Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX6370

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
04-09-2012
Zaaknummer
224912
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg bonusovereenkomst. Geen reden voor wijziging van de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 224912 / HA ZA 12-20

Vonnis van 15 augustus 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.L.T. van Vught te Groenekan,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. P.A.C. van Buul te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 maart 2012,

- de aanvullende producties 12 t/m 15 van de zijde van [eiser],

- het proces-verbaal van comparitie van 4 juni 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] en [gedaagde] waren in 2005 beiden werknemer van de vennootschap Mobius Management Systems Benelux B.V. (hierna te noemen Mobius) in een commerciële functie. [eiser] was ‘regional manager’, [gedaagde] was ‘account manager’ (een lagere functie dan die van [eiser]). In 2005 hebben [eiser] en [gedaagde] tezamen een licentieovereenkomst tot stand gebracht tussen ABN Amro Bank N.V. en Mobius (hierna te noemen de ABN Amro transactie). Als gevolg van deze transactie hadden zowel [eiser] als [gedaagde] op grond van de wereldwijde bonusregeling van Mobius recht op bonusbetaling. Partijen zijn daarop overeengekomen, ten einde een in totaal zo groot mogelijke bonusbetaling te genereren, dat alle omzet van de ABN Amro transactie wat betreft de bonusregeling aan [gedaagde] werd toegerekend en dat achteraf de voor de ABN Amro transactie aan [gedaagde] toegekende commissie in een verhouding van 50% : 50% tussen hen zou worden verdeeld (hierna te noemen de bonusovereenkomst).

2.2. Mobius zou het bonusbedrag, dat zij over de ABN Amro transactie aan [gedaagde] verschuldigd was, in vijf jaarlijkse termijnen over de jaren 2005 tot en met 2009 aan hem voldoen.

2.3. Partijen hebben de betalingen van [gedaagde] aan [eiser] vorm gegeven op de volgende wijze. In april of mei 2006 heeft [gedaagde] op zijn naam een spaarrekening bij de ING bank N.V. geopend (hierna de ING-rekening), waarop hij de helft van het netto door hem te ontvangen bedrag zou overmaken en waarvan [eiser] bedragen af kon halen met behulp van een hem ter beschikking gestelde bankpas.

2.4. Nadat Mobius de eerste twee termijnen aan [gedaagde] had voldaan, hebben partijen de eerder mondeling overeengekomen bonusovereenkomst op schrift gesteld. De door partijen ondertekende overeenkomst d.d. 8 december 2006 vermeldt het volgende:

“ABN Amro Commissie overeenkomst

Hierbij bevestig ik, MWHA [gedaagde], dat het nog uitstaande commissie bedrag van het ABN Amro contract van april 2005 zal delen met E. [eiser] met een 50-50 verdeling.

De nog uitstaande betalingen van ABN Amro aan Mobius zullen omstreeks januari 2007, januari 2008 en januari 2009 plaatsvinden. Op het moment dat ABN Amro het licentie bedrag heeft betaald, zal Mobius de uitstaande commissie aan MWHA [gedaagde] overmaken, op dat moment zal MWHA [gedaagde] 50% van dit bedrag ter beschikking stellen aan E. [eiser].

In het geval dat Mobius alsnog besluit de uistaande commissie bedragen, van het ABN Amro contract, te storten in een Escrow agreement, zal bij betaling vanuit de escrow naar MWHA [gedaagde] ook 50% van deze betaling ter beschikking worden gesteld aan E. [eiser].

Mocht om enige reden de betaling van de commissie niet plaatsvinden dan zal er ook geen betaling richting E. [eiser] plaatsvinden.

Bij overlijden van MWHA [gedaagde] zal bovenstaande regeling worden overgedragen op de rechtmatige erfgename van MWHA [gedaagde], de erfgenamen zijn verplicht deze regeling te blijven uitvoeren. Bij overlijden van E. [eiser] zal betaling van de 50% commissie zoals hierboven beschreven plaatsvinden aan de rechtmatige erfgenamen van E. [eiser].”

2.5. De eerste drie termijnen heeft Mobius aan [gedaagde] voldaan. De helft van de drie door [gedaagde] ontvangen netto bedragen heeft [gedaagde] conform afspraak tussen partijen telkens op de ING-rekening gestort en aldus aan [eiser] ter beschikking gesteld.

2.6. Nadat Mobius in april 2007 was overgenomen door Allen Systems Group Inc. (hierna te noemen ASG) ontstond er in 2008 een geschil tussen ASG en [gedaagde] over de betaling van de laatste twee termijnen van ieder € 142.174,50 aan [gedaagde]. Over dit geschil heeft [gedaagde] tegen Mobius en ASG een gerechtelijke procedure gevoerd in twee instanties, waarin [gedaagde] in het gelijk is gesteld.

2.7. De advocaatkosten aan de zijde van [gedaagde] voor deze gevoerde procedures bedragen in totaal € 67.925,56. De ouders van [gedaagde] hebben aan [gedaagde] een lening voor de kosten van de rechtsbijstand gegeven waarvoor hij een rente ad € 384,53 aan hen verschuldigd is. Met betrekking tot de advocaatkosten van de gevoerde procedures zijn [eiser] en [gedaagde] bij onderhandse akte, gedateerd 5 januari 2009 maar door partijen getekend in maart 2009, het volgende overeengekomen:

“Hierbij verklaart de heer E. [eiser] alle advocaatkosten met betrekking tot de ABN Amro provisie overeenkomst vanaf 1 september 2008 voor 50 (vijftig) % te zullen dragen.

De kosten zullen in eerste instantie door de heer M.W.H.A. [gedaagde] worden betaald maar zo snel mogelijk door de heer E. [eiser] worden terug betaald. Op het verschuldigde bedrag zal een rente van 4% per jaar in rekening worden gebracht.

Indien de zaak in het voordeel van de heer M.W.H.A. [gedaagde] wordt uitgesproken zal het deel van de advocaatkosten dat de heer E. [eiser] nog verschuldigd is aan de heer M.W.H.A. [gedaagde] worden verrekend met de uitstaande ABN Amro provisie tegoed.

Indien de zaak niet in het voordeel van de heer M.W.H.A. [gedaagde] wordt uitgesproken zal de heer E. [eiser] binnen 1 jaar na de uitspraak de verschuldigde advocaatkosten aan de heer M.W.H.A. [gedaagde] voldoen.

Alle rekeningen die de heer M.W.H.A. [gedaagde] ontvangt met betrekking tot de ABN Amro provisie zaak zullen aan de heer E. [eiser] beschikbaar worden gesteld en goedgekeurd voordat de heer M.W.H.A. [gedaagde] deze kosten zal voldoen.”

2.8. Het vonnis van de rechtbank Utrecht, sector kanton locatie Utrecht, d.d. 2 september 2009 betreffende het voornoemd geschil luidt, voor zover van belang:

“(…)

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

Veroordeelt Mobius en ASG hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan [gedaagde] tegen bewijs van kwijting te betalen:

1. € 284.349,00 ter zake de hoofdsom;

2. te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20 procent;

3. te vermeerderen met de wettelijke rente over € 142.174,50, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 20 procent, vanaf 29 augustus 2008 tot de dag der algehele voldoening;

4. te vermeerderen met de wettelijke rente over € 142.174,50, vanaf 1 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening;

5. te vermeerderen met de wettelijke rente over de wettelijke verhoging over € 142.174,50, vanaf 5 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Mobius en ASG tot hoofdelijke betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], die van het gelegde beslag daaronder begrepen, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 4.197,65 waarin begrepen € 3.600,00 aan salaris gemachtigde;

(…)

in reconventie

veroordeelt Mobius en ASG tot hoofdelijke betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 800,00 aan salaris gemachtigde;

(…)”

2.9. [gedaagde] heeft van Mobius een salarisspecificatie d.d. 21 september 2009 ontvangen. Deze specificatie vermeldt:

2.10. [gedaagde] heeft op 22 september 2009 via de bankrekening van de Stichting Derdengelden van zijn advocaat een bedrag van € 185.369,18 van Mobius ontvangen. Uit dit bedrag zijn twee openstaande rekeningen van [gedaagde]s advocaat betaald en is de lening van de ouders van [gedaagde] onder vergoeding van rente afgelost. Het restant is op een bankrekening van [gedaagde] geparkeerd in afwachting van (de uitkomst van) het hoger beroep. Dit alles had de instemming van [eiser].

2.11. Bij de stukken bevindt zich een e-mailuitwisseling tussen [eiser] en [gedaagde] van 9 augustus 2010, waarin het volgende staat opgenomen:

“Van: E. [eiser] (…)

Verzonden: Monday, august 09, 2010 4:27 PM

Aan: ‘milirova’

Onderwerp: RE: Contact

Voeg hem aan de stapel toe!

Conform afspraak zijn de lusten en de lasten 50-50 / geen probleem.

Betaling facturen zijn wat mij betreft akkoord.

Mochten er vragen, op/ of aanmerkingen zijn, dan kan je mijn altijd bellen.

Groet,

Evert

Van: milirova (…)

Verzonden: maandag 9 augustus 2010 12:07

Aan: ‘Evert [eiser]’

Onderwerp: Contact

Evert,

Heb je nu een aantal keren verzocht te reageren maar krijg geen reactie van je. Weet niet precies wat de reden hiervan is maar ik wil je bij deze het volgende mededelen.

Ik wacht tot en met woensdag 9 augustus 2010 op een reactie van je anders ga ik er vanuit dat je niets meer met deze zaak te maken wilt hebben en ik zal vanaf deze datum dan

alle lusten en lasten voor mijn rekening nemen.

Hoor ik wel wat van je dan zal ik je vragen een document te tekenen waar je in aangeeft 50% van alle kosten te dragen die bij een eventueel verlies van de ABN zaak naar voren komen, deze zullen

Bij een verlies direct opeisbaar door mij moeten zijn aangezien ASG het zelfde bij mij zal doen.

Gr,

Michiel”

2.12. Het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft ter zake van voornoemd geschil op 23 augustus 2011 arrest gewezen, inhoudende:

“(…)

5. De beslissing’

Het hof recht doende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) van 2 september 2009;

veroordeelt Mobius en ASG in de kosten van het principaal hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 13.052,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 262,- voor griffierecht;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Mobius en ASG begroot op € 1.631,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

(…)”

Het arrest is op 23 november 2011 onherroepelijk geworden.

2.13. Bij brief van 1 december 2011 heeft [gedaagde] aan [eiser] geschreven dat hij, na onder andere aftrek van de advocaatkosten en gezien het verschil in basisinkomen en wegens het ontbreken van steun van [eiser] in de gevoerde procedure, geen betalingsverplichting meer jegens [eiser] heeft. In bijlage 3 van deze brief staat vermeld dat [gedaagde] in 2004/2005 netto per jaar € 32.605,00 verdiende en [eiser] netto

€ 110.000,00.

2.14. Bij brief van 7 december 2011 heeft [eiser] aan [gedaagde] bericht dat hij een bruto bedrag van € 86.706,73 aan hem verschuldigd is en hem verzocht dit bedrag naar zijn rekening over te maken.

2.15. Bij brief van 19 december 2011 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd om uiterlijk op 22 december 2011 het bedrag van € 86.706,73 aan [eiser] te betalen.

2.16. Na een verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2011, heeft [eiser] op 13 december 2011 ten laste van [gedaagde] een drietal conservatoire derdenbeslagen doen leggen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

- € 86.987,90 (bruto), vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 december 2011,

- een vergoeding van 2% over het bedrag van € 86.987,90, vanaf 25 september 2009, zijnde de vruchten over het aandeel van [eiser] in de tussen partijen bestaande gemeenschap,

- € 2.047,42 als vergoeding voor de kosten van beslaglegging,

- € 523,60 wegens buitengerechtelijke incassokosten,

- de proceskosten.

3.2. [eiser] specificeert de hoofdsom van € 86.987,90 als volgt:

ontvangen bedrag van Mobius / ASG: + € 185.369,18

facturen advocaat: -/- € 67.925,56

proceskostenveroordeling Mobius / ASG: + € 11.683,00

rente ouders [gedaagde]: -/- € 384,53

te verdelen: € 128.742,09

[gedaagde] netto: € 41.754,19

[eiser] netto: € 41.754,19

[eiser] 52% inkomstenbelasting: € 45.233,71

[eiser] bruto: € 86.987,90

3.3. [gedaagde] voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [gedaagde] heeft allereerst aangevoerd dat hij helemaal geen betaling aan [eiser] verschuldigd is. Volgens hem maakt de wijze waarop in het verleden uitvoering is gegeven aan de bonusovereenkomst dat er sprake is van een nietige overeenkomst. [eiser] heeft namelijk verzuimd de eerder door hem van [gedaagde] ontvangen bedragen te betrekken in zijn aangifte inkomstenbelasting, wat in strijd is met dwingendrechtelijke bepalingen van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), aldus [gedaagde]. [eiser] betwist dat de bonusovereenkomst nietig is. De omstandigheid dat hij de door hem van [gedaagde] ontvangen bedragen niet heeft opgegeven bij zijn aangifte IB is daarvoor volgens hem onvoldoende.

4.2. Het verweer dat de bonusovereenkomst nietig is wegens strijd met een dwingende wetsbepaling wordt verworpen. De afspraak de ABN Amro transactie geheel aan [gedaagde] toe te rekenen en de door [gedaagde] te verkrijgen bonus bij helfte te delen, is op zichzelf bezien niet in strijd met enige dwingende wetsbepaling, ook niet in strijd met enige dwingende bepaling van de Wet IB 2001. Indien [eiser] op grond van de Wet IB 2001 over de door hem ontvangen helft van de (netto)bonus van [gedaagde] inkomstenbelasting verschuldigd is, is het ontduiken daarvan weliswaar in strijd met een dwingende wetsbepaling, maar [eiser] was op grond van die overeenkomst niet gehouden de op hem rustende belastingplicht te ontduiken.

4.3. [gedaagde] is dus in beginsel – behoudens zijn beroep op wijziging van de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden, waarover hierna meer - gehouden de bonusovereenkomst na te komen. In verband daarmee rijst dan de vraag of die gehoudenheid meebrengt dat [gedaagde] de helft van hetgeen hij netto ontvangen heeft aan [eiser] betaalt, dan wel - zoals [eiser] bepleit - een zodanig bedrag dat beide partijen netto hetzelfde overhouden. Volgens [eiser] was de strekking van de afspraak dat partijen er evenveel aan over zouden houden en dient de bonusovereenkomst dan ook zo uitgelegd te worden. [gedaagde] betwist dat partijen waren overeengekomen dat zij allebei netto hetzelfde over zouden houden en stelt zich op het standpunt dat de verdeling van de laatste twee termijnen op dezelfde wijze uitgevoerd dient te worden als bij de eerste drie bonusbedragen geschiedde. Volgens hem was het de verantwoordelijkheid van [eiser] zelf om al dan niet zijn deel op te geven bij de fiscus.

4.4. Ter beoordeling ligt voor of de bonusovereenkomst moet worden uitgelegd op de door [eiser] voorgestane wijze. Daarbij geldt dat niet alleen moet worden gekeken naar de tekst van de overeenkomst. Het komt daarnaast ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

4.5. In de tekst van de overeenkomst kan de rechtbank geen aanknopingspunten vinden voor de door [eiser] voorgestane uitleg. Een zuiver tekstuele uitleg van de bonusovereenkomst brengt namelijk mee dat [gedaagde] jegens [eiser] enkel een betalingsverplichting heeft voor 50 % van het door hem ontvangen netto commissiebedrag. De rechtbank is evenmin gebleken van verklaringen of gedragingen aan de zijde van [gedaagde] die de door [eiser] voorgestane uitleg rechtvaardigen. De gedragingen en verklaringen van partijen vallen juist eerder te verenigen met de door [gedaagde] voorgestane uitleg. Ter comparitie van partijen is gebleken dat partijen de schriftelijke overeenkomst pas hebben opgesteld nadat zij achter de fiscale consequenties waren gekomen. Partijen hebben bij het opstellen van de schriftelijke overeenkomst evenwel niets over ‘het evenveel overhouden na betaling van belasting’ bepaald, wat wel voor de hand had gelegen en van partijen verwacht mocht worden als dit hun bedoeling was geweest. [gedaagde] heeft nadat partijen achter de fiscale consequenties waren gekomen driemaal 50 % van het door hem ontvangen netto commissiebedrag middels de ING-rekening aan [eiser] overgemaakt, terwijl gesteld noch gebleken is dat [eiser] daartegen heeft geprotesteerd. Gelet op het door [eiser] zonder protest in ontvangst nemen van die bedragen mocht [gedaagde] erop vertrouwen dat hij steeds de juiste bedragen - waartoe hij uit hoofde van de bonusovereenkomst verplicht was - aan [eiser] ter beschikking stelde. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] niet gevolgd kan worden in de door hem voorgestane uitleg van de overeenkomst en dat [gedaagde] jegens [eiser] uit hoofde van de bonusovereenkomst een betalingsverplichting heeft van 50 % van het door hem ontvangen netto commissiebedrag.

4.6. [gedaagde] heeft de vordering verder bestreden met de stelling dat er sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat ongewijzigde instandhouding van de bonusovereenkomst op grond van artikel 6:258 BW niet van hem kan worden verwacht. Partijen hebben volgens hem niet voorzien dat er geprocedeerd diende te worden over de bonusregeling. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] hem niet bijgestaan bij het voeren van de procedures en ook niet bijgedragen aan de kosten daarvan. [gedaagde] stelt dat hij in zijn eentje alle risico’s liep. [gedaagde] stelt daarbij dat partijen ook nooit gesproken hebben over de proceskosten van de wederpartij die hij bij verlies van de procedures zou moeten dragen. Gelet hierop, mede in het licht van het aanzienlijk verschil in basisinkomen, acht [gedaagde] het ‘onbestaanbaar dat [eiser] nog bij hem komt aankloppen’. [gedaagde] acht dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Subsidiair stelt [gedaagde] dat hij van [eiser] een redelijke vergoeding kan vorderen voor de door hem persoonlijk ten behoeve van de procedures verrichte werkzaamheden.

4.7. [eiser] betwist er sprake is van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW. Hij weerspreekt dat hij niet betrokken is geweest bij de gevoerde procedures. Partijen hadden volgens hem in januari 2009 afgesproken dat hij de helft van de kosten van de procedure zou dragen, ook in het geval dat [gedaagde] in het ongelijk zou worden gesteld. [eiser] stelt dat hij dit bij e-mailbericht aan [gedaagde] nog heeft bevestigd. [eiser] stelt verder dat hij nooit enig signaal van [gedaagde] heeft ontvangen dat hij niet zou betalen als hij in de gevoerde procedures in het gelijk zou worden gesteld. Ten slotte betwist [eiser] dat hij een vergoeding aan [gedaagde] verschuldigd is voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de procedures, aangezien partijen daar niets over hebben afgesproken.

4.8. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van [gedaagde] dat hij zich op het standpunt stelt dat de bonusovereenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in artikel 6:258 BW aldus gewijzigd dient te worden dat de betalingsverplichting van [gedaagde] komt te vervallen, althans dat [gedaagde] van [eiser] een redelijke vergoeding voor de door hem verrichte werkzaamheden voor de procedures verkrijgt. Bij de beoordeling hiervan geldt het volgende uitgangspunt. Artikel 6:258 lid 1 BW bepaalt dat de rechter op verlangen van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst kan wijzigen dan wel deze geheel of gedeeltelijk kan ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Een wijziging of ontbinding wordt niet uitgesproken, aldus het tweede lid van dit artikel, voor zover de omstandigheden krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening komen van degene die zich erop beroept. Onder onvoorziene omstandigheden worden verstaan omstandigheden die zich na het sluiten van de overeenkomst hebben voorgedaan en die partijen niet (uitdrukkelijk of stilzwijgend) in hun overeenkomst hebben verdisconteerd. De omstandigheden moeten van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan dit vereiste zal niet spoedig zijn voldaan; redelijkheid en billijkheid verlangen immers in de eerste plaats trouw aan het gegeven woord en laten afwijking daarvan slechts bij hoge uitzondering toe. Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechter terughoudendheid moet betrachten ten aanzien van de aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden (HR 20 februari 1998, NJ 1998, 493).

4.9. Dat partijen bij het aangaan van de bonusovereenkomst niet hadden voorzien dat er geprocedeerd moest over de bonusregeling, blijkt behalve uit de stellingen van partijen ook uit de tekst van de schriftelijke bonusovereenkomst. In zoverre was er dan ook sprake van onvoorziene omstandigheden. De nadelige gevolgen voor [gedaagde] van het onvoorziene procederen zijn dat hij proceskosten moest maken en dat hij het risico liep om veroordeeld te worden tot vergoeding van de proceskosten van de wederpartij. De rechtbank is echter van oordeel dat [gedaagde], in het licht van de gemotiveerde betwisting van [eiser], onvoldoende heeft onderbouwd dat alleen hij uiteindelijk het risico op proceskostenveroordeling liep en dat [eiser] niet zou bijgedragen aan de door hem gemaakte proceskosten. Gelet op de aanvullende overeenkomst van 5 januari 2009 (zie r.o. 2.7.) in samenhang met e-mailuitwisseling van 9 augustus 2010 (zie r.o. 2.11) kan worden geconcludeerd dat partijen over deze onvoorziene omstandigheden achteraf afspraken hebben gemaakt. Partijen waren daarmee namelijk overeengekomen dat zij ieder een gelijk deel van de proceskosten(veroordeling) zouden dragen. De onvoorziene omstandigheden zijn dus achteraf in een overeenkomst tussen partijen verdisconteerd, zodat voor wijziging van de overeenkomst op grond van artikel 6:258 BW geen reden is.

4.10. [gedaagde] kan [eiser] ook niet tegenwerpen dat hij hem - daargelaten of dat juist is - verder niet heeft bijgestaan in de procedures. Indien het ‘zonder bijstand’ voeren van de procedure voor [gedaagde] een onoverkoombaar risico zou vormen, had het op zijn weg gelegen om een beroep te doen op [gedaagde] of hierover met hem afspraken te maken. Uit de door [eiser] overgelegde emailcorrespondentie over de jaren 2008 tot en met 2011 blijkt overigens dat [eiser] wel degelijk betrokken is geweest bij en meegedacht heeft over de procedure tegen Mobius en ASG. Dat zijn inspanningen wellicht geringer zijn geweest dan die van [gedaagde] is onvoldoende grond voor het oordeel dat de overeenkomst op grond van onvoorziene omstandigheden dient te worden gewijzigd, mede gezien de daarbij in acht te nemen terughoudendheid.

4.11. Voor zover [gedaagde] heeft betoogd dat het verschil in basissalaris van partijen is aan te merken als een onvoorziene omstandigheid in de zin van artikel 6:258 BW, faalt dit betoog reeds om de reden dat niet is gesteld of is gebleken dat het verschil in basissalaris pas na het sluiten van de bonusovereenkomst is ontstaan. Met dit gegeven waren de partijen bij het aangaan van de bonusovereenkomst bekend. Geconcludeerd wordt dan ook dat [gedaagde] op grond van artikel 6:258 BW niet kan verlangen dat de bonusovereenkomst zo wordt gewijzigd dat de betalingsverplichting van hem jegens [eiser] komt te vervallen of dat [eiser] jegens hem een vergoeding verschuldigd is.

4.12. Voor zover [gedaagde] zich voorts heeft bedoeld te beroepen op het bepaalde in artikel 6:248 BW, door te stellen dat het - gelet op het verschil in basisinkomen - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [gedaagde] thans nog een betalingsverplichting uit hoofde van de bonusovereenkomst jegens [eiser] heeft, gaat de rechtbank daaraan voorbij, omdat [gedaagde] ter onderbouwing van deze stelling onvoldoende heeft aangevoerd. Bovendien heeft [gedaagde] bij de comparitie van partijen verklaard dat het aanvankelijk niet de bedoeling van partijen was om in evenredigheid tot de commissie te delen ten opzichte van hun basisinkomen. Indien het subsidiair door [gedaagde] ten verwere gestelde aldus begrepen moet worden dat hij zich beroept op verrekening in de zin van artikel 6:127 BW, geldt ook ten aanzien hiervan dat een deugdelijke onderbouwing ontbreekt. [gedaagde] heeft immers nagelaten te onderbouwen op grond waarvan hij meent een vordering ter verrekening op [eiser] te hebben. Ten overvloede wordt opgemerkt dat ook in het geval dat [gedaagde] een opeisbare tegenvordering op [eiser] zou hebben en bevoegd zou zijn zich op verrekening te beroepen, dat beroep op grond van het bepaalde in artikel 6:136 BW zou worden gepasseerd, omdat [gedaagde] niet heeft aangegeven wat de omvang van zijn tegenvordering is.

4.13. De partijen zijn verder nog verdeeld over de vraag of ook de wettelijke verhoging en de wettelijke rente bij helfte moeten worden verdeeld. Volgens [eiser] dienen de door de kantonrechter aan [gedaagde] toegekende bedragen ten aanzien van de wettelijke verhoging van 20% en wettelijke rente - welke bedragen in het bedrag van € 185.369,18 zijn opgenomen - tussen partijen te worden verdeeld en zijn deze nevenvorderingen niet verknocht omdat de commissie materieel voor beiden als arbeidsbeloning gold en partijen samen in de procedure hebben gestaan en de proceskosten hebben gedeeld. [gedaagde] betwist dat [eiser] recht heeft op de helft van deze twee posten. Deze posten zijn volgens [gedaagde] namelijk persoonlijk verknochte rechten die enkel aan hem toekomen. Deze posten zijn verder niet te kwalificeren als ‘commissiebedragen’ en hoeven, nu partijen dat niet zijn overeengekomen, ook niet verdeeld te worden, aldus [gedaagde].

4.14. Ook deze kwestie betreft een uitleg van de overeenkomst. De partijen hebben hierover geen schriftelijke afspraken gemaakt. Zij hebben ook geen stellingen aangevoerd die, indien vaststaand, zouden meebrengen dat zij afspraken hebben gemaakt over de vraag of de wettelijke rente en wettelijke verhoging bij de verdeling moet worden betrokken. Deze vraag dient dus te worden beslist met inachtneming van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (zie artikel 6:248 lid 1 BW). Daarover wordt als volgt overwogen.

4.15. Voor wat betreft de wettelijke rente is de rechtbank van oordeel dat ook die bij helfte moet worden verdeeld. Wettelijke rente betreft een gefixeerde schadevergoeding voor vertraging in de voldoening van een geldsom. Uit de bonusovereenkomst is duidelijk dat [gedaagde] gehouden was de helft aan [eiser] uit te keren op het moment dat hij de bonus had ontvangen. De schade die [gedaagde] heeft geleden door de vertraging in de bonusbetaling door Mobius, ziet dus op de helft van die bonus, terwijl [eiser] ook schade heeft geleden door die vertraging, namelijk voor wat betreft zijn helft van de bonus. Aan de andere kant heeft [eiser] voor de helft het risico gedragen van de kosten van juridische bijstand voor de procedure en van het proceskostenrisico. Een redelijke uitleg van de bonusovereenkomst brengt dan mee dat ook de wettelijke rente bij helfte wordt verdeeld.

4.16. De wettelijke verhoging is niet zozeer bedoeld als schadevergoeding, maar als prikkel voor de werkgever om het loon op tijd te betalen. De verhoging betreft een percentage van 20% van de hoofdsom. Nu de bonusovereenkomst inhoudt dat de partijen de (netto)bonus bij helft verdelen, brengen de redelijkheid en billijkheid mee dat ook de over de bonus uitgekeerde wettelijke verhoging bij helfte wordt verdeeld. Ook voor [eiser] betreft de helft van de bonus immers materieel een looncomponent.

4.17. Uit de salarisspecificatie van [gedaagde] van 21 september 2009 blijkt dat het netto bedrag van €185.369,18 bestaat uit hoofdsom met wettelijke verhoging en wettelijke rente en een uitbetaling van de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Al deze elementen dienen bij helfte te worden gedeeld, zodat de conclusie is dat [eiser] terecht aanspraak maakt op de helft van dat bedrag.

4.18. Daarnaast vordert [eiser] betaling van de helft van het door [gedaagde] ontvangen bedrag van € 11.683,00 ten aanzien van de proceskostenveroordeling in hoger beroep. [gedaagde] heeft wat dat betreft aangevoerd dat [eiser] ten onrechte het bedrag van de proceskostenveroordeling ad € 11.683,00 bij het bedrag van € 185.369,18 optelt. Uit de salarisspecificatie blijkt volgens hem namelijk dat dat bedrag al in het uitgekeerde bedrag is opgenomen.

4.19. Met het overgelegde vonnis en arrest (zie r.o. 2.8. en 2.12.) staat naar oordeel van de rechtbank vast dat [gedaagde] respectievelijk een bedrag van € 11.683,00 (€ 13.052,00 + € 262,00 - € 1.631,00) voor de door hem in hoger beroep gemaakte proceskosten en een bedrag van € 4.997,65 (€ 4.197,65 + € 800,00) voor de door hem in eerste aanleg gemaakte proceskosten vergoed heeft gekregen. Dit is ook niet door [gedaagde] weersproken. Uit de stellingen van [eiser] maakt de rechtbank op dat hij zich op het standpunt stelt dat hem zowel de helft van de proceskostenvergoeding van het geschil in eerste aanleg als de helft van de proceskostenvergoeding van het geschil in hoger beroep toekomt. Door [gedaagde] is niet weersproken dat de proceskostenvergoedingen in beide instanties voor de helft ten goede dient te komen aan [eiser]. Uit de salarisspecificatie van het bedrag van

€ 185.369,18 volgt - anders dan [gedaagde] betoogt - dat daarin enkel de proceskostenvergoeding van het geschil in eerste aanleg is opgenomen. Dat betekent dat [gedaagde] van het bedrag van € 11.683,00 voor de proceskosten in appel nog de helft aan [eiser] dient af te dragen.

4.20. Dit alles leidt tot de volgende beslissing. Toegewezen zal worden een bedrag van

€ 64.371,05 (namelijk de helft van het op p. 6 van de inleidende dagvaarding berekende bedrag van € 128.742,09, bestaande uit een som van hoofdsom, daarvan af te trekken advocaatkosten en rente ouders [gedaagde] en daarbij op te tellen proceskostenveroordeling in hoger beroep ten laste van ASG). Daar [gedaagde] vanaf 22 december 2011 in verzuim is geraakt (zie r.o. 2.15.), zal de wettelijke rente over de hoofdsom per die datum - conform vordering - worden toegewezen.

4.21. [eiser] heeft verder een vergoeding van 2% gevorderd over het toe te wijzen bedrag vanaf 25 september 2009, op de grond dat de door [gedaagde] ontvangen bonus onderdeel is van een tussen partijen bestaande gemeenschap, zodat ook [eiser] aanspraak kan maken op de in die gemeenschap vallende vruchten, te weten het rentevoordeel. [gedaagde] betwist voorts de stelling van [eiser] dat het aan [gedaagde] betaalde bedrag deel uitmaakt van een gemeenschap tussen partijen en dat hij derhalve een vergoeding van 2% aan [eiser] is verschuldigd.

4.22. Ten aanzien hiervan geldt dat een gemeenschap aanwezig is wanneer één of meer goederen - dat wil zeggen zaken en/of vermogensrechten - toebehoren aan twee of meer deelgenoten gezamenlijk (artikel 3:166 BW). Het feit echter dat [eiser] uit hoofde van de bonusovereenkomst een vordering op [gedaagde] heeft ten aanzien van een deel van het door [gedaagde] ontvangen bedrag, betekent nog niet dat het door [gedaagde] ontvangen bedrag toebehoort aan [eiser] en [gedaagde] gezamenlijk. De aanname van [eiser] dat sprake is van een gemeenschap gaat dus niet op. Daarvoor is onvoldoende gesteld. Dit heeft tot gevolg dat de vordering van [eiser] voor zover deze ziet op een vergoeding van 2% over € 86.987,90 zal worden afgewezen.

4.23. [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten ad € 2.047,42. [gedaagde] heeft deze vordering niet betwist. Deze vordering is gelet hierop en op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 1.153,42 voor verschotten en € 894,00 voor salaris advocaat (1 rekest × € 894,00).

4.24. [eiser] heeft ter onderbouwing van de door hem gevorderde buitengerechtelijke incassokosten twee aanmaningsbrieven overgelegd (zie r.o. 2.14. en 2.15). [gedaagde] betwist dat [eiser] een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten toekomt. Hierover wordt als volgt geoordeeld. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-) kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - worden afgewezen. Uit de door [eiser] gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.25. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 76,31

- griffierecht € 821,00

- salaris advocaat € 1.788,00 (2 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.685,31

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 64.371,05 (vierenzestigduizend driehonderdéénenzeventig euro en vijf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van 22 december 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 2.047,42,

5.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.685,31,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2012.

Coll: EM