Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX6273

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
08-08-2012
Datum publicatie
31-08-2012
Zaaknummer
206032
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na deskundigenbericht en hetgeen partijen tijdens pleidooien tegen het advies hebben aangevoerd, ziet de rechtbank onder 2.6, 2.7, 2.8, 2.10 en 2.14 nog onduidelijkheden, die tot helderheid moeten komen, teneinde een beslissing te kunnen geven. Daartoe zal zij andermaal een comparitie van partijen gelasten. De comparitie zal worden geconbineerd met een mondelinge toelichting door de deskundigen als bedoeld in artikel 194 lid 5 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 206032 / HA ZA 10-1895

Vonnis van 8 augustus 2012

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres]

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres]

gevestigd te [woonplaats]

eiseressen

procesadvocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem

behandelend advocaat mr. H. Zeilmaker te Nijmegen

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Infrastructuur en Milieu, agentschap Rijkswaterstaat)

zetelend te 's-Gravenhage

gedaagde

advocaat mr. B.S. ten Cate te Arnhem

Eiseressen worden hierna - waar geen afzonderlijke vermelding noodzakelijk is - tezamen in vrouwelijk enkelvoud [eiseres] genoemd en gedaagde de Staat.

1 De procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 maart 2012

- de op 7 mei 2012 in aanwezigheid van de deskundigen gehouden pleidooien, waarvan de pleitnota's zich bij de stukken bevinden

- de na de pleidooien door de deskundigen en door [eiseres] gezonden kostenopgaven en de reactie van de Staat daarop.

1.2 Vervolgens is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1 De rechtbank blijft bij hetgeen zij in haar eerdere in deze zaak gewezen vonnissen heeft overwogen en beslist. Zij verwijst voorts naar de algemene uitgangspunten uit het definitief advies van de deskundigen zoals verwoord op bladzijde 6 en 7 van dat advies en maakt die uitgangspunten tot de hare. Het komt haar juist voor dat de deskundigen wat betreft de meerkosten van compostering met overkapping hebben aangeknoopt bij de investeringen die een redelijk handelend ondernemer daartoe zou maken. De deskundigen hebben met dat doel Ir R. Toornend te Bloemendaal (hierna: Toornend) gevraagd een begroting te maken van de kosten van een bedrijfshal en van de verdere voorzieningen die in verband met een overkapping noodzakelijk zijn. Zijn begroting met toelichting is aan het concept-advies van de deskundigen gehecht. Waar hierna niet anders blijkt volgt de rechtbank de deskundigen waar deze zich baseren op de in de begroting van Toornend gelegen objectieve maatstaf van de redelijk handelend ondernemer.

2.2 De rechtbank zal nu nalopen wat door partijen tijdens de pleidooien op dit punt tegen het advies van de deskundigen is aangevoerd.

2.3 [eiseres] maakt allereerst bezwaar tegen de aftrek die de deskundigen hebben toegepast vanwege de volgens de deskundigen onnodig zware palenfundering van de hal. Daarover staat in het definitief rapport:

“Wat betreft de funderingen van de hal is op grond van de verstrekte informatie met betrekking tot sonderingen van Fugro en het palenplan een nieuwe begroting opgesteld. Uit de verstrekte gegevens blijkt dat voor het funderen van gevels en kolommen in totaal 234 palen van 25 cm x 25 cm met een gemiddelde lengte van 6 m zijn toegepast. Die nadere begroting, die aan dit rapport wordt gehecht, komt tot een bedrag van EUR 42.394. In het concept-rapport is voor de fundering uitgegaan van EUR 152.500 exclusief opslagen, dat is circa EUR 180.000 inclusief opslagen, te weten EUR 115.000 palenfunderingen en EUR 63.450 funderingsconstructies. Het bedrag van EUR 115.000 was indertijd bij gebrek aan geotechnische informatie, gebaseerd op een substantieel zwaardere fundering dan nu blijkt te zijn vereist. Het verschil tussen de oorspronkelijke begroting en de nieuwe begroting bedraagt afgerond EUR 70.000.”

De deskundigen hebben de meerinvestering voor de hal op grond hiervan met € 70.000,- neerwaarts bijgesteld. [eiseres] verzoekt de rechtbank de begroting voor de palen uit het concept-rapport te hanteren althans rekening te houden met de werkelijke door [eiseres] voor de palen gemaakte kosten, zijnde ongeveer twee maal het in de bijgestelde begroting aangehouden bedrag. Tijdens het pleidooi is van de zijde van [eiseres] daarover onder meer het volgende gezegd:

“De werkelijke prijs voor de palen was € 260,- per stuk, dus voor 234 palen € 60.840,-. Vermeerderd met de opslag voor algemene bouwplaatskosten (waaronder het uitzetwerk, de draglineschotten, rijplaten etc.) en uitvoering e.d. van € 15 % kwam het totale bedrag op € 70.000,-. [eiseres] wijst erop dat een groot deel van de palen (de palen onder de zware poeren) verdiept zijn weggeslagen met behulp van een oplenger. Mogelijk kan dat het verschil in kosten verklaren, maar feit is dat de bouwkundig adviseur van [eiseres] ook voor andere projecten tenminste € 225,- per paal diende te betalen (dus veel meer dan de door Groot Partners (=Toornend, rechtbank) aangehouden € 102,50 per stuk).”

Naar het oordeel van de rechtbank is bijtelling van het genoemde bedrag van € 70.000,- niet aan de orde. De zwaardere fundering waarop het concept-advies van de deskundigen zich baseerde is immers niet uitgevoerd en dat was ook niet nodig. Partijen hebben dus alleen een geschil over de redelijkheid van de door de deskundigen (Toornend) begrote prijs van de palen. Zowel volgens Toornend als in het door [eiseres] als bijlage 4 bij de brief van [eiseres] aan de deskundigen van 30 september 2011 overgelegde funderingsplan gaat het om 234 palen van 250 x 250 mm en met een gemiddelde lengte van 6 à 7 meter. Gelet op het onder 2.1 geformuleerde uitgangspunt gaat de rechtbank uit van de redelijkheid van de door Toornend aangehouden prijs. Of er andere palen door [eiseres] zijn toegepast dan in de nadere begroting van Toornend bedoeld, zoals door de deskundigen tijdens de pleidooien werd gesuggereerd, kan dus in het midden blijven.

2.4 De deskundigen hebben tijdens de pleidooien de nadere keuze voor een lichtere fundering ook in verband gebracht met de door [eiseres] aangebrachte vier meter hoge keerwanden in de hal, die naar hun oordeel (boven een bepaalde hoogte) evenmin nodig zijn als de duurdere door [eiseres] gekozen funderingspalen (zie ook het definitief advies, blz. 11). [eiseres] betwist dat - volgens haar gaat het om ‘communicerende vaten’- en zegt bovendien dat de deskundigen onvoldoende rekening hebben gehouden met de specifieke terreinomstandigheden en de noodzaak om de palen verdiept weg te slaan. Dat laatste kan de rechtbank zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet verifiëren, zodat daaraan wordt voorbijgegaan.

2.5 Aan de overgelegde milieuvergunning (zonder vergunningaanvraag) kunnen geen argumenten worden ontleend voor een bepaalde noodzakelijke hoogte van de keerwanden. Daarin staat wel, op pagina 10:

“Op basis van paragraaf 3.8.1 (van de Nederlandse emissie Richtlijnen lucht, rechtbank) schrijven wij de volgende maatregelen voor.

- De compostering van groenafval dient inpandig te gebeuren.

- Inpandige opslag van groenafval en biomassa niet zijnde houtachtig groenafval en afvalhout.

(..)

- Keerwanden ten behoeve van opslag diverse afvalstoffen en materialen.

(..)”

Dit wordt onder meer uitgewerkt in voorschrift 3.2.6 bij de vergunning.

“Alle afvalstoffen worden inpandig ontvangen, opgeslagen en be-/verwerkt met uitzondering van de ontvangst, opslag en be-/verwerking van veegvuil en kolkenslib, A- en B-hout en met uitzondering van de ontvangst en opslag van onverkleind snoeihout.”

En in de voorschriften 11.1.2 en 3 staat nog vermeld:

“De opslag van (afval)stoffen en materialen mag niet hoger zijn dan 5 m vanaf het maaiveld, indien de inrichting ca. 4 hectare bedraagt (variant 1). Deze opslag dient plaats te vinden op locaties, zoals staan aangegeven op de bij de aanvraag gevoegde inrichtingstekening.

De opslag van (afval)stoffen en materialen mag niet hoger zijn dan 8 m vanaf het maaiveld, indien de inrichting ca. 6.4 hectare bedraagt (variant 2). Deze opslag dient plaats te vinden op locaties, zoals staan aangegeven op de bij de aanvraag gevoegde inrichtingstekening.”

2.6 Volgens de deskundigen is in de begroting van Toornend € 200.000,- uitgetrokken voor keerwanden. De rechtbank gaat ervan uit dat daarmee bedoeld wordt het bedrag van

€ 192.900,- dat uitgetrokken wordt voor "gevels". Voor “binnenwanden” is echter geen bedrag opgenomen. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de deskundigen geen afzonderlijke keerwanden nodig oordelen. Aan de andere kant spreekt hun advies (blz. 11) van "keerwanden, die op de bouwvergunningstekening bij de buitenwanden staan aangegeven". Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij naast de buitenwanden nog ruimte zien voor afzonderlijke binnenwanden. Dan is evenwel niet duidelijk van welke hoogte de deskundigen uitgaan en waarom zij niet meegaan met hetgeen in productie 15 van [eiseres] (overgelegd ten behoeve van het pleidooi) is opgemerkt over de noodzaak om het materiaal met shovels tot vijf meter hoogte te kunnen verwerken.

2.7 De rechtbank begrijpt dat [eiseres] in plaats van het "voor keerwanden" begrote bedrag van € 200.000,- een bedrag van € 260.000,- claimt en zich tevens verzet tegen de door de deskundigen in hun definitief advies voorgestelde aftrek van € 112.500,- wegens een vergoeding van keerwanden in 2004. Daarbij ging het - uiteraard - om keerwanden buiten (zogenaamde ‘legioblokken’). Tijdens de pleidooien hebben de deskundigen die aftrek echter weer verlaten. Moet de rechtbank daaruit afleiden dat zij ervan uitgaan dat binnen geen opslag plaatsvindt (maar dan strijdt dat met hetgeen hierboven uit de vergunning is aangehaald)? Of dat die vergoeding indertijd voor een deel ook betrekking had op de opslag van niet met het composteringsproces samenhangend materiaal (maar dan dient toch een gedeeltelijke aftrek plaats te vinden)?

2.8 [eiseres] heeft de rechtbank voorts verzocht een bedrag van € 240.810,80 als te vergoeden investering voor de vloer in aanmerking te laten komen. [eiseres] stelt dat zij voor de vloer € 821.516,- (contant per 1 januari 2008: € 716.362,28) heeft uitgegeven en dat zij daarvan € 342.398,- van de Staat vergoed heeft gekregen, terwijl in de begroting van Toornend voor de vloer van de hal een bedrag van € 152.700,- is opgenomen. De rechtbank constateert - zie ook blz. 10/11 van het definitief advies van de deskundigen - dat het bedrag van € 821.516,- ook andere posten dan betreffende de vloer omvat en dat de grootste post

(€ 420.440,-) gaat over “funderingswerken hal” (hoe verhoudt zich dit tot de onder 2.3 bedoelde palenfundering?) Ook het genoemde bedrag uit de begroting van Toornend betreft “fundering”. De rechtbank gaat er bij dit alles vanuit dat bovenstaande posten zich in ieder geval beperken tot de oppervlakte van de hal en dat zij niet reeds waren verdisconteerd in de vergoeding van 2004, waarin voor een vloeistofdichte vloer van 29.600 m2 toch ook al een bedrag van € 1.480.000,- was uitgetrokken. Dat is wellicht ook de reden dat de deskundigen voor de vloer in de hal geen extra kosten hebben begroot (“vloer in de hal niet extra”).

2.9 Wat betreft de verlichting hebben de deskundigen in hun brief van 18 april 2012 alsnog een aftrek (van het door Toornend voor verlichting c.a. begrote bedrag van

€ 375.000,-) van € 29.000,- toegepast, omdat in de vergoeding van 2004 al een bedrag van

€ 1,- per vierkante meter voor verlichting was begrepen (gerelateerd aan de oppervlakte van het composteringsterrein c.a. op de oude locatie). Tijdens de pleidooien zijn zij hierbij gebleven. [eiseres] wil echter geen aftrek hiervoor, omdat de aanwezigheid van de hal mee zou brengen dat een goede verlichting van het omliggende terrein, anders dan voorheen, noodzakelijk is geworden. De oorzaak hiervoor zou gelegen zijn in het feit dat, anders dan voorheen, sprake is van een duidelijke, met verlichting gemarkeerde, routing op het terrein. Met de deskundigen ziet de rechtbank niet - zonder verdere onderbouwing, die ontbreekt - dat de aanwezigheid van de hal dit op zichzelf meebrengt. Zij gaat echter niet uit van een aftrek van € 29.000,- maar een die gerelateerd is aan de oppervlakte van de hal, derhalve

€ 15.000,-.

2.10 De deskundigen hebben in hun definitief advies, naar aanleiding van punt 2 van de brief aan hen van [eiseres] van 30 september 2011, kortweg overwogen dat wat de opslagtank voor regenwater betreft er sprake is van een keuze voor kwaliteit, die niet wordt gezien als noodzakelijk gevolg van overdekt composteren. [eiseres] heeft daartegen bezwaar gemaakt en er tijdens haar pleidooi op gewezen dat zij in het kader van de lozingsvergunning dient uit te gaan van gescheiden waterstromen en dat zij vanwege de overkapping regenwater moet opslaan met het oog op besproeiing van de compost. De rechtbank kan de juistheid van die stelling (waarop ter zitting geen reactie meer is gevolgd) zonder nadere informatie, die ontbreekt, niet beoordelen. Wel constateert zij dat besproeiing in de vergunning voor de nieuwe locatie, anders dan in de laatste vergunning voor de oude locatie (blz. 9), niet is voorgeschreven. Zij gaat er verder - voorshands - vanuit dat met de opslagtank voor regenwater - het “schoonwaterbassin” - een bedrag is gemoeid van

€ 111.660,- (volgens bijlage 5 bij de genoemde brief van [eiseres]) en dat deze post op geen enkele wijze is verwerkt in het bedrag van € 62.700,- dat Toornend voor “rioleringen, hemelwaterafvoeren” heeft uitgetrokken. Verder moet, indien blijkt van een voldoende noodzaak voor een schoonwaterbassin, worden bezien of daar een extra fundering voor nodig is. De deskundigen hebben dat nu niet aangenomen (definitief advies, blz. 11). De rechtbank begrijpt dat met die fundering een bedrag van € 36.000,- is gemoeid.

2.11 De Staat heeft steeds een aftrek bepleit van € 817.500,-, omdat dat bedrag in 2004 al wegens “Composteringsvoorzieningen” (€ 800.000,-) en “stofbestrijding en bewatering” (€ 17.500,-) was toegekend. De deskundigen hebben daarover achtereenvolgens in (a) het concept-advies, (b) het definitief advies en (c) de brief van 18 april 2012) overwogen:

(a) “Ter toelichting op de aftrek onder (2) ad EUR 272.000 wordt opgemerkt dat Rijkswaterstaat in productie 2 bij genoemde brief van Mr Ten Kate van 1 juli 2011 een aftrek opvoert van EUR 817.500 als zijnde reeds vergoed in 2004. Dat bedrag correspondeert met de bedragen van EUR 800.000 en EUR 17.500 die worden genoemd in bijlage 1 bij de dagvaarding van [eiseres], productie 4, bladzijde 3, met de aanduiding “composteervoorzieningen” respectievelijk “stofbestrijding en bewatering”; de post van EUR 800.000 wordt op bladzijde 1 van dezelfde productie 4 onderverdeeld in “vloeistofdichte vloer” van bijna EUR 507.000 en “beluchten, percolaatbassin, leiding pomp c.a.”van ruim EUR 272.000. Dat laatste bedrag wordt voorshands afgetrokken van de primair berekende meerinvestering ter zake van ventilatie en verlichting enz. in de veronderstelling dat dat bedrag correspondeert met een investering die ook in de overdekte situatie nuttig is.”

(b) “De Staat maakt bezwaar tegen de verrekening van een bedrag van niet meer dan EUR 272.000, omdat dit bedrag al in 2004 uitgekeerd zou zijn. De Staat stelt dat sprake is van een misverstand omdat genoemd bedrag van EUR 272.000 staat voor een deel van de aan [eiseres] vergoede werkelijke waarde en niet voor een concrete investering. De Staat vermeldt dat in de vergoeding van 2004 was begrepen een bedrag van EUR 800.000 voor composteer-voorzieningen en EUR 17.500 voor stofbestrijding en bewatering. Ondergetekenden erkennen het misverstand en onderschrijven dat de bedragen van EUR 800.000 en EUR 17.500 alsnog dienen te worden verrekend.”

(c) “Partij [eiseres] maakt bezwaar tegen post (2) ‘investering inrichting hal’ en met name tegen de aftrek van EUR 800.000 als reeds vergoed.

Mr Ten Kate heeft in zijn brief van 21 oktober 2011 met bezwaren tegen het conceptadvies die aftrek bepleit met een verwijzing naar bijlage 4 bij die brief. De bijlage is een toelichting uit 2003 op een begroting van partij [eiseres] inzake nieuwbouw groencompostering, uitgaande van een overkapping. Mr Ten Kate stelt dat Rijkswaterstaat de begroting van composteervoorzieningen ad EUR 808.000 (praktisch) heeft aangehouden, met medeweten van partij [eiseres], toen het uitgangspunt van de overkapping werd verlaten. En dat daarom in de vergoeding van 2004 voor verplaatsing van de nieuwe locatie in de open lucht al is gerekend met een systeem dat (ook) geschikt zou zijn voor inpandige compostering. Mr Zeilmaker heeft in haar commentaar op de bezwaren van Rijkswaterstaat dit betoog niet met zoveel woorden bestreden. Ondergetekenden hebben in hun definitief advies het betoog van Rijkswaterstaat gevolgd.

Mr Zeilmaker voert nu aan dat het bedrag ad EUR 800.000 voor composteringsvoorzieningen, dat in de vergoeding van 2004 is begrepen, alleen betrekking heeft op voorzieningen in de vloer (luchtkokers, hoofdleidingen, kleine biofilter), die voor het overgrote deel zowel in de open lucht als in de overdekte hal aan de orde zijn. En dat partij [eiseres] daarom ter zake van de overkapping in dit stadium geen vergoeding claimt in verband met de investering voor composteringsvoorzieningen in de vloer, die intussen zijn gerealiseerd. Maar dat partij [eiseres] wel aanspraak maakt op vergoeding van de kosten verbonden aan meerinvestering in verdere composteringsvoorzieningen, die in dit (concept)advies zijn vermeld (ventilatie, verlichting, voeding c.a., groot biofilter, gordijnen en sprinkler) dus zonder korting.

Onze commissie is van mening dat uit de gang van zaken met betrekking tot de vergoeding in 2004 voor de oude opzet (in de open lucht) niet kan worden afgeleid dat partij [eiseres] geacht moet worden ermee te hebben ingestemd dat de meerinvestering ad EUR 800.000 ook alle composteringsvoorzieningen in de nieuwe opzet (overkapping) dekt. Onze commissie is er in dit stadium van overtuigd dat voor de compostering in de hal meer en andere composteringsvoorzieningen nodig zijn, waarvan de kosten alsnog voor vergoeding in aanmerking komen. Onze commissie betrekt in haar overweging de toelichting die Mr Zeilmaker in haar nota voor deskundigen ter descente heeft gegeven op het composteringsproces groenafval in (gesloten) hal onder punt 20 e.v. en de nadere toelichting op het composteringsproces in bijlage 1 bij de brief van Mr Zeilmaker van 15 juni 2011. Onze commissie zal de door partij [eiseres] bestreden aftrek ongedaan maken.”

2.12 Tijdens de pleidooien heeft [eiseres] wederom betoogd dat de lump sum van

€ 800.000,- uitsluitend betrekking heeft op composteervoorzieningen in de vloer die voor het overgrote deel zowel in de open lucht als in de overdekte hal aan de orde zijn en niets te maken hebben met de door de deskundigen in hun advies opgenomen composteervoorzieningen (biofilter, Backhus-omzetsysteem, verkleiner). De Staat stelt dat dat wel het geval is en verwijst naar een kostenopstelling uit februari 2003 van de accountant van [eiseres], die als bijlage 4 is gevoegd bij de brief van de Staat aan de deskundigen van 21 oktober 2011. De Staat zegt daarover onder meer:

“Uit de omschrijving (het bedrag bevat onder meer een vergoeding voor “afzuigkanaal in hal”) blijkt duidelijk dat deze vergoeding is geënt op overdekte compostering. In 2004 heeft de Staat ingestemd met deze voorziening, omdat gebleken was dat de gemeente [woonplaats] geen genoegen nam met een wijze van beluchting als in [woonplaats] plaatsvond (..) De (adviseurs van de) Staat veronderstelden dat de kosten van de kennelijk door de gemeente verlangde voorziening in de open lucht in geen geval de kosten van een vergelijkbare voorziening in een hal zouden overtreffen.”

[eiseres] heeft met klem betwist dat het overzicht van haar accountant enige rol heeft gespeeld bij de vaststelling van de schadeloosstelling in 2004 (brief aan de deskundigen van 8 november 2011, blz. 9) en volhardt bij haar stelling dat de overeengekomen vergoeding van € 800.000,- betrekking had op composteervoorzieningen in de vloer (luchtkokers, hoofdleidingen, (klein) biofilter). De Staat voert daartegen onder meer aan dat bij zogenaamde blaasbeluchting in de open lucht geen biofilter nodig is.

2.13 De rechtbank constateert met de Staat dat de verwijzing door de deskundigen in hun concept-advies naar de eerste bladzijde van productie 4 bij de dagvaarding geen betrekking kan hebben op de € 800.000,- die op bladzijde 3 van die productie voor “Composteervoorzieningen” op de nieuwe locatie wordt uitgetrokken. In die laatste opstelling is immers óók sprake van een afzonderlijke post “vloeistofdichte vloer”, terwijl een voorziening daarvoor juist onderdeel uitmaakt van het op bladzijde 1 van die productie genoemde bedrag van € 800.728,68. Ook blijkens de opbouw van die productie hebben de eerste twee bladzijden klaarblijkelijk betrekking op de vergoeding voor de grond en de daarop aanwezige voorzieningen, terwijl bladzijde 3 ziet op de reconstructie van het bedrijf op de nieuwe locatie.

[eiseres] heeft de rechtbank verzocht af te zien van de door de Staat bepleite aftrek van het bedrag van € 800.000,- (haar uitdrukkelijke instemming met de aftrek van € 272.000,-, zoals verwoord in haar brief aan de deskundigen van 8 november 2011, blz. 8, mag dus kennelijk thans als verlaten worden beschouwd). Partijen zijn het er wel over eens dat het bedrag van € 17.500,- (wegens stofbestrijding en bewatering) in aftrek kan worden gebracht.

2.14 Of het genoemde - hoge - bedrag van € 800.000,- betrekking heeft (kan hebben) op composteringsvoorzieningen in en op de bodem bij compostering in de open lucht kan de rechtbank aan de hand van de vergunningen niet beoordelen. In (onder meer) de laatste vergunning voor de oude locatie wordt voor de ‘Best Beschikbare Technieken’ verwezen naar de website van de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek (blz. 16 van de vergunning). Daarop is onder meer te vinden http://www.emis.vito.be/sites/default/files/pages/migrated/BBT_rapport_composteerinstallaties_volledig_document.pdf

De rechtbank krijgt uit blz. 38 e.v. van deze publicatie niet de indruk dat compostering in de open lucht veel specifieke vloervoorzieningen vereist. Mogelijk ziet zij dat verkeerd.

2.15 De Staat heeft het door de deskundigen aangenomen investeringsbedrag van

€ 252.000,- wegens vervanging van de zogenaamde verkleiner betwist. Tijdens de pleidooien heeft [eiseres] echter betoogd dat vervanging van de oude verkleiner noodzakelijk was vanwege het lawaai in de hal, de gevaren vanwege het krachtig wegslingeren van composteermateriaal en de roetemissie. Dat is op zichzelf niet door de Staat weersproken, zodat de rechtbank met de deskundigen het nut van vervanging van dit apparaat onderschrijft.

2.16 Samengevat ziet de rechtbank onder 2.6, 2.7, 2.8, 2.10 en 2.14 nog onduidelijkheden, die tot helderheid moeten komen, teneinde een beslissing te kunnen geven. Daartoe zal zij andermaal een comparitie van partijen gelasten. Het is niet de bedoeling dat bij die gelegenheid pleitnota’s worden uitgewisseld of voorgedragen.

2.17 De comparitie zal worden gecombineerd met een mondelinge toelichting door de deskundigen als bedoeld in artikel 194 lid 5 Rv. De deskundigen worden verzocht dan ter zitting aanwezig te zijn, alsmede de griffier (met kopie aan partijen) te berichten over de omvang van een eventueel aanvullend voorschot, waarna de Staat ervoor dient zorg te dragen dat het bedoelde bedrag vóór de zitting op rekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen wordt bijgestort.

2.18 De partijen en de deskundigen worden tevens verzocht met de griffier te overleggen over datum en tijdstip van de zitting, met opgave van verhinderdagen voor de maanden september tot en met november 2012.

2.19 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

3.1 beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen omtrent de onder 2.16 genoemde punten op de terechtzitting van de meervoudige civiele kamer van de rechtbank in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

3.2 bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

3.3 bepaalt dat de deskundigen dan ter zitting aanwezig zullen zijn en de griffier (mr. K.V. van Weert, tel. 026-3592888), met kopie aan partijen, tijdig zullen berichten over de omvang van een eventueel aanvullend voorschot, waarna de Staat ervoor dient zorg te dragen dat het bedoelde bedrag vóór de zitting op rekeningnummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen wordt bijgestort,

3.4 bepaalt dat de partijen en de deskundigen met de griffier (mr. K.V. van Weert, tel. 026-3592888) zullen overleggen over datum en tijdstip van de zitting, met opgave van verhinderdagen voor de maanden september tot en met november 2012,

3.5 houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. R.J.J. van Acht, H.C.A. Walda en W. van de Wetering en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2012.