Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX6366

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
04-09-2012
Zaaknummer
05/980530-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en 120 uur werkstraf voor feitelijk leiding geven aan het meermalen plegen van bedriegelijke bankbreuk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Parketnummer : 05/980530-09

Datum zitting : 16 augustus 2012

Datum uitspraak : 30 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

[bedrijfsnaam 1] B.V. op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 17 augustus 2006 tot en met 12 augustus 2008, in de gemeente(n) Utrecht en/of Nijmegen en/of Beuningen en/of Wijchen en/of Houten en/of (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of een of meer natuurlijke perso(o)n(en), althans alleen, terwijl [bedrijfsnaam 1] B.V. bij vonnis van de rechtbank te Utrecht gedateerd [datum], in staat van faillissement is verklaard, (telkens) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeiser(s),

a) een of meer goederen, te weten de navolgende auto's:

- een Opel Agila (kenteken [kenteken 1]) en/of

- een Opel Agila (kenteken [kenteken 2]) en/of

- een Opel Movano (kenteken [kenteken 3]) en/of

- een Opel Vivaro (kenteken [kenteken 4])

althans een of meer auto's aan de boedel heeft en/of had onttrokken, en/of

b) een of meer baten niet heeft en/of had verantwoord en/of een of meer goederen, te weten geldbedragen, aan de boedel heeft en/of had onttrokken, immers heeft hij een of meer debiteuren van [bedrijfsnaam 1] B.V. doen betalen van een of meer geldvorderingen aan en/of op een bankrekening van [bedrijfsnaam 2] CV, althans aan een ander dan aan [bedrijfsnaam 1] B.V., en/of

c) niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld, immers heeft verdachte geen administratie van [bedrijfsnaam 1] B.V. bijgehouden en/of aan de curator overgelegd,

zulks terwijl hij, verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer ander(en), tot bovenomschreven strafba(a)r(e) feit(en) opdracht heeft gegeven, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedraging(en).

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 16 augustus 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen.

De officier van justitie, mr. J.W. Bollen, heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 100 uren werkstraf subsidiair te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Verdachte heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

De rechtbank is van oordeel dat [bedrijfsnaam 1] B.V. baten niet heeft verantwoord, auto's en geldbedragen aan de boedel heeft onttrokken en geen deugdelijke administratie heeft gevoerd en overlegd aan de curator terwijl de rechtspersoon op [datum] in staat van faillissement was gesteld.

[bedrijfsnaam 1] B.V. is door [naam 1] verkocht aan verdachte op 17 augustus 2006. Vanaf dit moment was verdachte directeur en enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam 1] B.V. Op 18 augustus 2006 is verdachte uitgeschreven als directeur en [naam 2] ingeschreven als directeur. Verdachte bleef enig aandeelhouder. Ter terechtzitting d.d. 16 augustus 2012 heeft verdachte verklaard dat hij vanaf 17 augustus 2006 feitelijk leiding gaf en bleef geven aan de onderneming en op de hoogte was van het feit dat het (financieel) niet goed ging met het bedrijf. Tevens heeft hij verklaard dat hij geen deugdelijke administratie heeft gevoerd en dus ook geen administratie heeft overlegd aan de curator. Uit de verklaring van [naam 1] afgelegd bij de FIOD/ECD volgt dat de Opel Movano en de Opel Vivaro zijn verstrekt aan de koper. Verdachte heeft, naar eigen zeggen, op enig moment gedurende de tenlastegelegde periode beschikking gehad over deze auto's, maar heeft de auto's nooit afgedragen aan de curator.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het onttrekken van de Opel Movano en de Opel Vivaro aan de boedel, het niet voeren van een deugdelijke administratie en het niet overleggen van de administratie conform artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek aan de curator door rechtspersoon [bedrijfsnaam 1] B.V.

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan het onttrekken van geldbedragen aan de boedel en aan het onttrekken aan de boedel van de Opel Agila's. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt niet dat verdachte enige weet had dat deze gedragingen plaatsvonden of dat hij bewust de aanmerkelijke kans hierop heeft aanvaard. Ten aanzien van deze gedragingen zal verdachte als feitelijk leidinggever worden vrijgesproken. Het tezamen en in vereniging feitelijk leidinggeven kan eveneens niet wettig en overtuigend worden bewezen nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende volgt dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de feitelijk leidinggevers van [bedrijfsnaam 1].

Voorts merkt de rechtbank op dat in de tenlastelegging een Opel Movano is opgenomen met kenteken [kenteken 3]. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt echter dat het kenteken van deze auto moet zijn [kenteken 5]. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een kennelijke verschrijving en leest de tenlastelegging op dit onderdeel verbeterd.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

[bedrijfsnaam 1] B.V. op meer tijdstippen in de periode van 17 augustus 2006 tot en met 12 augustus 2008, in de gemeenten Utrecht en Nijmegen en Houten en (elders) in Nederland,

terwijl [bedrijfsnaam 1] B.V. bij vonnis van de rechtbank te Utrecht gedateerd [datum], in staat van faillissement is verklaard, telkens ter bedrieglijke verkorting van de rechten van haar schuldeisers,

a) een of meer goederen, te weten de navolgende auto's:

- een Opel Movano (kenteken [kenteken 5]) en

- een Opel Vivaro (kenteken [kenteken 4])

aan de boedel heeft onttrokken, en

c) niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat artikel bedoeld, immers heeft verdachte geen administratie van [bedrijfsnaam 1] B.V. bijgehouden en aan de curator overgelegd,

zulks terwijl hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven aan boven omschreven verboden gedragingen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op, telkens:

Bedrieglijke bankbreuk, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging,meermalen gepleegd.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

* het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 4 april 2012; en

* een beknopte voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, adviesunit Arnhem-Nijmegen, d.d. 14 maart 2011, betreffende verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk. In het zicht van het faillissement heeft hij als stroman een vennootschap op zijn naam gezet. Vervolgens heeft hij de vennootschap op naam van een medeverdachte gezet maar heeft als aandeelhouder feitelijke zeggenschap behouden. In die periode zijn twee voertuigen aan de boedel onttrokken. Tevens heeft verdachte geen zorg ervoor gedragen dat er een gedegen administratie van de vennootschap werd gevoerd. Dit heeft ervoor gezorgd dat de crediteuren van de vennootschap en de Nederlandse Staat zijn benadeeld.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte een grote rol in het feitencomplex heeft gespeeld. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Ook is de rechtbank van oordeel dat uit de op te leggen straf een generaal, afschrikwekkend signaal moet uitgaan, zoals door de officier van justitie is gerekwireerd.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het bepaalde in artikel 63 Sr, alsmede met een overschrijding van de redelijke termijn. Deze termijn is aangevangen op 7 september 2009 (verhoor van verdachte). Sindsdien tot aan de dag van de uitspraak is bijna drie jaar verstreken. De strafzaak is voor de eerste maal in april 2011 ter terechtzitting behandeld. Dat de behandeling pas in augustus 2012 is voortgezet ligt geheel buiten schuld van verdachte. Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de redelijke termijn dusdanig is geschonden dat hiermee rekening gehouden dient te worden in de strafmaat.

Alles overwegend acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden en een werkstraf voor de duur van 120 uur passend en geboden. Omdat uit zijn strafrechtelijke documentatie blijkt dat verdachte zich veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke feiten, zal de rechtbank een proeftijd van drie jaar opleggen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51, 57, 63 en 341 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf geheel niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Alsmede:

het verrichten van een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op 60 (zestig) dagen.

Aldus gewezen door:

mr. W.A. Holland (voorzitter), mr. J.M. Hamaker en mr. R.M. Maanicus, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. Ruessink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 augustus 2012.