Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX4908

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-08-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
232888
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing van het gelegde executoriale derdenbeslag en staking executie van de vonnissen van 16 mei 2011 en 13 juni 2012.

In dit geschil ging het (met name) over de vraag of eisende partijen dwangsommen hebben verbeurd omdat zij niet of onvoldoende hebben voldaan aan het in het vonnis van 13 juni 2012 onder r.o. 4.5 en 4.7 neergelegde bevel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 232888 / KG ZA 12-424

Vonnis in kort geding van 16 augustus 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LUSARO B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. C.F.H. Donners te Nijmegen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TONLI BEHEER B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. I. van Ast te Arnhem.

Eisende partijen zullen gezamenlijk [eiser] c.s. en afzonderlijk [eiser] en Lusaro B.V. worden genoemd. Gedaagde partijen zullen gezamenlijk [gedaagde] c.s. en afzonderlijk [gedaagde] en Tonli Beheer B.V. worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties

- de brief d.d. 10 augustus 2012 van de zijde van [eiser] c.s. met producties

- de conclusie van antwoord in kort geding

- de brief d.d. 13 augustus 2012 van de zijde van [eiser] c.s. met een productie

- de brief d.d. 14 augustus 2012 van de zijde van [gedaagde] c.s. met een productie

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser] c.s.

- de schriftelijke verklaring van [eiser] c.s.

-

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In september 2008 is een samenwerkingsovereenkomst gesloten, door partijen genoemd ‘LUSARO 1’, tussen de volgende zeven partijen:

- de eenmanszaak Lusaro, vertegenwoordigd door [eiser] c.s.,

- de stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmegen,

- Trios B.V.,

- Kip Caravans B.V.,

- Holland Euro-Pacific Industrial Suppliers B.V.,

- WEGA Machinefabriek B.V.,

- de eenmanszaak TDS Trailerbouw, vertegenwoordigd door [gedaagde] c.s..

Uit deze samenwerkingsovereenkomst wordt geciteerd:

OVERWEGENDE DAT:

- Partijen willen participeren in het project: “Lusaro, innovatie in aanhangers”, hierna te noemen Het Project;

(...)

- Partijen voor hun samenwerking t.b.v. Het Project subsidie zullen aanvragen uit het programma 2007-2013 van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO)

2.2. In het kader van project LUSARO 1 is een neuswielmodule en een chassis voor zowel een boottrailer als een caravan ontwikkeld.

2.3. Er is een overeenkomst gesloten, ingaande op 1 juli 2010, met de titel Samenwerkingsovereenkomst ‘LUSARO 2, uitbreiding op LUSARO 1’, tussen de volgende drie partijen:

- de eenmanszaak Lusaro, vertegenwoordigd door [eiser] c.s.,

- de eenmanszaak PP tailor-tronics, vertegenwoordigd door de heer [ ] [betrokkene],

- de eenmanszaak TDS Trailerbouw, vertegenwoordigd door [gedaagde] c.s..

Uit deze samenwerkingsovereenkomst wordt geciteerd:

1. Definities

In deze overeenkomst wordt verstaan onder:

(...)

2. Het Projectplan: Het Projectplan ‘Lusaro-2, uitbreiding op Lusaro-1’ dat onderdeel uitmaakt van deze overeenkomst, inclusief de door alle Partijen geaccordeerde wijzigingen hierop.

3. Eindproducten:

3.1. een prototype van de ‘LUSARO Lichtgewicht Caravan’: volgens projectplan ontwikkelde lichtgewicht caravan waarin de onderdelen NWM, DDM, IBS en TMS zijn toegepast;

3.2. een 0-serie prototype van de ‘TDS Boottrailer’: volgens projectplan ontwikkelde lichtgewicht boottrailer, waarin de onderdelen NWM, DDM, IBS en TMS zijn toegepast.

4. Deelproducten:

4.1. Neuswielmodule, afgekort NWM, ontwikkeld conform Technisch Domein 3 van

het projectplan

4.2. Geavanceerde Elektrische Aandrijving, na dit project genaamd DirectDriveMover afgekort: DDM, ontwikkeld conform Technisch Domein 4 van het projectplan

4.3. Intelligent Elektrisch Remsysteem, na dit project genaamd Intelligent Braking System afgekort: IBS, ontwikkeld conform Technisch Domein 5 van het projectplan

4.4. Geintegreerde Elektronica, na dit project genaamd Trailer management System afgekort: TMS, ontwikkeld conform Technische Domein 6 van het projectplan

5. Einde van het project: 33 maanden na de startdatum van 1 juli 2010. Indien wijziging in de aard – of in de uitvoering van Het Project vooraf wordt goedgekeurd door EFRO – Management Autoriteit Oost-Nederland en bedoelde wijziging een vertraging in de uitvoering met zich brengt, zal de duur van de overeenkomst navenant worden verlengd.

2. Doel van de samenwerkingsovereenkomst

1. Deze overeenkomst heeft tot doel de randvoorwaarden en condities te omschrijven tijdens Het Project waaronder Partijen industrieel onderzoek & experimenteel ontwikkeling zullen uitvoeren zoals omschreven in Het Projectplan, dat een integraal onderdeel vormt van deze overeenkomst.

2. Deze overeenkomst regelt tevens de randvoorwaarden en condities waaronder Partijen tot vijf jaar na het Einde en tijdens Het Project de Deel- en Eindproducten zoals genoemd in artikel 1 mogen exploiteren.

3. Duur van de overeenkomst

1. De onderhavige samenwerkingsovereenkomst treedt in werking op 1 juli 2010 en wordt aangegaan tot vijf jaar ná het Einde van Het Project.

(...)

3. De artikelen 13 tot en met 17 blijven van toepassing na afloop van deze overeenkomst.

5. Projectcoördinatie en Projectadministratie

1. Partijen verklaren hierbij dat de heer [eiser] gemachtigd is ten behoeve van Het Project subsidie aan te vragen uit het programma 2007-2013 van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en deze subsidieaanvraag mede namens hen te verrichten.

2. De heer [eiser] zal optreden als projectleider, penvoerder en eindverantwoordelijke voor Het Project.

3. Partijen verbinden zich om ten behoeve van Het Project zorg te dragen voor een nadere indiening van de stukken zoals vereist op grond van de verplichtingen, verbonden aan de subsidieverlening EFRO door de Management Autoriteit Oost-Nederland. Partijen zijn op de hoogte van deze subsidievoorwaarden.

4. De in het kader van Het Project aangevraagde en toegekende subsidie zal door penvoerder op basis van werkelijk gemaakte kosten over de Partijen worden verdeeld. Kosten kunnen slechts worden vergoed conform de in het Projectplan opgenomen specificatie, rekening houdend met de verplichtingen uit hoofde van de subsidieverlening door EFRO, en de door partijen toegezegde eigen bijdragen, zoals genoemd in artikel 7 van deze overeenkomst.

6. Rapportage en voortgang van Het Project

1. Partijen verbinden zich om een deugdelijke administratie te voeren van de kosten die worden gemaakt in het kader van Het Project. Van de administratie zal een sluitende urenregistratie deel uitmaken.

2. Na afloop van elke maand zal door iedere Partij een rapportage worden verstrekt aan de projectleider, waaronder de administratie zoals genoemd in lid 1.

3. Eenmaal per 3 maanden zal door iedere Partij een rapportage worden verstrekt aan de projectleider, waarin de voortgang en de resultaten zijn opgenomen die tijdens de afgelopen rapportageperiode in het kader van Het Project door de betreffende Partij zijn gemaakt, respectievelijk verkregen.

4. Eenmaal per 3 maanden verstrekt de projectleider een rapportage aan de programmacommissie van EFRO, op basis van de door de Partijen verstrekte informatie. Hierin zijn de totale voortgang en resultaten opgenomen die tijdens de achterliggende periode werden gemaakt, respectievelijk verkregen in het kader van Het Project.

(...)

2.4. Bij besluit van 9 september 2010 heeft de Managementautoriteit Gelderland en Overijssel op aanvraag van ‘LUSARO [eiser]’ voor het project ‘LUSARO 2, uitbreiding op LUSARO 1’ eenmalig een subsidie verleend van maximaal € 2.000.324,-. In het besluit staat onder meer:

In de bijlagen zijn de begrote kosten en financiering per begunstigde opgenomen. Deze bijlagen zijn onderdeel van de beschikking subsidieverlening. De penvoerder, LUSARO, is verantwoordelijk voor een tijdige, juiste en volledige doorbetaling van de subsidie aan de overige begunstigden.

2.5. Op 27 september 2010 heeft Lusaro B.V. op deze subsidie een voorschot ontvangen van € 400.064,80. Op 29 september 2010 heeft zij daarvan aan [gedaagde] c.s. een bedrag betaald van € 230.000,-.

2.6. [eiser] heeft bij brief van 3 januari 2011, samen met [betrokkene], de

samenwerking met [gedaagde] beëindigd. [gedaagde] heeft zich tegen de beëindiging van

de samenwerking verzet.

2.7. Bij brief van 10 januari 2011 hebben de provincies Gelderland en Overijssel [eiser] c.s. onder meer bericht:

De uren van TDS, met een totale waarde van € 42.897, zijn afgekeurd in verband met onvoldoende onderbouwing van deze uren. Indien voldoende duidelijk gemaakt kan worden dat deze uren betrekking hebben op het project, kunnen deze in een volgende voortgangsrapportage opnieuw opgevoerd worden.

2.8. [eiser] en [betrokkene] zijn vervolgens op zoek gegaan naar een nieuwe partner om de taken van [gedaagde] uit te voeren, welke partner zij in Crearo B.V. hebben gevonden. Het subsidiebesluit van de Provincie Gelderland is op 9 juni 2011 dan ook gewijzigd, in die zin dat Crearo B.V. in plaats van [gedaagde] en Tonli Beheer B.V. als partij bij het project ‘LUSARO 2, uitbreiding op LUSARO 1’ is opgenomen.

2.9. Bij vonnis in kort geding van 16 mei 2011, gewezen tussen [gedaagde] als eiser en [eiser] en Lusaro B.V. als gedaagden, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [eiser] veroordeeld tot teruggave aan [gedaagde] van (het chassis van) de lichtgewicht caravan op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten. De vordering tot voorzetting van de samenwerkingsovereenkomst omdat deze niet rechtsgeldig zou zijn beëindigd heeft de voorzieningenrechter afgewezen.

2.10. Dit vonnis is door het gerechtshof Arnhem bij arrest van 24 april 2012 bekrachtigd.

2.11. In de tussenliggende periode hebben partijen ook een bodemprocedure bij de rechtbank Arnhem gevoerd, waarbij [eiser] en Lusaro B.V. in conventie een verklaring voor recht dat de samenwerkingsovereenkomst was ontbonden en terugbetaling van het door [gedaagde] en Tonli Beheer B.V. reeds ontvangen voorschotbedrag van

€ 230.000,00 hebben gevorderd. In reconventie hebben [gedaagde] en Tonli Beheer B.V. na eiswijziging onder meer gevorderd dat [eiser] en Lusaro B.V. worden verplicht om de samenwerkingsovereenkomst voor te zetten en om het prototype van de neuswielmodule terug te geven, een en ander op straffe van een dwangsom.

2.12. Bij eindvonnis van 13 juni 2012 heeft de rechtbank Arnhem de vorderingen in conventie afgewezen en in reconventie onder meer het volgende overwogen en beslist:

(…)

3.11. Zoals hiervoor is overwogen, is de samenwerkingsovereenkomst niet rechtsgeldig ontbonden of opgezegd en wordt [eiser] c.s. veroordeeld tot nakoming jegens [gedaagde] c.s.. In het kader van die samenwerking zal [gedaagde] c.s. over de neuswielmodule moeten kunnen beschikken. Daaruit volgt dat [eiser] c.s. gehouden is de neuswielmodule aan hem ter beschikking te stellen. De vordering die strekt tot teruggave van de neuswielmodule is dus toewijsbaar. De vordering [eiser] c.s. tot het betalen van schadevergoeding te veroordelen als het door zijn toedoen onmogelijk is geworden de neuswielmodule af te geven, wordt afgewezen. [eiser] c.s. heeft immers gesteld dat hij over de neuswielmodule beschikt, zodat niet voldoende aannemelijk is geworden dat deze niet zal kunnen worden afgegeven. De (afzonderlijk) gevorderde dwangsom zal worden afgewezen omdat het ter beschikking stellen van de neuswielmodule wordt beschouwd als een element van de voortzetting van de samenwerking, waartoe [eiser] c.s. reeds op straffe van een dwangsom zal worden veroordeeld, zoals gevorderd onder II. (…)

4. De beslissing

(…)

in reconventie

4.4. verklaart voor recht dat de samenwerkingsovereenkomst ‘Lusaro 2, uitbreiding

op Lusaro 1’ niet rechtsgeldig is beëindigd;

4.5. veroordeelt [eiser] c.s. de samenwerking conform de

samenwerkingsovereenkomst en de daarin genoemde partijsamenstelling ten aanzien van het project Lusaro 2 voort te zetten op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag of dagdeel dat niet aan deze veroordeling wordt voldaan vanaf een maand na betekening van dit vonnis tot een maximum van € 1.000.000,- (zegge: eenmiljoen euro);

4.6. (…)

veroordeelt [eiser] c.s. tot teruggave aan [gedaagde] c.s. van het prototype van de neuswielmodule, waarvan een foto is overgelegd als productie 18 bij conclusie van antwoord tevens conclusie van eis in reconventie; (…)

2.13. Op 14 juni 2012 is de grosse van het vonnis van 13 juni 2012 aan [eiser] en Lusaro B.V. betekend.

2.14. Bij brief van 15 juni 2012 heeft de advocaat van [gedaagde] [eiser] en zijn voormalig advocaat verzocht om verhinderdata op te geven om op korte termijn een bespreking te plannen. Ook heeft zij [eiser] verzocht om het prototype van de neuswielmodule af te geven.

2.15. [eiser] heeft op 21 juni 2012 een gesprek met de Managementautoriteit Oost-Nederland van de Provincie Gelderland gevoerd.

2.16. Op 2 juli 2012 heeft de voormalige advocaat van [eiser] bij brief van 2 juli 2012 onder meer het volgende aan de advocaat van [gedaagde] bevestigd:

(…) Cliënt zal de samenwerking conform de samenwerkingsovereenkomst en de daarin genoemde partijsamenstelling ten aanzien van het project Lusaro 2 voortzetten en wel met ingang van 1 juli jl. (…)

Op 21 juni jl. heeft cliënt in zijn hoedanigheid als subsidieontvanger, projectleider en penvoerder een gesprek gehad met de Management Autoriteit Provincie Gelderland, waarbij de mogelijkheden zijn besproken inzake de subsidie voor goedgekeurde kosten van de heer [gedaagde]. De huidige subsidiebeschikking zal daarvoor aangepast moeten worden. De Management Autoriteit zal daarbij haar medewerking verlenen.

Alle deelnemers aan het project dienen zich aan de verplichtingen te houden welke voortvloeien uit de bij het project behorende samenwerkingsovereenkomst. (…)

Derhalve verzoek ik u hierbij op grond van de samenwerkingsovereenkomst de resultaten van uw cliënt welke hij tot nu toe behaald heeft binnen het project Lusaro2 alsmede een financieel overzicht van de door uw cliënt gemaakt kosten binnen een week gerekend vanaf 1 juli a.s. naar ondergetekende danwel rechtstreeks naar cliënt, die projectleider en penvoerder van het Lusaro2-project is, toe te sturen. Cliënt zal vervolgens op eenzelfde wijze zoals hij dat bij alle deelnemers aan het project doet, de door hem goedgekeurde kosten direct meenemen in de declaratie van Lusaro2 betreffende het tweede kwartaal over het jaar 2012. Voorts kan cliënt het project Lusaro2 dan zowel technisch inhoudelijk alsmede financieel inrichten voor wat de samenwerking met de heer [gedaagde] betreft. (…)

Ten slotte merk ik nog op dat cliënt tijdens alle gerechtelijke procedures herhaaldelijk heeft aangegeven dat de neuswielmodule van de boottrailer uit het Lusaro1 project niet meer aanwezig is. Dit is in het tussenvonnis van de bodemprocedure bij de rechtbank ook zo begrepen. Door een misverstand heeft de rechtbank in haar eindvonnis per abuis aangenomen dat cliënt nog wel in het bezit zou zijn van de neuswielmodule van de boottrailer uit het Lusaro1 project. Dit is dus onjuist. (…)

2.17. Partijen hebben vervolgens getracht om een bespreking te plannen over de invulling van de verdere samenwerking.

2.18. In verband met verhinderingen dan wel vakanties van de advocaten heeft die bespreking op 9 juli 2012 plaatsgevonden.

2.19. [eiser] heeft op 10 juli 2012 wederom een gesprek met de Managementautoriteit Oost-Nederland van de Provincie Gelderland gevoerd.

2.20. Op 10 juli 2012 heeft de advocaat van [gedaagde] over de bespreking van 9 juli 2012 onder meer het volgende aan de voormalig advocaat van [eiser] geschreven:

(…) Aangezien in uw brief van 2 juli jl. werd aangegeven dat [eiser] de samenwerking conform de samenwerkingsovereenkomst en de daarin genoemde partijsamenstelling ten aanzien van het project Lusdaro2 wenste voort te zetten en daarmee het vonnis van de Rechtbank Arnhem van 13 juni jl. zou respecteren, was het doel van [gedaagde] deze bespreking in te gaan met een open vizier en verkeerde [gedaagde] in de veronderstelling dat tijdens deze bespreking een goed gesprek tot stand zou komen waarin partijen, met vertrouwen in een vruchtbare voortzetting van de samenwerking, concrete afspraken konden maken over de praktische uitvoering hiervan.

Direct bij binnenkomst bleek al niet van een welwillende houding van [eiser]. Kort gezegd heeft [eiser] vervolgens tijdens deze bespreking aangegeven enkel een vruchtbare samenwerking te zien wanneer, onder andere, [gedaagde] voorheen gemaakte uren nader zou specificeren, [gedaagde] “daarna wel weer aan het werk kon” en pas wanneer [eiser] er vertrouwen in zou hebben dat [gedaagde] capabel zou zijn de werkzaamheden uit te voeren, partijen wel weer verder zou den praten. Voorts diende [gedaagde] de gewijzigde partijsamenstelling te respecteren (waarbij [eiser] geen partij meer zou zijn bij de samenwerkingsovereenkomst, maar Lusaro BV). Ook zou Crearo BV als partij werkzaamheden uitvoeren en blijven uitvoeren, waarbij [eiser] geen informatie wilde verschaffen over welke werkzaamheden Crearo BV heeft uitgevoerd en nog zou gaan uitvoeren en werd aan [gedaagde] slechts medegedeeld dat hij daar ook geen bemoeienis mee had. [eiser] heeft voorts aangegeven niet voornemens te zijn een (nieuwe) subsidieaanvraag te doen waarin [gedaagde] (conform het bepaalde in de samenwerkingsovereenkomst) zou worden meegenomen, doch dat [gedaagde] voortaan zou vallen onder de subsidieaanvraag van Lusaro BV. Volgens [eiser] zou [gedaagde] voorlopig nog wel budget hebben om zijn werkzaamheden uit te voeren en hoefde hij aldus op korte termijn geen nieuw budget te verwachten. [eiser]’gaf tevens aan niet meer in het bezit te zijn van de neuswielmodule en deze derhalve niet ter beschikking te zullen stellen aan [gedaagde]. Wanneer [gedaagde] niet zou kunnen instemmen met onder meer bovengenoemde, zou volgens [eiser] geen vruchtbare samenwerking mogelijk zijn. [eiser] heeft daarna de bespreking verlaten. (…)

2.21. Bij brief van 12 juli 2012 heeft de voormalig advocaat van [eiser] op de brief van de advocaat van [gedaagde] van 10 juli 2012 gereageerd:

Cliënt is het in zijn geheel oneens met de stelling van uw cliënt dat hij zich tijdens het viergesprek bij mij op kantoor op maandag 9 juli jl. onwelwillend heeft opgesteld jegens uw cliënt. Cliënt is het derhalve ook niet eens met de wijze waarop door u de gang van zaken in uw fax van 10 juli jl. is omschreven.

Hoe dit ook zij, namens cliënt laat ik u hiermee nogmaals weten dat hij de samenwerkingsovereenkomst daadwerkelijk met de heer [gedaagde] wenst te herstellen en wenst voort te zetten en dat deze toezegging van cliënt niet enkel en alleen berust op loze beloften.

Inmiddels zijn er na het vonnis van 13 juni jl. van de Rechtbank Arnhem in mijn aanwezigheid al meerdere gesprekken gevoerd tussen cliënt en de Managent Autoriteit van de provincie (MA) met als doel te bezien op welke wijze de MA een bijdrage zou kunnen leveren bij het herstel van de samenwerkingsovereenkomst tussen cliënt en uw cliënt. Tevens is door cliënt met de MA gesproken over subsidie voor uw cliënt alsmede over de wijze waarop deze subsidiebedragen zo effectief mogelijk voor uw cliënt ingeruimd zouden kunnen worden en aan uw cliënt ter beschikking gesteld zouden kunnen worden.

Hieronder zal ik namens cliënt uiteenzetten op welke wijze cliënt het zich voorstelt om een en ander ook per direct op effectieve wijze uit te voeren.

De partijsamenstelling van de tussen partijen geldende samenwerkingsovereenkomst blijft ongewijzigd. Alle aan de samenwerkingsovereenkomst deelnemende partijen zullen gezamenlijk direct – d.w.z. uiterlijk op 16 juli a.s. – een wijzigingsverzoek indienen bij de MA teneinde het huidige subsidiebesluit te wijzigen.

Door partijen zal aan de MA verzocht worden een subsidiebudget voor uw cliënt in te ruimen en aan uw cliënt af te geven. Cliënt zal uw cliënt voorts inzicht geven in de huidige stand van zaken in het project en nadere afspraken over de voortgang van het project met uw cliënt maken. Cliënt zal hiertoe echter pas overgaan, nadat het wijzigingsverzoek door partijen gezamenlijk bij de MA is ingediend en nadat uw cliënt net als alle andere deelnemers aan het project op grond van de samenwerkingsovereenkomst intussen inzicht zal hebben verschaft aan cliënt in zijn hoedanigheid als penvoerder dan wel rechtstreeks aan de MA in zijn administratie, waaronder rapportages en urenspecificaties, en tot nu toe verrichte werkzaamheden en behaalde resultaten in het project. (…)

Voor de goede orde bericht ik u hiermee ten slotte nog dat cliënt in verband met zijn vakantie niet aanwezig zal zijn van maandag 16 juli a.s. tot maandag 30 juli a.s.

Ondergetekende zal in verband met vakantie niet op kantoor aanwezig zijn vanaf vrijdag 20 juli a.s. tot en met vrijdag 10 augustus a.s. (…)

2.22. Bij brief van 13 juli 2012 heeft de advocaat van [gedaagde] op de brief van 12 juli 2012 gereageerd en enkele vragen aan [eiser] gesteld.

2.23. Op 16 juli 2012 heeft de voormalig advocaat van [eiser] wederom op de brief van 13 juli 2012 gereageerd en de door [eiser] gegeven antwoorden op de vragen als bijlage meegezonden. Op deze bijlage staat onder meer het volgende:

Vraag 1: deelnemende partijen:

• Lusaro BV

• PP Tailor Tronics

• TDS

Vraag 2: aan te vragen subsidiebudget:

• Dit wordt verricht door de bovengenoemde 3 partijen

• Het uitgangspunt van het budget voor de heer [gedaagde] is dat deze een vergelijkende opbrengst heeft als het budget van september 2010. Het maximaal te innen subsidiebedrag voor de heer [gedaagde] was hierin € 1.152.633,40 waarbij hij

€ 981.390,- aan externe kosten diende te betalen. De maximale opbrengst in dit budget was dus 1.152.633,40 – 981.390 = €171.243,40

• De definitieve hoogte zal vastgesteld worden in een nader te bepalen overleg tussen de partijen, daarin kan de heer [gedaagde] aangegeven wat zijn wensen zijn. (…)

• De rol van de heer [gedaagde] bij de aanvraag is evident daar hij bij goedkeuring een directe beschikking zal krijgen, dus niet meer zoals bij de subsidie van september 2010 waarin de heer [gedaagde] begunstiger was.

De gang van zaken met de MA Provincie Gelderland:

Zoals reeds eerder aangegeven heeft de heer [gedaagde] tot nu toe geen directe relatie met de MA Provincie Gelderland. Er was dan ook geen aanleiding om met de heer [gedaagde] daar naar toe te gaan. (…)

Status huidig LUSARO2 project:

1. LW Caravan: er is 1 concept uitgewerkt waarvan een validatie-model wordt gemaakt

2. LW Boottrailer: alleen TDS heeft hier iets voor ontwikkeld, verder is hier niets meer mee gebeurd

3. Neuswielmodule: er is 1 concept uitgewerkt voor het validatie-model caravan. De versie uit het project LUSARO1 is veel te complex en te duur bevonden past niet in de businesscase van LUSARO2. Vandaar dat de versie van LUSARO1 is ontmanteld.

4. Remmen: er is 1 concept uitgewerkt waarvan binnenkort bij de RDW met testen wordt aangevangen

5. Aandrijving: er is 1 concept uitgewerkt waarmee het eerste validatie-model caravan zal worden uitgerust

6. Geïntegreerde elektronica: hiervan zijn diverse modules onderzocht en ontwikkelt

2.24. Op 19 juli 2012 heeft de advocaat van [gedaagde] ondermeer het volgende aan de voormalig advocaat van [eiser] bericht:

Inmiddels heb ik uw laatste brief en de voortgang uitgebreid met [gedaagde] kunnen bespreken. Op grond van uw laatste brief en hetgeen blijkt uit eerdere correspondentie en de bespreking van 9 juli jl., kan [gedaagde] tot geen andere conclusie komen dan dat uw cliënt het vonnis van 13 juni jl. niet nakomt en enkel omtrekkende bewegingen maakt.

(…) Aangezien [eiser] het vonnis op dit moment niet nakomt, is [gedaagde] van mening dat [eiser] hem op dit moment dwangsommen is verschuldigd ten bedrage van € 50.000,- en dat de hoogte van de dwangsommen op deze wijze alleen maar op zal lopen.

Wil [eiser] voorkomen dat de hoogte van de dwangsommen oploopt, dan rest hem niet anders dan het vonnis van 13 juni jl. na te komen.

2.25. Op 20 juli 2012 heeft de deurwaarder in opdracht van [gedaagde] en Tonli Beheer B.V. een exploot aan [eiser] en Lusaro B.V. betekend waarin hen is aangezegd dat zij in gebreke zijn gebleven om aan de veroordeling 4.5. in het vonnis van 13 juni 2012 te voldoen, waardoor zij dwangsommen hebben verbeurd ten bedrage van zes maal

€ 10.0000,00, dus in totaal € 60.0000,00. Tevens zijn [eiser] en Lusaro B.V. bij dit exploot bevolen:

(…) om binnen twee dagen na vandaag ten behoeve van degene op wiens verzoek dit exploot wordt gedaan bij Alkema | Vloet | Kuijpers Gerechtsdeurwaarders te betalen:

- hoofdsom € 60.000,00

- kosten van dit exploot, (…) € 66,14

- totaal € 60.066,14

MET AANZEGGING:

dat bij niet tijdige voldoening aan de inhoud van voormelde executoriale titel en het ten deze gedane bevel, zal worden overgegaan tot de tenuitvoerlegging van de hiervoor aangeduide executoriale titel door de inbeslagname en verkoop van de roerende en/of onroerende zaken van gerekwireerde en verder door alle andere middelen en wegen van executie (…)

2.26. [eiser] en Lusaro B.V. hebben niet aan het in het exploot genoemde bevel voldaan.

2.27. Op 25 juli 2012 heeft de deurwaarder in opdracht van [gedaagde] en Tonli Beheer B.V. executoriaal derdenbeslag onder de ING Bank N.V., de Rabobank De Liemers U.A., de stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmgen en de Provincie Gelderland gelegd.

2.28. Deze exploten heeft de deurwaarder op 27 juli 2012 aan [eiser] en Lusaro B.V. betekend.

2.29. Op 31 juli 2012 heeft een bespreking tussen de Management Autoriteit van de Provincie Gelderland en [eiser] plaatsgevonden.

2.30. Vervolgens heeft er op 1 augustus 2012 een bespreking tussen [eiser], [gedaagde] en zijn advocaat plaatsgevonden. Voorafgaand aan deze bespreking had [eiser] een alternatief schriftelijk voorstel naar de advocaat van [gedaagde] gezonden en tijdens deze bespreking heeft [gedaagde] [eiser] te kennen gegeven dat hij niet voornemens was om de executie van de dwangsommen te staken.

2.31. Op 3 augustus 2012 heeft de Provincie Gelderland onder meer het volgende aan Lusaro B.V. geschreven:

Wij zijn voornemens ons subsidiebesluit d.d. 9 september 2010 en de wijziging hierop d.d. 9 juni 2011 in te trekken. (…) Voordat wij een definitief besluit nemen stellen wij u in de gelegenheid, om binnen twee weken na dagtekening van deze brief, uw schriftelijke zienswijze ten aanzien van ons voorgenomen besluit naar voren te brengen. (…)

Het opgelegde executoriale derdenbeslag verhindert verdere voortzetting van het project (…)

2.32. Omstreeks 7 augustus 2012 hebben partijen nogmaals getracht een bespreking te plannen, hetgeen niet gelukt is.

3. Het geschil

3.1. [eiser] c.s. vordert samengevat –

a. alle door gedaagden ten laste van eisers gelegde executoriale beslagen op grond van de vonnissen van 16 mei 2011 en 13 juni 2012 op te heffen, waaronder in ieder geval de gelegde executoriale derdenbeslagen onder ING Bank, Rabobank De Liemers, Stichting Hogeschool van Arnhem en Nijmegen en de Provincie Gelderland;

b. gedaagden te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis alle derden waaronder executoriaal derdenbeslag is gelegd op basis van de onder punt a genoemde vonnissen schriftelijk mede te delen dat de executoriale beslagen zijn opgeheven onder gelijktijdige overlegging van deze brief aan de advocaat van eisers;

c. te bepalen dat gedaagden de executie van de vonnissen van 16 mei 2011 en 13 juni 2012 dienen te staken en gestaakt dienen te houden nu eisers volledig aan deze vonnissen hebben voldaan en eisers derhalve geen dwangsommen aan gedaagden verschuldigd zijn, op straffen van een dwangsom van € 500.000,00 per overtreding van dit verbod, welke dwangsom gedaagden in dat geval hoofdelijk aan gedaagden verschuldigd zijn;

d. gedaagden te veroordelen tot terugbetaling aan eisers van al hetgeen zij hebben ontvangen van de derden genoemd in punt a. uit hoofde van de executoriale derdenbeslagen;

e. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten van € 131,00 aan nasalaris advocaat te vermeerderen met een bedrag van € 68,00 bij betekening van het vonnis.

3.2. [gedaagde] c.s. voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiser] c.s. vordert opheffing van de door [gedaagde] c.s. gelegde executoriale beslagen op grond van de vonnissen van 16 mei 2011 en 13 juni 2011; veroordeling van gedaagden tot het doen van mededeling van deze opheffing aan de derden onder wie executoriaal derdenbeslag is gelegd; staking van de executie van de vonnissen van 16 mei 2011 en 13 juni 2012; veroordeling tot terugbetaling van hetgeen zij uit hoofde van de executoriale derdenbeslagen van de derden mochten hebben ontvangen en een veroordeling in de proceskosten.

4.2. Het gaat in dit geding om de executie van twee vonnissen, namelijk het kortgedingvonnis van 16 mei 2011 en het eindvonnis in de bodemzaak van 13 juni 2012. [gedaagde] c.s. hebben een viertal executoriale beslagen gelegd, die alle zijn gebaseerd op het vonnis van 13 juni 2012. [gedaagde] c.s. hebben onbetwist gesteld dat er geen executoriaal beslag is gelegd op grond van het vonnis van 16 mei 2011. De kern van het geschil betreft de executie van de dwangsommen op grond van het vonnis van 13 juni 2012. Daarop zal daarom eerst worden ingegaan.

4.3. Vooropgesteld wordt dat in een executiegeschil als het onderhavige, de rechter zich ertoe dient te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient de rechter het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel.

4.4. [eiser] c.s. is bij vonnis van 13 juni 2012 onder 4.5. veroordeeld de samenwerking conform de samenwerkingsovereenkomst en de daarin genoemde partijsamenstelling ten aanzien van het project Lusaro 2 voort te zetten op straffen van een dwangsom van € 10.000,00 per dag of dagdeel, met een maximum van € 1.000.000,00, vanaf een maand na betekening van het vonnis.

4.5. Het gaat om de vraag of [eiser] c.s. dwangsommen heeft verbeurd, omdat hij niet of onvoldoende heeft voldaan aan het in het vonnis van 13 juni 2012 onder r.o. 4.5. en 4.7. neergelegde bevel. Volgens [eiser] c.s. heeft hij geen dwangsommen verbeurd. Zijn standpunt komt er zeer kort samengevat op neer dat hij zich bereid heeft verklaard tot voortzetting van de overeenkomst en dat de door [gedaagde] c.s. aan de orde gestelde aspecten alle de uitvoering van de overeenkomst betreffen. Verder heeft hij betoogd dat hij zijnerzijds het nodige heeft gedaan om aan de voortzetting uitvoering te geven.

4.6. [gedaagde] c.s. heeft gesteld dat [eiser] c.s. weliswaar voorstellen doet, maar niet doet waartoe hij op grond van het vonnis is gehouden. [gedaagde] c.s. verwijt [eiser] c.s. dat:

- [eiser] c.s. heeft aan hem de neuswielmodule niet ter beschikking gesteld;

- [eiser] c.s. weigert informatie te verstrekken over de stand van het project;

- [eiser] c.s. verlangt eerst een urenverantwoording van [gedaagde] c.s. over het verleden, waartoe [gedaagde] c.s. niet gehouden is en die hij overigens in het verleden al heeft verstrekt;

- Er nog steeds een derde (Crearo) betrokken is bij het project;

- [eiser] c.s. de samenwerking wenst voort te zetten op naam van zijn BV Lusaro.

4.7. Allereerst de neuswielmodule. [eiser] c.s. is bij het vonnis van 13 juni 2012 veroordeeld tot teruggave aan [gedaagde] c.s. van het prototype van de neuswielmodule. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat ter comparitie van 9 december 2011 de vraag aan de orde was wie over de neuswielmodule beschikte en dat hij daarop heeft verklaard dat hij dat was. De toestand waarin de neuswielmodule op dat moment verkeerde is destijds niet aan de orde geweest. Op dat moment was de neuswielmodule, vervaardigd in het kader van het project Lusaro I, echter reeds deels ontmanteld. In de periode daarna is de neuswielmodule verder ontmanteld en gebruikt bij de ontwikkeling van de caravanneuswielmodule in het kader van Lusaro II. [betrokkene], ter zitting aanwezig, heeft dit bevestigd en verklaard dat de neuswielmodule ongeveer een jaar geleden is ontmanteld. Ten slotte heeft [eiser] c.s. foto’s overgelegd van de neuswielmodule voor ontmanteling en na ontmanteling. Dit alles is door [gedaagde] c.s. niet gemotiveerd betwist. In het kader van dit kort geding is dan voldoende aannemelijk dat de neuswielmodule voorafgaand aan het vonnis van 13 juni 2012 reeds was ontmanteld en dat het [eiser] c.s. thans niet mogelijk is die neuswielmodule aan [gedaagde] c.s. te retourneren.

4.8. Aan de veroordeling tot teruggave van de neuswielmodule is niet afzonderlijk een dwangsom verbonden. De rechtbank heeft daarover overwogen: “De (afzonderlijk) gevorderde dwangsom zal worden afgewezen omdat het ter beschikking stellen van de neuswielmodule wordt beschouwd als een element van de voortzetting van de samenwerking, waartoe [eiser] reeds op straffe van een dwangsom zal worden veroordeeld, zoals gevorderd onder II.” Gezien het feit dat aan deze veroordeling niet separaat een dwangsom is verbonden, is gezien het enkele feit dat de neuswielmodule nog niet is teruggegeven niet per se een dwangsom verbeurd. Dit aspect dient te worden betrokken bij de vraag of aan de veroordeling tot voortzetting van de samenwerking is voldaan.

4.9. [gedaagde] c.s. heeft verder gesteld dat niet aan de veroordeling tot voortzetting is voldaan omdat nog steeds een derde (Crearo) verbonden is aan het project. Op hem rust de last aannemelijk te maken dat dat zo is. [eiser] c.s. heeft dat betwist. Ter onderbouwing van die betwisting heeft hij een emailbericht van 10 augustus 2012 van de heer [betrokkene 2] namens Crearo overgelegd, waarin deze bevestigt dat hij aan mr. Van Ast heeft medegedeeld dat hij ‘eruitgeknikkerd’ is. Namens [gedaagde] c.s. is ter zitting de waarheidsgetrouwheid van die verklaring in twijfel getrokken. De waarheidsgetrouwheid van de mededeling van [betrokkene 2] kan in dit kort geding niet worden onderzocht. Dat vereist een nader onderzoek, waarvoor dit kort geding zich niet leent. In dit stadium is dan onvoldoende aannemelijk dat Crearo nog bij het project betrokken is en dat [eiser] c.s. op die grond dwangsommen heeft verbeurd.

4.10. [gedaagde] c.s. heeft verder aangevoerd dat [eiser] c.s. als voorwaarde stelt dat zijn vennootschap Lusaro B.V. als partij bij de samenwerkingsovereenkomst wordt betrokken. Dat is volgens [gedaagde] c.s. in strijd met de veroordeling tot voortzetting ‘conform de samenwerkingsovereenkomst en de daarin genoemde partijsamenstelling’. [eiser] c.s. heeft aangevoerd dat hij al kort na het aangaan van de samenwerkingsovereenkomst medio 2010 op advies van zijn accountant de werkzaamheden is gaan verrichten via Lusaro B.V., dat [gedaagde] c.s. daar niet eerder bezwaar tegen heeft gemaakt, dat hij bereid is zich naast Lusaro B.V. persoonlijke aansprakelijkheid te aanvaarden en de bedoelde zinsnede in de veroordeling niet ziet op de bv’s van partijen maar op de betrokkenheid van een derde (Crearo).

4.11. Hierover wordt als volgt overwogen. Het gaat hier om uitleg van de geciteerde zinsnede uit het dictum. Een in het dictum van een rechterlijk vonnis uitgesproken veroordeling dient te worden uitgelegd in relatie tot de overwegingen waarop zij steunt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de verwijzing naar de partijsamenstelling in ro. 4.5. van het vonnis van 13 juni 2012 moet worden gelezen in relatie tot ro. 3.14 tot en met 3.16. In die rechtsoverwegingen heeft de rechtbank geoordeeld over de vordering van [gedaagde] c.s. onder IX (het gevorderde verbod aan [eiser] c.s. om de samenwerking voort te zetten met een derde in [gedaagde]s plaats). Nadat de rechtbank had overwogen dat het [eiser] c.s. niet vrijstaat [gedaagde] c.s. bij de uitvoering van het project te vervangen door een derde, is beslist: “Omdat [gedaagde] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welk belang hij heeft bij een afzonderlijke veroordeling als gevorderd onder IX naast een veroordeling als gevorderd onder II [ het gebod tot voortzetting van de samenwerking, rb], wordt de vordering onder IX afgewezen.” Daaruit volgt voorshands dat de veroordeling ziet op de vervanging van [gedaagde] c.s. door Crearo. Of de veroordeling ook ziet op de door [eiser] c.s. gewenste betrokkenheid van Lusaro B.V. wordt uit het vonnis niet duidelijk. Wel is namens [gedaagde] c.s. ter zitting verklaard dat ook Lusaro B.V. is veroordeeld tot voortzetting van de samenwerkingsovereenkomst. Hoe zich dat verhoudt tot de stelling dat [eiser] c.s. de veroordeling niet nakomt doordat hij een gewijzigde overeenkomst wenst te sluiten op naam van Lusaro B.V., is de voorzieningenrechter niet duidelijk. In ieder geval zal deze verwarring in het kader van de vraag of [eiser] c.s. hierdoor dwangsommen heeft verbeurd, voor risico van [gedaagde] c.s. worden gelaten.

4.12. De hamvraag is ten slotte of [eiser] c.s. met hetgeen hij heeft gedaan, onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de veroordeling.

4.13. [eiser] c.s. heeft:

- bij brief van 2 juli 2012 schriftelijk bevestigd dat hij bereid is de overeenkomst voort te zetten, welke bereidheid hij nadien nog heeft herhaald,

- twee maal een bespreking gevoerd met de Management Autoriteit Provincie Gelderland, te weten op 21 juni 2012 en 10 juli 2012, met als doel de mogelijkheid te bespreken van een wijziging van de subsidiebeschikking in verband met de samenwerking met [gedaagde],

- een bespreking gevoerd met [gedaagde] c.s. op 9 juli jl. waarin hij overleg heeft gevoerd over de voortgang van de samenwerking,

- nadere informatie verstrekt op 13 juli 2012.

Ook nadat de termijn van een maand was verstreken heeft [eiser] c.s. nog besprekingen gevoerd en gecorrespondeerd met de provincie en met [gedaagde] c.s.

4.14. Er staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter met onvoldoende mate van zekerheid vast dat een bodemrechter zal oordelen dat [eiser] c.s. met de door hem verrichte handelingen niet aan het gebod tot voortzetting van de samenwerkingsovereenkomst heeft voldaan en daarom dwangsommen heeft verbeurd. Voor dit oordeel is het volgende redengevend. In het vonnis van 13 juni 2012 is overwogen (ro. 3.6.) dat de partijen zich zullen moeten bezinnen op de vraag hoe uitvoering kan worden gegeven aan de samenwerkingsovereenkomst ‘Lusaro 2, voortzetting van Lusaro 1’ nu het subsidiebesluit van 9 september 2010 is gewijzigd door dat van 9 juni 2011. [eiser] c.s. heeft gesteld dat verdere samenwerking slechts mogelijk is indien de subsidieverstrekkende autoriteit daar haar medewerking aan verleent. Die stelling is niet gemotiveerd betwist zijdens [gedaagde] c.s., sterker nog, deze heeft verklaard dat het in 2010 aan hem verstrekte voorschot was verbruikt en daarmee in wezen bevestigd dat aanvullende subsidie zou dienen te worden verstrekt. Dat [eiser] c.s. voorstelt zich te richten op een wijzigingsverzoek aan de Management Autoriteit is in dat licht voorstelbaar. Met [gedaagde] c.s. is de voorzieningenrechter voorshands van mening dat het aan [eiser] is om nadere informatie over de stand van zaken in het project te verstrekken, althans meer informatie dan het overzicht van 13 juli 2012, doch het gegeven dat [eiser] c.s. deze informatie nog niet heeft verstrekt, is onvoldoende voor het oordeel dat [eiser] c.s. in ernst niet kon betwijfelen dat wat hij deed onvoldoende was. Daarbij wordt tevens in overweging genomen dat een veroordeling tot voortzetting van de samenwerking in zekere mate een duurkarakter heeft, dat duidelijk is dat voor effectuering van de samenwerking nog nader overleg tussen de partijen nodig was, dat de bestreken periode de zomerperiode betreft waarin zowel de advocaat van [gedaagde] c.s. als die van [eiser] c.s. als [eiser] zelf met vakantie gingen en dat de eerste bespreking – van 9 juli 2012 – in ieder geval in overleg met de advocaat van [gedaagde] c.s. op die datum is gepland.

4.15. Een en ander leidt er toe dat naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende zekerheid bestaat dat er tot op heden dwangsommen zijn verbeurd. Dit leidt er toe dat de executie van het vonnis zal worden geschorst. Weliswaar heeft [eiser] c.s. geen schorsing maar staking van de executie gevorderd, maar in de vordering tot staking ligt het mindere, schorsing, besloten. Voor een bevel tot staking van de executie bestaat anderzijds namelijk ook onvoldoende grond. Het is niet zo evident dat er geen dwangsommen zijn verbeurd dat [gedaagde] c.s. alleen al op grond daarvan misbruik van bevoegdheid maken door de executoriale beslagen te handhaven.

4.16. De schorsing van de executie van de dwangsommen zal in zoverre worden toegewezen, dat schorsing van de executie van de dwangsommen tot en met de datum van dit vonnis zal worden bevolen. Voor een verdergaande veroordeling voor wat betreft de toekomst bestaat geen grond. Voor een veroordeling op straffe van een dwangsom is geen aanleiding. Aangenomen moet worden dat dit vonnis voldoende waarborg vormt dat de executerend deurwaarder alvorens daarover in een bodemprocedure is beslist niet tot executie van dwangsommen tot en met de datum van dit vonnis over zal gaan.

4.17. Dan de vordering tot opheffing van de beslagen. Het beslag onder de provincie Gelderland zal worden opgeheven, aangezien namens [gedaagde] c.s. ter zitting is verklaard dat hij gezien het belang van ook [gedaagde] c.s. bij de voortgang van het project met opheffing daarvan kan instemmen. Weliswaar is zijdens [gedaagde] c.s. gesteld dat hij dan de voorkeur zou geven aan een geclausuleerde opheffing (alleen voor de vorderingen op de provincie die betrekking hebben op het project Lusaro II), maar ook met algehele opheffing kon hij instemmen, zo heeft de voorzieningenrechter begrepen. Nu hiervoor reeds is geoordeeld dat [gedaagde] c.s. geen misbruik van bevoegdheid maakt, is voor de opheffing van de overige beslagen geen grond. Dat [eiser] c.s. daardoor zwaar in hun belang worden getroffen en dat de voortgang van het project daardoor in gevaar komt – zoals zij stellen – maakt op zich niet dat [gedaagde] c.s. misbruik van bevoegdheid maakt.

4.18. Tussen de partijen staat vast dat [gedaagde] c.s. geen executoriale beslagen heeft gelegd uit hoofde van het vonnis van 16 mei 2011. De vordering tot opheffing van dergelijke executoriale beslagen zal dan worden afgewezen.

4.19. [eiser] c.s. heeft tevens staking van de executie van het vonnis van 16 mei 2011 gevorderd. In het kortgedingvonnis van 27 april 2012 is reeds beslist dat aangenomen moet worden dat [eiser] c.s. aan de veroordeling van 16 mei 2011 heeft voldaan. De voorzieningenrechter sluit zich bij de overwegingen in dat vonnis aan. Er is niets aangevoerd door de partijen op grond waarvan dat thans anders zou liggen. Op die grond zal ook ten aanzien van dit vonnis schorsing van de executie worden bevolen.

4.20. De vordering onder d tot terugbetaling van de reeds ontvangen gelden zal worden afgewezen. [gedaagde] c.s. heeft onbetwist gesteld dat er nog niets was betaald. Daarmee ontvalt de grond aan deze vordering.

4.21. [gedaagde] c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 76,17

- griffierecht € 575,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.467,17

4.22. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. heft op het op verzoek van [gedaagde] c.s. ten laste van [eiser] c.s. op 25 juli 2012 onder de Provincie Gelderland gelegde executoriale derdenbeslag,

5.2. gebiedt [gedaagde] c.s. om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis aan de Provincie Gelderland schriftelijk mede te delen dat het op 25 juli 2102 onder haar gelegde executoriale beslag is opgeheven onder gelijktijdige overlegging van deze brief aan de advocaat van [eiser] c.s.,

5.3. schorst de executie van het vonnis van 13 juni 2012, voorzover het dwangsommen betreft tot en met heden, tot het moment waarop daarover in een bodemprocedure is beslist,

5.4. schorst de executie van het vonnis van 16 mei 2011 tot het moment waarop daarover in een bodemprocedure is beslist,

5.5. veroordeelt [gedaagde] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] c.s. tot op heden begroot op € 1.467,17,

5.6. veroordeelt [gedaagde] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2012.