Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX5417

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-08-2012
Datum publicatie
09-10-2012
Zaaknummer
831134 AZ VERZ 12-7046
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verzoek vereffenaars tot opheffing conservatoire beslagen ex art. 4:223 BW. Verplichting tot het vestigen van het zakelijk recht van gebruik en bewoning? Toepassing van art. 4:218 lid 4 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2013/9

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ARNHEM

burgerlijk recht, sector kanton

Locatie Wageningen

zaakgegevens 831134 \ AZ VERZ 12-7046 \ BE \ 340 \ be

uitspraak van 10 augustus 2012

beschikking

in de zaak van

[verzoekers]

in hun hoedanigheid van wettelijke vereffenaars van de nalatenschap van [overledene]

kantoorhoudende te [plaats]

verzoekende partijen

gemachtigde mr. P.G. Knoppers

en

[verwerende partij]

wonende te [woonplaats]

gemachtigde [naam gemachtigde]

Partijen worden hierna de vereffenaars en [verwerende partij] genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 13 juli 2012

- het verweerschrift van [verwerende partij] van 2 augustus 2012

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 8 augustus 2012 mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigden van beide vereffenaars en [verwerende partij].

1.2. Ter zitting van 8 augustus 2012 is eveneens verschenen de Coöperatieve Rabobank en omstreken U.A. (gemachtigde [naam gemachtigde]). Deze heeft ingestemd met het verzoek van de vereffenaars.

2. De feiten

2.1. Op [dag] januari 2011 is overleden [overledene], hierna te noemen, [overledene].

2.2. [overledene] heeft bij testament van 16 maart 2009 met een aanvulling op 27 oktober 2010 beschikt over zijn laatste wil. De tekst van dit testament luidt onder meer als volgt:

“Voor het geval ik op de dag van mijn overlijden nog een gemeenschappelijke huishouding voer met mevrouw [verwerende partij], geboren te Ermelo op [dag] februari negentienhonderdzesenveertig – hierna te noemen: mijn partner – beschik ik als volgt: Ik legateer, niet vrij van rechten en kosten, af te geven binnen acht maanden na mijn overlijden aan mijn partner:

A. mijn (aandeel in de) inboedelgoederen in de zin van artikel 3:5 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede mijn schilderijen, voor zover daarover ik niet reeds bij codicil heb beschikt of deze toebehoren aan mijn partner;

B. voorts legateer ik aan mijn partner het zakelijk recht van gebruik en bewoning, van het boerderijtje [adres] (derhalve niet [nummer a]) te [plaats], met ondergrond van circa tweeduizend vierkante meter (…)”

2.3. Op verzoek van de drie erfgenamen zijn [verzoekers], voornoemd, bij beschikking van deze rechtbank van 10 juli 2012 tot vereffenaars in de nalatenschap van [overledene] benoemd.

2.4. Tot de nalatenschap behoort een zogeheten landhuis met bijgebouwen (een garage en een ‘boerderijtje’) te [plaats]. Eén van deze bijgebouwen is het in het testament van [overledene] genoemde ‘boerderijtje’ (r.o.v. 2.2.). Dit landhuis met bijgebouwen betreft de kadastrale percelen [plaats] (Gld) [nummers] Dit wordt hierna gezamenlijk ‘de woning’ genoemd.

2.5. De vereffenaars hebben genoemde woning verkocht aan [X]. Hierover is op 11 mei 2012 mondelinge overeenstemming bereikt (de vereffenaars waren destijds executeurs). De overeenkomst is schriftelijk gesloten op 13 juli 2012. De koopprijs bedraagt € 1.237.500.-. In artikel 16.1 van deze koopovereenkomst is bepaald dat de overeenkomst door verkoper kan worden ontbonden indien op 13 augustus 2012 blijkt dat verkoper geen royement verkrijgt van zijn hypothecaire inschrijving(en) en/of beslagen op de roerende zaak en op 13 augustus 2012 verkoper geen toestemming van de bevoegde rechter voor verkoop heeft verkregen.

2.6. Op de onder r.o.v. 2.4. genoemde kadastrale percelen zijn conservatoire beslagen gelegd door de Rabobank, ABN AMRO N.V. en [verwerende partij].

2.7. Het gaat – meer specifiek – om de volgende beslagen, te weten

- het op 28 september 2011 ingeschreven (Hyp3 deel [nummer] en op verzoek van [verwerende partij] gelegde conservatoir beslag, betreffende het perceel aan [straat en plaats], kadastraal bekend [plaats] (GLD) [nummer];

- het op 11 mei 2012 ingeschreven (Hyp3 deel [nummer] en op verzoek van ABN AMRO BANK NV gelegde conservatoir beslag, betreffende het perceel aan [straat en plaats] GLD, kadastraal bekend [plaats] (GLD) F [nummers];

- het op 24 mei 2012 ingeschreven (Hyp3 deel [nummer], en derhalve niet op nummer [nummer]) en op verzoek van COOPERATIEVE RABOBANK AMERSFOORT EN OMSTREKEN UA gelegde conservatoir beslag, betreffende het perceel aan [straat en plaats] (GLD), kadastraal bekend NIJKERK (GLD) [nummers]

2.8. Het beslag van [verwerende partij] is gelegd voor een bedrag van € 1.000.000,- en ziet enerzijds op de aanspraak op vestiging van een recht van gebruik en bewoning zoals in het testament van [overledene] beschreven en anderzijds haar aanspraak op de helft van de inboedelgoederen van [overledene] (r.o.v. 2.2.).

2.9. Ten laste van genoemde kadastrale percelen is een recht van hypotheek gevestigd ten behoeve van de Rabobank voor een bedrag van € 907.560,- (exclusief rente en kosten, maximaal 35% van deze hoofdsom). Blijkens de hierna te noemen voorlopige boedelbeschrijving heeft de Rabobank uit hoofde van een hypothecaire geldlening een vordering van € 920.000,-. Rabobank heeft ter zitting medegedeeld dat zij in totaal een vordering van 2,3 miljoen euro op wijlen [overledene] heeft.

2.10. ABN Amro N.V. heeft de kantonrechter bij brief van 31 juli 2012 bericht dat zij zich refereert aan het oordeel van de kantonrechter.

2.11. Bij brief van 3 augustus 2012 hebben de vereffenaars aan de kantonrechter een voorlopige boedelbeschrijving ex art. 4:211 lid 3 BW overgelegd. De totale waarde van de bezittingen wordt daarin geschat op € 5.549.480,00. Het totaal van de schulden wordt geschat op € 6.282.166,00. In het overzicht van de schulden is een vordering van [verwerende partij] opgenomen van € 1.000.000,- in verband met haar aanspraken zoals onder 2.6. beschreven.

3. Het verzoek, het verweer, tegenverzoek en de beoordeling

3.1. De vereffenaars hebben verzocht de ten laste van de onroerende zaken (kadastrale percelen) gelegde beslagen op te heffen ex art. 4:223 BW. [verwerende partij] heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij stelt – samengevat – onder meer dat de erfgenamen gehouden zijn een (zakelijk) recht van bewoning en gebruik betreffende ‘het boerderijtje’ te vestigen. Zij beroept zich daarbij op het testament van [overledene]. [verwerende partij] heeft op 25 oktober 2011 (onder meer) de gezamenlijke erven van [overledene] gedagvaard. In die (bodem)procedure vordert zij onder meer om de erfgenamen te veroordelen tot afgifte aan haar van alle schilderijen, antiquiteiten en kunstvoorwerpen die toebehoren aan [verwerende partij] alsook tot veroordeling tot afgifte van het legaat in het testament inhoudende het vestigen van het zakelijk recht van bewoning. In deze bodemprocedure wordt op 27 augustus 2012 een comparitie van partijen gehouden. [verwerende partij] stelt dat de uitkomst van deze procedure moet worden afgewacht. Zij wijst er daarop dat de nalatenschap voldoende activa bevat om de schulden van de nalatenschap te voldoen. Zij betwist dat op de voorlopige boedelbeschrijving van de executeurs alle activa van [overledene] vermeld zijn. Zo had [overledene] nog een landbouwonderneming en bezat hij percelen grond in [2 plaatsnamen] Onverwijlde tegelde making van bedoelde onroerende zaken (de woning) is daarom niet gerechtvaardigd. [verwerende partij] maakt er voorts bezwaar tegen dat de vereffenaars geen overleg met haar hebben gevoerd zoals voorgeschreven in art. 4:215 lid 2 BW. [verwerende partij] verzoekt dat de woning met onderliggende grond (en de boerderij) niet verkocht en geleverd kunnen worden althans niet voordat de beslissing van deze rechtbank zoals gevorderd door [verwerende partij] in de hiervoor genoemde bodemprocedure (rolnummer [nummer]) in kracht van gewijsde is gegaan.

3.2. De vereffenaars stellen dat [verwerende partij] geen recht heeft op gebruik en bewoning van het boerderijtje omdat [verwerende partij] niet meer met [overledene] samenwoonde toen hij overleed en dat [overledene] de tussen hem en [verwerende partij] gesloten samenlevingsovereenkomst in november 2010 had opgezegd. De vereffenaars beroepen zich, subsidiair, op art. 4:228 lid 4 BW. Daarin is – onder meer – bepaald dat een verbintenis tot het vestigen van een beperkt recht op een goed in een geldschuld wordt omgezet voor zover een tekort dit nodig maakt. Ter onderbouwing van hun stelling dat de nalatenschap een tekort vertoont wijzen zij op de door hen opgestelde voorlopige boedelbeschrijving (art. 4:211 lid 3 BW). Zij betwisten dat hierop niet alle activa van [overledene] zijn vermeld. De door [verwerende partij] genoemde landbouwonderneming heeft geen waarde. De percelen grond, genoemd door [verwerende partij], zijn van een vennootschap van [overledene], zijnde [Z]

De Rabobank heeft in aansluiting daarop ter zitting verklaard op een aantal van deze percelen beslag te hebben gelegd in verband met haar vordering op deze vennootschap.

3.3. De kantonrechter overweegt als volgt. De eerste vraag is of de vereffenaars zich terecht beroepen op art. 4:218 lid 4 BW en in het bijzonder of sprake is van een tekort in deze nalatenschap. Uitgaande van de voorlopige boedelbeschrijving, geldt dat daarvan sprake is. Hierbij moet echter worden aangetekend dat daarin is opgenomen dat [verwerende partij] een vordering heeft van € 1.000.000,-. Dit bedrag ziet echter zowel op de waarde van de inboedelgoederen waarop [verwerende partij] stelt aanspraak te hebben als op het recht van gebruik en bewoning. Blijkens de onder 3.1 genoemde dagvaarding alsook het verweerschrift wordt de waarde van het recht op gebruik en bewoning van het boerderijtje door [verwerende partij] gewaardeerd op € 600.000,-. Hiervan uitgaande is echter nog voldoende aannemelijk dat in deze nalatenschap sprake is van een tekort: bezittingen ad € 5.549.480,00 versus schulden – dan – ad € 5.682.166,00. Niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van niet op die boedelbeschrijving genoemde bezittingen. Van de door [verwerende partij] ter zitting genoemde bezitting is, mede door mededelingen van Rabobank, gebleken dat deze niet van [overledene] zelf waren. Daar komt nog bij dat ter zitting is gebleken dat de Rabobank waarschijnlijk aanzienlijke vorderingen op [Z] heeft en dat deze voor een aanzienlijk deel onbetaald zullen blijven terwijl [overledene] hiervoor (persoonlijk) aansprakelijk is. Het is derhalve aannemelijk dat de schulden van de nalatenschap nog zullen toenemen.

Dit betekent dat de aanspraak van [verwerende partij], indien deze in rechte vast komt te staan, op grond van art. 4:218 lid 4 BW wordt omgezet in een geldschuld voor zover dat nodig is voor de betaling van de schulden van de nalatenschap. Daarvan is sprake als omzetting nodig is voor betaling van de schulden van die nalatenschap, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter het geval is. De schuld van de nalatenschap aan de Rabobank kan immers slechts voldaan worden door verkoop van de woning. Bovendien is aannemelijk dat er sprake is van enige ‘overwaarde’ waarmee de diverse schulden (te zijner tijd) voldaan kunnen worden. Daar komt tot slot bij dat voldoende aannemelijk is dat de schulden oplopen doordat de kosten ter zake de woning doorlopen. Dit betreft niet alleen de aan Rabobank te betalen hypotheekrente maar ook de kosten van onderhoud van de woning. Nu de vordering van [verwerende partij] moet worden omgezet in een geldschuld is het genoemde art. 4:215 BW niet van toepassing. Overigens is voldoende aannemelijk geworden dat verkoop van andere activa – met een vergelijkbare of hogere waarde, onder andere om fiscale redenen, niet mogelijk cq. wenselijk is. De conclusie is dat het verzoek wordt toegewezen. Dit betekent dat het tegenverzoek van [verwerende partij] wordt afgewezen.

3.4. De vereffenaars hebben tevens verzocht een termijn te stellen waarbinnen de (openlijk) op te roepen schuldeisers hun vorderingen bij de boedelnotaris moeten indienen (art. 4:214 BW). Dit verzoek wordt toegewezen als hierna te melden. Dit houdt – voor alle duidelijkheid – tevens in dat de vereffenaars tot levering van de genoemde verkochte onroerende zaken (r.o.v. 2.4 en 2.5) kunnen overgaan.

3.5. De kantonrechter ziet in de aard van de zaak en de langdurig bestaand hebbende affectieve relatie tussen [overledene] en [verwerende partij] aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin dat partijen elk de eigen kosten dragen.

3.6. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4. De beslissing

De kantonrechter,

4.1. heft op alle (conservatoire) beslagen op de kadastrale percelen aan [straat en nummer] (en [nummer a]) te [plaats], kadastraal bekend [plaats] (Gld) F [nummers], zoals vermeld in r.o.v. 2.7;

4.2. verklaart dat door deze opheffing de bewaarder van de openbare registers is gemachtigd tot doorhaling van deze conservatoire beslagen;

4.3. bepaalt de in art. 4:214 BW bedoelde termijn op 1 maand;

4.4. compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.5. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.6. wijst het meer of anders verzochte, waaronder het tegenverzoek, af.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. B.J. Engberts op 10 augustus 2012.