij voor het arbeidsrecht een Nederlandse advocaat moesten inschakelen en dat daaraan kosten waren verbonden. [ged1/eis1verzet] zei daarop tegen mij: “als het maar goed komt” of woorden van soortgelijke strekking. Hieruit maakte ik op dat [ged1/eis1verzet] akkoord ging met de betaling van die diensten van de Nederlandse advocaat, alsmede dat die kosten voor zijn rekening zouden komen. Ik heb dat toen niet schriftelijk bevestigd. Dat was volgens mij niet nodig.

(…)

[ged1/eis1verzet] wist natuurlijk dat Ross Advocaten werkzaamheden voor hem aan het verrichten was. Dat was ook nog eens duidelijk bij de gezamenlijke bespreking op 28 juni 2010. Over de kosten daarvan is niet meer uitdrukkelijk gesproken, maar ik beschouw het als vanzelfsprekend dat [ged1/eis1verzet] als ondernemer moet begrijpen dat aan de werkzaamheden van Ross Advocaten kosten zijn verbonden en dat die voor zijn rekening zijn, omdat hij als de opdrachtgever heeft te gelden.

Welke rechtspersoon adressaat zou worden van de facturen was, zoals gebruikelijk in Duitsland, een kwestie die nader bezien zou worden in een later stadium.

U vraagt mij of [ged1/eis1verzet] met mij een maximum prijs had afgesproken en of de kosten van Ross Advocaten daarin waren begrepen. Mijn antwoord is dat wij inderdaad aan [ged1/eis1verzet] een soort richtprijs hadden opgegeven, maar dat volgens mij vanzelfsprekend was dat de kosten van Ross Advocaten daarin niet waren begrepen. Het is juist dat later een zeker bedrag is gecrediteerd aan een van de rechtspersonen van [ged1/eis1verzet]. Dat vond zijn reden in het feit dat er sprake was geweest van een dubbele facturering of iets dergelijks. Ik moet dit nazoeken in onze administratie maar ik herinner mij dat er iets was met een onjuiste interne boeking.

Op vragen van mr. Van de Beeten:

Die prijsindicatie heb ik ergens in het begin gegeven, nog in de fase van telefonische gesprekken, toen ik min of meer duidelijk had wat Strick Advocaten zou moeten uitvoeren. Ik weet niet meer precies welk bedrag daarbij is genoemd.

De eerste factuur of facturen zijn via ons kantoor gelopen. Ross Advocaten stuurde de facturen per post naar ons kantoor en niet rechtstreeks aan [ged1/eis1verzet]. Wij hebben de facturen doorgestuurd naar [ged1/eis1verzet]. [ged1/eis1verzet] heeft in dat stadium niet de verschuldigdheid van de facturen betwist. Wel is er gevraagd om de factuur op naam van een andere rechtspersoon van [ged1/eis1verzet] te stellen. Dit had te maken met de kwestie welke rechtspersoon als de adressaat van het advieswerk moet worden beschouwd. Ik weet het niet helemaal zeker maar ik dacht dat het verzoek om die andere tenaamstelling afkomstig was niet van [ged1/eis1verzet] persoonlijk, maar van zijn belastingadviseur.

(…)

U vraagt mij wat nu precies het bezwaar was van [ged1/eis1verzet] tegen de facturen van

Ross Advocaten. Het bezwaar was dat [ged1/eis1verzet] dacht dat de kosten van Ross Advocaten begrepen waren in de bedragen die Strick Advocaten in rekening had gebracht.

Op vragen van mr. Vaessen:

U vraagt mij nogmaals hoe hoog het bedrag was van die prijsindicatie en ook of deze prijsindicatie later is bijgesteld. Dit weet ik nu niet meer en dit moet blijken uit het dossier. Wel weet ik dat het maximum van de prijsindicatie daadwerkelijk in rekening is gebracht.

U vraagt mij nogmaals of de omvang van de opdracht van [ged1/eis1verzet] inzake de juridische dienstverlening schriftelijk is vastgelegd. Dat is niet gebeurd. Op zichzelf is dat wel gebruikelijk in Duitsland, maar in dit geval is dat niet gebeurd omdat er grote spoed was met de werkzaamheden en omdat [ged1/eis1verzet] zelf afwezig was en zich in het buitenland bevond.

Ik herhaal dat ik niet tegen [ged1/eis1verzet] heb gezegd dat hij rechtstreeks van Ross Advocaten rekeningen zou krijgen. Hierover is niet gesproken.

2.4. Als tweede getuige heeft Ross Advocaten [ged1/eis1verzet] laten horen. [ged1/eis1verzet] verklaart als getuige onder meer:

(…)

Ik herhaal dat ik alleen opdracht heb gegeven aan Strick Advocaten en dat ik, tot dat ik die rekeningen kreeg, nog nooit had gehoord van Ross Advocaten. Ik wist niet dat dit een aparte firma was. [getuige1] had tegen mij gezegd dat hij contacten had in Nederland en dat hij ook in Nederland gestudeerd had. Hij bracht het zo dat hij het Nederlandse recht goed kende en dat hij dat zelf kon regelen.

In eerste instantie had ik een maximum prijs afgesproken met [getuige1] van € 3000,00. Toen werd ik gebeld door [getuige1] terwijl ik in Mallorca was en [getuige1] zei tegen mij dat er een probleem was met het personeel. Ik vroeg hem toen wat dat zou gaan kosten en ik heb toen in dat telefoongesprek met [getuige1] afgesproken dat dit maximaal nog € 2.000,00 extra zou mogen kosten, zodat het totaal € 5.000,00 zou worden. In dit gesprek heeft [getuige1] niet tegen mij gezegd dat hij voor dit probleem met het personeel een Nederlandse advocaat ging inschakelen. Ik ging er nog steeds vanuit dat [getuige1] dit zelf zou doen omdat hij had gezegd dat hij bekend was met het Nederlandse recht.

Daarna is er een gesprek geweest op het over te nemen bedrijf in Wellerlooi. Daar was [getuige1] bij aanwezig en daar was ook iemand anders meegekomen. Voorts was daar de heer [getuige3] aanwezig en mogelijk ook nog twee mensen van de bank, maar dit laatste weet ik niet helemaal zeker. Het kan ook zijn dat het gesprek met die mensen van de bank op een andere datum plaatsvond. Wie die persoon was, die met [getuige1] was meegekomen, weet ik niet. Het kan zijn dat ik een visitekaartje heb gekregen. Dat weet ik niet helemaal zeker. In elk geval heb ik geen aandacht besteed aan die persoon en aan zijn achtergrond. Ik ging ervan uit dat hij was meegenomen door [getuige1].

Later belde [getuige1] mij met de mededeling dat er nog een probleem was. Er lag beslag op het woonhuis of op het bedrijf. [getuige1] zei tegen mij dat dit extra kosten met zich meebracht. In mijn ogen was het nog maar helemaal de vraag of die kosten voor mijn rekening moesten komen. Ik vond dat deze kosten voor rekening van de bank moesten komen. Dit heb ik nog besproken met de heer [getuige3]. Tegen [getuige1] zei ik in elk geval dat ik moeite had met die kosten en dat ik wilde weten wat ik nog allemaal kon verwachten, omdat het wat mij betreft niet zou doorgaan als het teveel zou gaan kosten. Met [getuige1] heb ik toen in dit gesprek afgesproken dat € 10.000,00 voor de juridische kosten het absolute maximum was en dit niet overschreden mocht worden.

(…)

Ik heb wel degelijk meteen geprotesteerd toen ik een rekening van Ross Advocaten kreeg toegestuurd. Ik heb toen [getuige1] opgebeld en ik heb hem gevraagd: “wat is dat, dat heb ik niet besteld?”. Ik heb gezegd tegen [getuige1] dat ik daar niets mee te maken had en ik heb de rekening teruggestuurd. Ik heb toen weer bij [getuige1] gesproken over dat maximum van

€ 10.000,00, welk maximum overschreden zou worden met deze eerste rekening van

Ross Advocaten. Daar was ik het niet mee eens. Later kwamen er zelfs nog meer rekeningen.

(…)

Op vragen van mr. Vaessen:

Het klopt dat ik tegen [getuige1] in dat telefoongesprek heb gezegd: “zorg ervoor dat alles goed komt” maar daarbij heb ik heel duidelijk met hem die maximum prijs afgesproken. Ik heb ook duidelijk met hem afgesproken dat het allemaal klaar zou komen voor die

€ 10.000,00 en dat ik dus niet naar huis zou gaan voor half werk.

Ross Advocaten heeft nooit telefonisch contact met mij gehad. Wel heb ik eenmaal iemand gezien in gezelschap van [getuige1]. Dat was bij die bijeenkomst in Wellerlooi. Dat was een Nederlander en deze persoon heeft toen het een en ander gezegd over de rechtspositie ten aanzien van het personeel. Daarbij is toen echter niets gezegd over de kosten van deze Nederlander. Ik wist ook niet dat hij werkzaam was bij een kantoor genaamd Ross Advocaten, althans ik wist niet wat Ross Advocaten was. Ik beschouwde die man als een medewerker van Strick en ik wist niet dat hij van een andere firma kwam.

In dat telefoongesprek naar aanleiding van de eerste factuur van Ross Advocaten heeft [getuige1] tegen mij gezegd dat we daar nog over moesten praten en dat die mensen nu eenmaal werk hadden verricht. Ik heb toen gezegd iets als: nee, daar valt niet over te praten, jij hebt die mensen ingeschakeld en ik heb met jou een vaste prijsafspraak voor € 10.000,00 en daarmee is het klaar.

2.5. In de voortzetting van de getuigenverhoren heeft Ross Advocaten [getuige1] nogmaals laten horen als getuige. [getuige1] verklaart nader dat hij bij de bijeenkomsten in Wellerlooi duidelijk tegen [ged1/eis1verzet] heeft gezegd dat Langerhuizen van Ross Advocaten was en dat hij niet heeft gezegd dat Langerhuizen werkte bij Strick Advocaten. Later heeft hij ook bij mr. Van de Beeten gemeld dat hij van Ross Advocaten kwam en beslist niet dat hij werkzaam was voor Strick Advocaten. [getuige1] herhaalt dat hij de details niet meer weet van de gestelde prijsafspraak en verhogingen van het bedrag.

2.6. Verder heeft Ross Advocaten in de voortzetting de heren [getuige2] en J.G. M. [getuige3] als getuigen laten horen. Het betreft een advocaat van Ross Advocaten en de eigenaar van het bedrijf dat [gedn./eis.verzet] heeft overgenomen.

Kastein was degene van Ross Advocaten, die als eerste door [getuige1] werd gebeld. Hij heeft [getuige1] voor zijn vragen doorverwezen naar mr. Van de Beeten als specialist in bedrijfsovernames en naar mr. Langerhuizen als een arbeidsrechtspecialist.

Kastein verklaart dat door hem in dat telefoongesprek met [getuige1] niets is gezegd over kosten en tarieven. Kastein is ook zelf nog een keer in Wellerlooi geweest. Daar heeft hij [ged1/eis1verzet] ontmoet en daar is gesproken met het personeel van [getuige3]. Kastein verklaart dat hij tegen [ged1/eis1verzet] heeft gezegd wie hij was. Kastein meent dat voor [ged1/eis1verzet] duidelijk moet zijn geweest dat hij een Nederlander was en Kastein meent zich te herinneren dat hij [ged1/eis1verzet] een visitekaartje heeft gegeven waarop duidelijk de naam van Ross Advocaten stond. Kastein verklaart verder dat bij deze gelegenheid door hem niet met [ged1/eis1verzet] is gesproken over de kosten van zijn bijstand.

[getuige3] verklaart ter zake dat [getuige1] tegen hem heeft gezegd dat hij de advocaten van Ross Advocaten had ingehuurd. [getuige3] verklaart dat tegen hem niet is gezegd wie de kosten van die advocaten uiteindelijk moest betalen.

2.7. De rechtbank is van oordeel dat Ross Advocaten met deze getuigenverklaringen niet is geslaagd in hetgeen zij moest bewijzen. In het bijzonder betreft dit het bestaan van de volmacht. Ross Advocaten heeft niet bewezen dat [ged1/eis1verzet] [getuige1] heeft gevolmachtigd om namens hem en voor zijn rekening of voor rekening van [ged.2/eis2verzet] Ross Advocaten opdracht te geven om juridische diensten te leveren.

De getuigen Kastein en [getuige3] hebben niets kunnen verklaren over die volmacht. Kastein heeft nooit over de kosten gesproken, noch met [getuige1], noch met [ged1/eis1verzet], en al helemaal niet over de vraag voor wiens rekening die zouden komen. [getuige3] kan slechts verklaren dat [getuige1] tegen hem heeft gezegd dat hij Ross Advocaten had ingeschakeld, maar tegen deze getuige is niet gezegd voor wiens rekening dat was.

De enige getuigen, die iets ter zake hebben verklaard, zijn dus [getuige1] en [ged1/eis1verzet].

2.8. [getuige1] heeft weliswaar (zakelijk weergegeven) verklaard dat hij tegen [ged1/eis1verzet] heeft gezegd dat Anwaltskanzlei Strick Ross Advocaten, of althans een of meer Nederlandse advocaten, zou inschakelen en dat de kosten hiervan voor rekening van [ged1/eis1verzet] of een van zijn vennootschappen zouden zijn, maar [ged1/eis1verzet] heeft dit als getuige tegengesproken en hij heeft verklaard dat dit niet tegen hem is gezegd. [ged1/eis1verzet] ging ervan uit dat [getuige1] zelf deskundig was inzake het Nederlands recht en dat de kosten voor de adviezen en bemoeienissen op dit gebied zouden zijn begrepen in de met [getuige1] gemaakte prijsafspraak, waarbij een (meermalen bijgesteld) plafond was overeengekomen, welk plafond is uitgedeclareerd en betaald.

De getuigenverklaringen van [getuige1] en [ged1/eis1verzet] staan dus lijnrecht tegenover elkaar en de rechtbank heeft geen redenen om de ene getuigenverklaring meer geloofwaardig te achten dan de andere. [ged1/eis1verzet] heeft natuurlijk een persoonlijk belang bij een negatieve uitkomst van de bewijslevering, omdat hij en/of [ged.2/eis2verzet] dan niet veroordeeld kunnen worden om de declaraties van Ross Advocaten te betalen, maar [getuige1] kan geacht worden een persoonlijk belang te hebben bij een positieve uitkomst, omdat het risico bestaat dat Ross Advocaten bij een negatieve uitkomst haar werkzaamheden alsnog aan het advocatenkantoor van [getuige1] in rekening zal brengen.

Het bestaan van een geldige volmacht is dus niet bewezen. Indien [getuige1] bij zijn opdracht aan Ross Advocaten heeft aangegeven, of althans Ross Advocaten in redelijkheid ervan uit heeft mogen gaan, dat [getuige1] de opdracht gaf als gevolmachtigde van [gedn./eis.verzet], dan moet in rechte ervan worden uitgegaan dat sprake was van onbevoegde vertegenwoordiging.

2.9. De vraag is dan nog of, uitgaande van onbevoegde vertegenwoordiging, het ontbreken van een toereikende volmacht aan Ross Advocaten kan worden tegengeworpen, hetgeen niet het geval zou kunnen indien sprake is van een aan [gedn./eis.verzet] toerekenbare schijn van volmachtverlening zoals bedoeld in artikel 3:61 lid 2 BW. Daarvoor zou nodig zijn dat Ross Advocaten gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op het bestaan van een toereikende volmacht. Dat vertrouwen kan worden opgewekt door een toedoen van de achterman, maar omtrent een zodanig toedoen is onvoldoende gesteld of bij de getuigenverhoren gebleken. In elk geval is daarvoor niet genoeg dat [ged1/eis1verzet] moet of kan hebben geconstateerd dat advocaten van Ross Advocaten werkzaamheden aan het verrichten waren in de kwestie waarin [ged1/eis1verzet] Anwaltskanzlei Strick had ingeschakeld om voor zijn rekening juridische diensten te verlenen. [ged1/eis1verzet] had immers een prijsafspraak gemaakt met Anwaltskanzlei Strick en [ged1/eis1verzet] heeft, behoudens duidelijke afspraken omtrent het tegendeel, die niet zijn bewezen, ervan kunnen en mogen uitgaan dat die Nederlandse advocaten hetzij verbonden waren aan Anwaltskanzlei Strick, hetzij waren aan te merken als hulppersonen van [getuige1], en dat hun dienstverlening viel binnen het met [getuige1] afgesproken budget. Voor zover ter zake een niet tijdig protesteren tegen de facturen relevant zou kunnen zijn, gaat dit in elk geval in deze casus niet op, aangezien dat non-protest niet bewezen is. Ook op dit punt staan de getuigenverklaringen van [getuige1] en [ged1/eis1verzet] tegenover elkaar, waar nog bijkomt dat [getuige1] op dit onderdeel niet helemaal duidelijk is. Eerst verklaart [getuige1] dat [ged1/eis1verzet] niet heeft geprotesteerd. Nader verklaart hij dat [ged1/eis1verzet] bezwaar had tegen de facturen omdat hij dacht dat de kosten van Ross Advocaten waren begrepen in de bedragen die Anwaltskanzlei Strick in rekening had gebracht.

2.10. Een andere mogelijkheid is dat voor toerekening van schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid plaats is op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegd vertegenwoordigde achterman komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid en waarbij een toedoen van de achterman niet noodzakelijk is (zie bijvoorbeeld HR 3 februari 2012, LJN BU4909). In de onderhavige casus is dat niet het geval. De omstandigheid dat [getuige1] een Duitse advocaat is en dat een advocaat in het algemeen en in het bijzonder in de procesvoering geacht kan worden een toereikende volmacht te hebben om namens zijn cliënt op te treden brengt wel mee dat de advocaat namens zijn cliënt een deel van de dienstverlening aan een andere advocaat kan uitbesteden, maar brengt nog niet zonder meer mee dat de kosten van die uitbestede dienstverlening rechtstreeks aan de cliënt in rekening kunnen worden gebracht. Dit is immers afhankelijk van de afspraken hieromtrent tussen de advocaat en zijn cliënt en Ross Advocaten mocht niet zonder meer erop vertrouwen dat dit tussen [getuige1] en [ged1/eis1verzet] was afgesproken, te meer niet nu in de Nederlandse gedragsregels is vastgelegd dat de financiële consequenties van de opdracht door de advocaat dienen te worden besproken met de cliënt en dat de advocaat aan de cliënt inzicht dient te geven in de wijze waarop en frequentie waarmee hij zijn dienstverlening zal declareren, terwijl dit volgens [getuige1]’s getuigenverklaring ook in Duitsland gebruikelijk is. Ross Advocaten had hier uitdrukkelijk naar moeten vragen en dit moeten bespreken, eerst bij en met [getuige1] - hetgeen niet is gebleken - en naar bevind van zaken later ook nog eens bij en met [ged1/eis1verzet] zelf, hetgeen niet is gebeurd.

2.11. De slotsom is dat Ross Advocaten haar werkzaamheden niet rechtstreeks bij [gedn./eis.verzet] in rekening kan brengen. Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden vernietigd. De vorderingen van Ross Advocaten zullen alsnog worden afgewezen.

2.12. Ross Advocaten zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de verstek- en verzetprocedure worden verwezen. De kosten van het betekenen van het verstekvonnis en van het uitbrengen van de verzetdagvaarding zullen echter op grond van het bepaalde in art. 141 Rv voor rekening van [gedn./eis.verzet] komen, omdat deze kosten een gevolg zijn van het feit dat [gedn./eis.verzet] in eerste instantie niet is verschenen. De door Ross Advocaten te vergoeden kosten aan de zijde van [gedn./eis.verzet] worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- griffierecht 588,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 1.356,00 (3,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.944,00

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. vernietigt het door deze rechtbank op 18 mei 2011 onder zaaknummer / rolnummer 212929 / HA ZA 11-357 gewezen verstekvonnis,

en opnieuw beslissend:

3.2. wijst de vorderingen af,

3.3. veroordeelt [gedn./eis.verzet] in de kosten die zijn veroorzaakt door het aanvankelijk niet verschijnen, aan de zijde van Ross Advocaten begroot op nihil voor de kosten van de betekening van het verstekvonnis,

3.4. veroordeelt Ross Advocaten in de overige kosten van de verstekprocedure, aan de zijde van [gedn./eis.verzet] tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de overige kosten van de verzetprocedure, aan de zijde van [gedn./eis.verzet] tot op heden begroot op € 1.944,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2012.