Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX5450

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
22-08-2012
Datum publicatie
23-08-2012
Zaaknummer
05/901026-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrijspraak voor poging doodslag. De rechtbank is van oordeel dat er te veel aspecten in het dossier zijn waarop onvoldoende is doorgerechercheerd. Het dossier bevat te veel ‘losse eindjes’ die de mogelijkheid open laten voor andere scenario’s. Naar het oordeel van de rechtbank is er op grond van het (huidige) dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte op 3 september 2010 in Westervoort V.P.J.M. Reijers met een mes heeft gestoken en daarmee een bijdrage heeft geleverd aan openlijk geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/901026-10

Datum zitting : 08 augustus 2012

Datum uitspraak : 22 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [verdachte]

geboren op : [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats]

adres : [adres]

plaats : [woonplaats]

raadsman : mr. R.A.C. Frijns, advocaat te Arnhem.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 03 september 2010 te Westervoort, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk een persoon

genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, voormelde [slachtoffer 1]

opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans met een scherp

en/of puntig voorwerp in zijn rug heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 03 september 2010 te Westervoort, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [slachtoffer 1]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk voormelde

[slachtoffer 1] met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp in zijn rug

heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 3 september 2010 te Westervoort met een ander of anderen,

op of aan de openbare weg, te weten op of aan de aldaar gelegen Dorpsstraat,

in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek

toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten

op de parkeerplaats en/of nabij de ingang van het aldaar gelegen zalencentrum

Wieleman, openlijk met verenigde krachten geweld heeft gepleegd tegen een of

meer personen, waaronder [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3],

welk geweld bestond uit het meermalen, met een mes, althans met een puntig

voorwerp, steken in de rug van voormelde [slachtoffer 1] en/of het (met kracht) slaan

en/of stompen op/tegen het hoofd van voormelde [slachtoffer 2] en/of het krachtig

duwen en/of slaan en/of stompen van die [slachtoffer 3], terwijl het door verdachte

daarbij uitgeoefende geweld zwaar lichamelijk letsel, te weten 4 steekwonden

in de rug, waarvan 2 zeer diep (15 - 20 centimeter), althans enig lichamelijk

letsel voor voormelde [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 8 augustus 2012 ter terechtzitting onderzocht. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen mr. R.A.C. Frijns, advocaat te Arnhem, die heeft verklaard uitdrukkelijk gemachtigd te zijn.

Als benadeelde partij hebben zich schriftelijk in het geding gevoegd:

* [slachtoffer 1]; en

* [slachtoffer 2].

De officier van justitie, mr. B. Molenaar, heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De raadsman van verdachte heeft het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 primair en 2 tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft hiertoe het volgende gezegd:.

* Ten aanzien van feit 1:

Op het mes dat is aangetroffen op de plaats delict zitten DNA sporen van verdachte en bloedsporen van het slachtoffer. Op grond hiervan kan worden vastgesteld dat verdachte het mes waarmee het slachtoffer is gestoken heeft vast gehad.

[medeverdachte 1], een medeverdachte van verdachte, heeft verklaard dat de naam van degene die heeft gestoken op de deur van de luchtplaats staat. Een van de namen die op de deur staan is [voornaam verdachte], de voornaam van verdachte.

Daarnaast wordt in een telefoongesprek de naam van verdachte genoemd als degene voor wiens gedrag [medeverdachte 1] die op dat moment gedetineerd zat, vast zit.

Deze bewijsmiddelen schreeuwen om een verklaring en verdachte stelt hier niets tegenover. Gelet hierop acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is die heeft gestoken op plekken in het lichaam van die [slachtoffer 1] waar vitale organen zitten en dat hij daarmee de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer hierdoor zou komen te overlijden. Dat wordt, aldus de officier van justitie, ondersteund door de beschikbare medische informatie.

* Ten aanzien van feit 2:

Dat er door meerdere personen op de openbare weg werd gevochten staat volgens de officier van justitie wel vast. Verdachte heeft door met een mes te steken een wezenlijke bijdrage geleverd aan dit geweld.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde op grond van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Er is geen bewijs dat verdachte op de plaats delict is geweest, laat staan dat hij degene was die het slachtoffer heeft gestoken.

Op de plaats delict is door getuige [getuige 1] een mes aangetroffen. Niet is vast te stellen (a.) dat dit het mes is waarmee [slachtoffer 1] is gestoken en (b.) dat dit het mes is dat het NFI heeft onderzocht. Een proces-verbaal dat die koppeling maakt ontbreekt.

Mocht de rechtbank wel aannemen dat die koppeling te maken is, dan is nog van belang dat de DNA-sporen van verdachte op het mes, biologische contactsporen betreffen. Met dergelijke contactsporen moet voorzichtig worden omgegaan, omdat geen uitspraak kan worden gedaan over de wijze en het tijdstip waarop dergelijk materiaal is overgebracht. De verdediging heeft dat ondersteund door literatuur op dit punt over te leggen.

Hoe het spoor op het mes is gekomen is niets vast te stellen en of het delictgerelateerd is ook niet. Daar komt nog bij dat op het mes DNA is aangetroffen van diverse andere personen: medeverdachten, maar ook onbekende personen.

Op de deur van de luchtplaats staan veel namen, en als je al de naam [voornaam verdachte] kiest, dan weet je nog niet om welke [voornaam verdachte] het gaat.

Het telefoongesprek en het daaropvolgende verhoor van getuige [getuige 2] waarmee de officier van justitie cliënt op de plaats delict probeert te krijgen zegt eveneens niets. [getuige 2] was zelf niet ter plaatse en zij zou hebben gehoord van [getuige 3] dat 'een' [voornaam verdachte] die avond aanwezig was. [getuige 3] zelf verklaart niet over de aanwezigheid van [voornaam verdachte] en over welke [voornaam verdachte] het gaat blijkt ook niet.

Gelet op het voorgaande dient verdachte, volgens de verdediging, integraal te worden vrijgesproken van het hem onder 1 en 2 tenlastegelegde.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 en 2 is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

De vraag die allereerst moet worden beantwoord is of vastgesteld kan worden dat verdachte degene is geweest die aangever [slachtoffer 1] heeft gestoken met een mes. De rechtbank is van oordeel dat die vraag niet op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan worden beantwoord.

Uit het dossier blijkt dat op 3 september 2010 het slachtoffer [slachtoffer 1] vier maal is gestoken met een mes. Er is slechts één getuige (getuige [getuige 4]) die heeft gezien dat iemand een stekende beweging heeft gemaakt. De overige getuigen hebben niet gezien dat er is gestoken. Degene die volgens getuige [getuige 4] een stekende beweging maakte, was een persoon met een rood/roze T-shirt aan. Verbalisant [verbalisant 1] heeft een omschrijving gegeven van de mannen die bij de vechtpartij betrokken waren. Uit die omschrijving volgt dat slechts één van die mannen gekleed was in een rood/roze shirt. Deze man is even later door verbalisant [verbalisant 1] aangehouden, het betrof medeverdachte [medeverdachte 2].

Aangever [slachtoffer 1] heeft nog verklaard dat hij een man met een wit T-shirt in bedwang heeft gehouden door middel van een armklem om de nek. Meteen nadat hij deze man had losgelaten, merkte aangever dat hij in de rug was gestoken. Wie de man met het witte T-shirt is, kan uit de beschikbare bewijsmiddelen niet worden vastgesteld.

Daarnaast is evenmin voldoende komen vast te staan dat verdachte ter plaatse is geweest op het moment van de steekpartij.. De enkele mededeling van een vriendin van een medeverdachte dat '[voornaam verdachte] er was' en de verklaring van [medeverdachte 1] dat de naam van de persoon die heeft gestoken op deur in de luchtplaats staat, zijn hiervoor onvoldoende, mede omdat geen van de mensen die wel ter plaatse waren deze naam, laat staan de volledige naam van verdachte, heeft genoemd en omdat op de deur van de luchtplaats veel andere namen staan vermeld. Een bewijsmiddel, zoals een (positieve) fotoconfrontatie die verdachte op de plaats delict kan plaatsen, ontbreekt,

De officier van justitie baseert een bewezenverklaring met name op het op de plaats delict aangetroffen mes, waarop zowel bloed van aangever als DNA-materiaal van verdachte op is aangetroffen. De rechtbank stelt vast dat er op de plaats van het delict inderdaad een mes is aangetroffen dat volgens de verklaring van [getuige 1] door hemzelf is veilig gesteld.

Hoe dit is gebeurd en wat er verder met dit mes is gebeurd, blijkt niet uit het dossier.

Hierover is geen proces-verbaal opgemaakt. Slechts uit een opmerking in het stamproces-verbaal zou kunnen worden opgemaakt dat het mes dat op de plaats delict is aangetroffen het mes is met SIN-nummer AABT0841NL. De veiligstelling en bemonstering zijn in het dossier volstrekt onvoldoende en onprofessioneel verantwoord. Deze vaststelling heeft ernstige consequenties voor de bewijswaardering.

Dat er contactsporen van verdachte zijn aangetroffen op het mes met SIN-nummer AABT0841NL zegt op zichzelf onvoldoende, mede in aanmerking genomen dat contactsporen ook indirect op voorwerpen terecht kunnen komen en er ook DNA van andere mensen (waarbij medeverdachte [medeverdachte 2] niet is uit te sluiten) op het mes zijn aangetroffen. Daarbij is nog van belang dat getuige [getuige 5] heeft verklaard dat, toen hij op de WC was, hij zag dat een man met een wit T-shirt aan een man met een rood T-shirt, die hij kent als [medeverdachte 2], voordeed hoe hij iemand moest steken. Hij zag daarbij dat de man met het witte T-shirt iets in zijn hand had. Als je er al van uit zou gaan dat de man met het witte T-shirt, verdachte is (waar de officier van justitie vanuit lijkt te gaan, maar welke conclusie de rechtbank gelet op het dossier niet kan maken), dan is nog niet is uit te sluiten dat de man met het witte T-shirt het mes op dat moment vasthad terwijl dat later mogelijk door een ander is gebruikt bij het steken. Dit zou het aantreffen van het DNA van de man met het witte T-shirt op het mes alternatief kunnen verklaren. Dan verdraagt een bewezenverklaring enkel op dat DNA contactspoor zich niet met een open gebleven alternatief, dat in het onderzoek niet is uitgesloten.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat er te veel aspecten in het dossier zijn waarop onvoldoende is doorgerechercheerd. Het dossier bevat te veel 'losse eindjes' die de mogelijkheid open laten voor andere scenario's.

Naar het oordeel van de rechtbank is er op grond van het (huidige) dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte op 3 september 2010 in Westervoort [slachtoffer 1] met een mes heeft gestoken en daarmee een bijdrage heeft geleverd aan openlijk geweld.

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het hem onder feit 1 en 2 ten laste gelegde.

4. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.592,85.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.446,72 .

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot betaling van respectievelijk de bedragen van € 1.592,85 en €3.446,72 toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot deze bedragen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn, nu de tenlastegelegde feiten niet bewezen kunnen worden verklaard en er geen straf of maatregel kan worden opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering omdat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en geen toepassing wordt gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

5. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Aldus gewezen door:

mr. H.G. Eskes (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. J.M. Hamaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y. Rikken, griffier

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 augustus 2012.