Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX5151

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
21-08-2012
Zaaknummer
220949
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voor toewijzing van een verzoek tot tussenkomst moet blijken van een belang van de verzoekers om benadeling of verlies van hen toekomende rechten te voorkomen. Dat belang is ook aanwezig in een geval als dit waarin de verzoekers tot tussenkomst een vordering tot betaling willen instellen tegen hun (pretense) schuldenaar (verweerders in het incident), tegen wie door verweerster in het incident een vordering tot betaling is ingesteld (HR14 maart 2003 NJ 2003,313)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 220949 / HA ZA 11-1344

Vonnis in incident van 25 juli 2012

in de zaak van

de vereniging

BELANGENBEHARTIGING [verweerster in het incident]

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. A.P. van Stralen te Utrecht,

tegen

[verweerders in het incident]

gedaagden in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. M. van Hunnik te Barneveld,

en

[eisers in het incident]

eisers in het incident,

advocaat mr. A.P van Stralen te Utrecht.

Partijen zullen hierna [verweerster in het incident], [verweerder in het incident] c.s. en [eiser in het incident] c.s.genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 januari 2012

- het proces-verbaal van de comparitie

- de conclusie van repliek tevens akte vermeerdering van eis

- de incidentele conclusie van voeging

- de incidentele conclusie tot tussenkomst

- de incidentele conclusie van antwoord van [verweerder in het incident] c.s..

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. [eiser in het incident] c.s. vorderen, na aanvankelijk zich te hebben willen voegen, thans dat hen wordt toegestaan in de hoofdzaak tussen te komen. [verweerder in het incident] c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.2. [verweerster in het incident] heeft in de hoofdzaak aan haar vordering ten grondslag gelegd dat huurders, eigenaars-bewoners en voormalige eigenaars-bewoners van recreatiewoningen op het park “[verweerster in het incident]” hun vorderingen op [verweerder in het incident] c.s. aan haar hebben gecedeerd. [verweerder in het incident] c.s. hebben in de hoofdzaak verweer gevoerd tegen de rechtsgeldigheid van die cessie. [eiser in het incident] c.s. stellen dat zij allen eigenaar of huurder zijn (geweest) van de desbetreffende recreatiewoningen, dat zij onverschuldigd hebben betaald aan [verweerder in het incident] en dat door [verweerster in het incident] namens hen een vordering tegen [verweerder in het incident] is ingesteld. Voor het geval het verweer van [verweerder in het incident] c.s. tegen de rechtsgeldigheid van de cessie van hun vorderingen op [verweerder in het incident] c.s. aan [verweerster in het incident] zou slagen, willen zij hun vorderingen op [verweerder in het incident] c.s. zelf instellen. Daartoe willen zij tussenkomen in het geding tussen [verweerster in het incident] en [verweerder in het incident] c.s.

2.3 Voor toewijzing van een verzoek tot tussenkomst moet blijken van een belang van de verzoekers om benadeling of verlies van hen toekomende rechten te voorkomen. Dat belang is ook aanwezig in een geval als dit waarin de verzoekers tot tussenkomst een vordering tot betaling willen instellen tegen hun (pretense) schuldenaar ([verweerder in het incident] c.s.), tegen wie door [verweerster in het incident] een vordering tot betaling is ingesteld (HR 14 maart 2003 NJ 2003,313). Blijkens hun incidentele conclusie beogen [eiser in het incident] c.s. een soort voorwaardelijke tussenkomst, voor het geval de cessie niet rechtsgeldig zou zijn en de vordering van [verweerster in het incident] daarom afgewezen zou worden. Voorzover [eiser in het incident] c.s. beogen dat eerst op de vordering tot tussenkomst zal worden beslist nadat in de hoofdzaak is vastgesteld of de cessie rechtgeldig heeft plaatsgevonden, geldt het volgende. Op een incidentele vordering behoeft op zichzelf niet noodzakelijkerwijs steeds vooraf te worden beslist. Hier zou aanhouding van de beslissing tot een te grote vertraging van de hoofdzaak kunnen leiden, omdat [eiser in het incident] c.s. dan mogelijk eerst aan de procedure in de hoofdzaak gaan deelnemen nadat in de hoofdzaak geheel of gedeeltelijk is beslist. Het risico op grote vertraging staat er ook aan in de weg de vordering tot tussenkomst reeds thans doch voorwaardelijk toe te wijzen. Ook in dat geval zou het immers pas tot deelneming van [eiser in het incident] c.s. aan de procedure in de hoofdzaak kunnen komen, nadat over de rechtsgeldigheid van de cessie is beslist. [eiser in het incident] c.s. zouden immers pas als partijen aan de hoofdzaak kunnen gaan deelnemen, nadat de voorwaarde in vervulling is gegaan. De rechtbank zal daarom de vordering van [eiser in het incident] c.s. tot tussenkomst in de hoofdzaak (onvoorwaardelijk) toewijzen. In de hoofdzaak zullen zij dan hun vordering moeten instellen, wat gezien hun standpunt een voorwaardelijke vordering -voor het geval de cessie van hun vorderingen aan [verweerster in het incident] niet rechtsgeldig is- kan zijn. Daartoe zal de zaak in de hoofdzaak naar de rol worden verwezen voor conclusie aan de zijde van [eiser in het incident] c.s. Vervolgens zullen [verweerder in het incident] c.s. een conclusie van dupliek kunnen nemen.

2.4 [verweerder in het incident] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. staat [eiser in het incident] c.s. toe in de hoofdzaak tussen te komen,

3.2. veroordeelt [verweerder in het incident] c.s. in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser in het incident] tot op heden begroot op € 452,00,

in de hoofdzaak

3.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 september 2012 voor het nemen van de conclusie van eis in de tussenkomst door [eiser in het incident] c.s..

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2012.