Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX6816

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
208092
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Algemene voorwaarde; gevolgschade; schadebeperking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 208092 / HA ZA 10-2275

Vonnis van 15 augustus 2012

in de zaak van

[eiser],

handelende onder de naam [handelsnaam].,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. P.B. Link te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

T & G WOOD INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Barneveld,

gedaagde,

advocaat mr. D.A. Wahid-Manusama te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en T & G genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 mei 2012

- de akte van 13 juni 2012 van [eiser]

- de akte met een productie van 27 juni 2012 van T & G.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Gelet op het geoordeelde in r.o. 2.8. van het tussenvonnis van 16 mei 2012 staat thans vast dat de door T & G gehanteerde algemene voorwaarden in de verhouding tussen haar en [eiser] van toepassing zijn. Voorts staat op grond van voornoemd tussenvonnis (r.o. 2.22.) vast dat T & G zich jegens [eiser] kan beroepen op diens verplichting tot schadebeperking omdat niet bewezen geacht kan worden dat T & G wist van het verzoek om een voorlopig deskundigenbericht, het rapport van deskundige [deskundige] en het voornemen van [eiser] om aan [betrokkene1] te betalen hetgeen zij thans van T & G vordert.

Partijen hebben zich hierover uitgelaten. De rechtbank komt, mede gelet op het gestelde in de hiervoor onder 1.1. genoemde aktes, tot het volgende oordeel.

2.2. T & G was op grond van artikel 11.2 van haar algemene voorwaarden, voor zover hier van belang, gehouden om ofwel het geleverde product te vervangen voor zover het gebrekkig was ofwel aan [eiser] de kostprijs van het geleverde product te betalen. De keuze voor één van beide mogelijkheden was aan T & G.

2.3. De rechtbank acht voldoende onderbouwd dat T & G in mei 2007 is overgegaan tot uitvoering van deze verplichting uit hoofde van de algemene voorwaarden. T & G heeft de vloer geïnspecteerd en tenminste aangeboden de delen daarvan die een gebrek vertoonden na te leveren. T & G stelt die nalevering ook te hebben verricht, namelijk, op uitdrukkelijk verzoek van [eiser], aan Tiroböden. [eiser] heeft dat eerst in zijn laatste akte, van 13 juni 2012, betwist. Eerder in de procedure is van een gemotiveerde betwisting geen sprake geweest. Vooralsnog wordt uitgegaan van het door T & G gedane aanbod tot nalevering.

2.4. T & G heeft voorts aan [eiser], zo is door hem erkend, aangeboden een bedrag te crediteren. Het bedrag zag, zo volgt uit de stellingen van partijen, op de kosten die gemoeid zouden zijn met het aanbrengen door Tiroböden van de door T & G te leveren nieuwe vloerdelen. Die kosten zou [eiser], zo begrijpt de rechtbank, op zijn beurt aan Tiroböden moeten voldoen. De rechtbank acht op grond van de door T & G bij haar akte van 13 juli 2011 als productie 1 en 2 overgelegde brieven voldoende onderbouwd T & G en de destijds voor [eiser] optredende advocaat, dr. M. Leitner, namens [eiser] overeenstemming hebben bereikt over de hoogte van dat bedrag, te weten € 1.500,00. Ook dit gebeurt in mei 2007, de laatste brief dateert van 21 mei.

Door [eiser] wordt betwist dat het bedrag van € 1.500,00 door T & G aan hem is betaald of gecrediteerd, zodat de vordering in de onderhavige procedure van [eiser] jegens T & G niet reeds op een finale kwijting afstuit, doch deze omstandigheid speelt naar het oordeel van de rechtbank wel een rol in de verdere beoordeling.

2.5. Aldus bestond in mei 2007 de situatie dat T & G meende, en naar het oordeel van de rechtbank ook mocht aannemen, jegens [eiser] aan de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van de algemene voorwaarden te hebben voldaan. Aangeboden was de gebrekkige vloerdelen na te leveren en voorts was in het aanbrengen daarvan voorzien, door de creditering aan [eiser], feitelijk op kosten van T & G. Daarmee had T & G naar het oordeel van de rechtbank gedaan waarvan zij kon voorzien dat het op grond van de overeenkomst en de daarop toepasselijke algemene voorwaarden van haar mocht worden verwacht ingeval van een tekortkoming, een en ander als bedoeld in artikel 74 CISG, tweede zin.

2.6. Gelet op de uitkomst van de bewijslevering op het punt van de wetenschap van

T & G van de door [eiser] nadien genomen stappen en gevoerde procedures staat vast dat het eerste dat T & G nadien verneemt van de kwestie is dat zij bijna twee jaar later, op 21 maart 2009, door [betrokkene1] in rechte wordt betrokken. Vaststaat dat T & G met [betrokkene1] in die procedure een schikking heeft getroffen ten bedrage van € 6.874,00, naar zij stelt tegen finale kwijting terzake van het gehele geschil. [eiser] stelt dat louter de gevolgschade met het schikkingsbedrag is afgedaan. Geen van beide stellingen is zodanig onderbouwd dat daarvan kan worden uitgegaan, maar de betaling door T & G aan [betrokkene1] staat wel vast.

2.7. [eiser] had naar het oordeel van de rechtbank de mogelijkheid om de schade te beperken tot hetgeen T & G tenminste heeft aangeboden te vergoeden door het naleveren van de gebrekkige vloerdelen en een creditering ter hoogte van de kosten voor het aanbrengen daarvan. De gevolgschade voor [betrokkene1] is door T & G rechtstreeks in die verhouding afgehandeld door betaling van het schikkingsbedrag.

[eiser] heeft echter nagelaten zijn schade op bedoelde wijze te beperken door T & G niet op de hoogte te brengen van hetgeen er tussen mei 2007 en maart 2009 speelde. Zijn vordering in deze procedure is ook niet gericht op het verkrijgen van hetgeen waartoe T & G op grond van de algemene voorwaarden gehouden is, doch op vergoeding van het door [eiser] zelf aan [betrokkene1] betaalde bedrag.

2.8. T & G wordt in deze procedure aldus geconfronteerd met het voldongen feit dat [eiser] het van hem door [betrokkene1] gevorderde bedrag heeft betaald op grond van de bevindingen van deskundige [deskundige] die door T & G gemotiveerd worden betwist. Door voornoemd nalaten van [eiser] zijn de door T & G genoemde aanmerkingen op zowel de persoon van de deskundige als de inhoud van diens rapport niet in de procedure jegens [betrokkene1] betrokken.

2.9. Uit de getuigenverklaring van zijn voormalige advocaat T. Angkawidjaja valt af te leiden dat [eiser] de betaling aan [betrokkene1] kennelijk heeft gedaan met in het achterhoofd de mogelijkheid om regres te nemen op T & G. Mogelijk is daarin ook de reden gelegen dat hij niet meer heeft gedaan om het ertoe te leiden dat T & G zich in het geschil met [betrokkene1] en Tiroböden zou mengen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan [eiser] echter geen regres nemen nu het gelet op het vorenstaande voor zijn eigen rekening en risico komt dat hij aan [betrokkene1] het van hem gevorderde bedrag heeft betaald in plaats van de schade te beperken tot hetgeen door T & G is aangeboden. De vordering moet gezien dat oordeel op grond van artikel 77 CISG worden verminderd met het deel dat bij voldoende mate van schadebeperking uitgebleven zou zijn. Gelet op het vorenstaande is dat naar het oordeel van de rechtbank al hetgeen [eiser] in deze procedure in hoofdsom van T & G vordert, namelijk het door hem aan [betrokkene1] betaalde bedrag. De vordering in hoofdsom wordt derhalve in zijn geheel afgewezen. Dat leidt eveneens tot afwijzing van de gevorderde handelsrente en buitengerechtelijke kosten.

2.10. [eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Deze worden aan de zijde van T & G begroot op:

- betaald griffierecht € 1.165,00

- salaris advocaat € 2.260,00 (3,0 punt × factor 1,0 + 4,0 punten × factor 0,5 × tarief × € 452,00)

Totaal € 3.425,00

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vordering af,

3.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van T & G tot op heden begroot op € 3.425,00,

3.3. verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2012.