Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX4895

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
17-08-2012
Zaaknummer
219458
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank concludeert dat partijen als bindende afspraak hebben beoogd de in de overeenkomst bedoelde aantallen te halen en dat gedaagde in de nakoming van deze afspraak toerekenbaar is tekortgeschoten en daarom schadeplichtig is jegens eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 219458 / HA ZA 11-1208

Vonnis van 25 juli 2012

in de zaak van

de vennootschap onder firma

BESUITED V.O.F.,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres,

advocaat mr. L.A. Cammelbeeck te Amsterdam,

tegen

[gedaagde]

gedaagde,

advocaat mr. J.W.H. Kempen te Geleen.

Partijen zullen hierna BeSuited en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 februari 2012

- de akte van BeSuited

- de antwoordakte van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Op grond van het tussenvonnis van 29 februari 2012 hebben partijen een aantal vragen van de rechtbank beantwoord.

2.2. De eerste vragen sloten aan bij het vermoeden van de rechtbank dat het [gedaagde] op grond van de overeenkomst van 5 januari 2010 niet vrij stond het klantenbestand van Il Giglio aan een derde te verkopen, althans niet zonder medewerking van BeSuited (4.8 van het tussenvonnis).

2.3. De eerste naar aanleiding hiervan gestelde vraag is of BeSuited zich als enig rechthebbende op het klantenbestand beschouwt of meent dat [gedaagde] tegenover haar gelet op een redelijke uitleg van de overeenkomst van 5 januari 2010 contractueel gebonden is om het klantenbestand niet te verkopen.

2.4. BeSuited gaat nader in op de omstandigheden waaronder de overeenkomst van 5 januari 2010 tot stand is gekomen. Wezenlijk daarbij was volgens BeSuited dat zij het klantenbestand van Il Giglio overnam en dat [gedaagde] een verkoopverplichting op zich zou nemen. Zij verwijst naar een door [gedaagde]s vader op 23 januari 2010 opgesteld ‘memo ten behoeve van de doorstart van Il Giglio’, waarin onder meer staat ‘BeSuited stelt voor bestaande nota’s voor te schieten. Door voor BeSuited te gaan werken kan [ ] ([gedaagde]) dit zelf terug verdienen’.

2.5. Wat de vraag naar de eigendom van het klantenbestand betreft, verwijst BeSuited naar de bepaling onder 1, derde gedachtenstreepje van de overeenkomst van 5 januari 2010, geciteerd in het tussenvonnis onder 2.5. Het ‘krijgt’ in deze bepaling legt BeSuited uit als een leveringshandeling met betrekking tot het haar in eigendom overgedragen klantenbestand.

2.6. Hiertegen voert [gedaagde] in de eerste plaats aan dat in de hier bedoelde bepaling slechts ‘krijgen’ en niet ‘in eigendom krijgen’ staat. Daaraan hecht de rechtbank geen waarde. Het stuk is niet door juristen opgesteld en in gewone spreektaal kan ‘krijgen’ zonder meer ‘in eigendom verkrijgen’ betekenen.

2.7. In de tweede plaats wijst [gedaagde] op het door zijn vader opgestelde memo van 23 januari 2010, waar in verband met mogelijke oplossingen voor de situatie die is ontstaan nadat het om veel meer dan zeventig klanten bleek te gaan (zie tussenvonnis onder 4.5), staat dat voorkomen moet worden dat onder meer het opgebouwde klantenbestand van Il Giglio verdwijnt. Ook deze verwijzing snijdt naar het oordeel van de rechtbank geen hout. In de eerste plaats heeft [vader van gedaagde] het slechts over het bestaande bestand, niet over de eigendom daarvan. In de tweede plaats besteedt hij geen aandacht aan het feit dat BeSuited, zoals vast staat, minstens een gebruiksrecht op het klantenbestand had, en in de derde plaats had [vader van gedaagde], zo blijkt uit [gedaagde]s stellingen, een eigen belang, gelegen in een lening aan zijn zoon, die aan middelen moest komen om deze lening af te lossen.

2.8. De rechtbank acht op grond van het voorgaande door [gedaagde] onvoldoende weersproken dat BeSuited aan de situatie zoals die op 5 januari 2010 bestond, de tussen partijen gevoerde gesprekken en de formulering van de bepaling onder 1, derde gedachtenstreepje van de overeenkomst van 5 januari 2010 het vertrouwen mocht ontlenen dat [gedaagde] net als BeSuited zelf de bedoeling had dat het klantenbestand van Il Giglio haar in eigendom werd overgedragen. De rechtbank merkt op dat het slot van deze bepaling in de overeenkomst van 5 januari 2010 – ‘en kan dit naar volledig eigen inzicht inzetten’ – ook voor juristen strookt met de betekenis van eigendom.

2.9. De tweede vraag waartoe het onder 2.2 bedoelde vermoeden leidde, is wat het onder 2.3 en 2.5 bedoelde standpunt van BeSuited betekent voor haar vordering voor zover deze is gericht op een verklaring voor recht dat het voormalig klantenbestand van Il Giglio eigendom is van BeSuited en op een verbod het voormalig klantenbestand van Il Giglio op welke manier dan ook te gebruiken. Nu vaststaat dat BeSuited als eigenaar gezien moet worden, behoeft deze vraag geen behandeling meer.

2.10. In de derde plaats leidde het onder 2.2 bedoelde vermoeden tot de vraag of BeSuited voor het geval niet komt vast te staan dat zij eigenaar is van het klantenbestand, bereid is dit van [gedaagde] te kopen. Ook deze vraag behoeft geen behandeling meer.

2.11. In het tussenvonnis van 29 februari 2012 zijn ook drie vragen gesteld naar aanleiding van de voorlopige conclusie dat partijen als bindende – niet richting gevende – afspraak beoogd hebben de in de overeenkomst van 5 januari 2010 onder 3 bedoelde aantallen te halen. Dit onderdeel van de overeenkomst luidde:

doel is het business plan zoals beschreven in bijlage 1 uit te voeren. Hierbij wordt de bindende afspraak gemaakt dat er maandelijks 150 maathemden via het netwerk van [ ] [gedaagde] worden verkocht en dat 15 bestellingen van maatpakken per maand wordt gehaald. Dit zal lopen tot december 2010. de eerste maand januari wegens de opbouw van zijn netwerk worden er geen 150 maathemden en 15 pakken verwacht. In de maand februari zullen 75 hemden verwacht worden en 5 pakken verkocht moeten worden via het netwerk van [gedaagde]

2.12. De eerste vraag die naar aanleiding van deze voorlopige conclusie is gesteld, luidde: Wat zijn partijen overeengekomen voor het geval de aantallen niet gehaald zouden worden?

2.13. Partijen zijn op dit punt niet iets specifieks overeengekomen, stelt BeSuited, maar zij hebben de situatie wel uitvoerig besproken.

2.14. [gedaagde] voert aan dat als er sprake was geweest van een resultaatsverbintenis, partijen zeker in de overeenkomst van 5 januari 2010 zouden hebben opgenomen wat er zou gebeuren als de overeengekomen aantallen niet gehaald waren. Dat dit niet is opgenomen, wijst er volgens hem op dat er sprake is van een inspanningsverbintenis. Dit betoog snijdt geen hout. De niet nakoming van een resultaatsverbintenis leidt bij gebreke van een specifieke regeling tot toepassing van duidelijke, wettelijke regels. Juist bij de inspanningsverbintenis kan een vage situatie ontstaan waarop de wettelijke regels niet gemakkelijk toepasbaar zijn als partijen ter zake geen regeling overeengekomen zijn.

2.15. Nu partijen zich niet concreter uitlaten dan hier is aangegeven, concludeert de rechtbank uit de beschikbare gegevens dat de gevolgen die de wet verbindt aan het niet behoorlijk nakomen van een resultaatsverbintenis onverkort hebben te gelden.

2.16. De onder 2.11 bedoelde voorlopige conclusie heeft vervolgens geleid tot de vraag of er overleg is geweest tussen partijen in verband met de omzetontwikkeling. Dit overleg was voorzien bij de overeenkomst van 5 januari 2010 (in een passage volgend op de in het tussenvonnis van 29 februari 2012 geciteerde passage).

2.17. BeSuited betoogt dat dit overleg wekelijks plaatsvond, terwijl daar omheen ook e-mailcontact onderhouden werd.

2.18. [gedaagde] ontkent dit; er was geen wekelijks overleg en als er al overleg was, ging dit niet over de omzet. Hij wijst erop dat zijns inziens BeSuited niet eens over omzetoverzichten beschikte. Dit zou blijken uit haar brief aan hem van 3 november 2010. De rechtbank leest in die brief echter een exact overzicht van de via [gedaagde]s netwerk verkochte hemden en pakken en passeert deze opmerking dan ook.

2.19. In de derde plaats leidde de onder 2.11 bedoelde voorlopige conclusie tot de vraag of [gedaagde] ter zake tijdig in gebreke gesteld is.

2.20. [gedaagde] ontkent in gebreke gesteld te zijn, maar BeSuited wijst op de brieven van haar advocaat aan [gedaagde] van 1 en 26 april 2011 die als producties 7 en 8 bij dagvaarding zijn overgelegd. Deze bevatten expliciet een – in de tweede brief herhaalde – ingebrekestelling.

2.21. Dat er als de overeenkomst van 5 januari 2010 een resultaatsverbintenis betrof, maandelijks in gebreke gesteld had moeten worden, is een misvatting van [gedaagde]. Wellicht had BeSuited er goed aan gedaan – om latere problemen te voorkomen –, maar niets verplicht een schuldeiser over te gaan tot een ingebrekestelling voordat hij vastgesteld wil zien dat zijn wederpartij in verzuim is.

2.22. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat haar voorlopige conclusie dat partijen als bindende afspraak beoogd hebben de in de overeenkomst van 5 januari 2010 onder 3 bedoelde aantallen te halen, thans een definitieve moet zijn. Uit het vonnis van 29 februari 2012 en het voorgaande volgt dat [gedaagde] in de nakoming hiervan toerekenbaar tekortgeschoten is. Hij is deswege schadeplichtig jegens BeSuited.

2.23. In het tussenvonnis van 29 februari 2012 is BeSuited in de gelegenheid gesteld in te gaan op het verweer inhoudend dat de netto marges die in verband met haar berekening van de te vergoeden schade zijn genoemd, niet kloppen. Dit heeft BeSuited uitvoerig gedaan en [gedaagde] heeft hier niet meer op gereageerd. De rechtbank stelt vast dat de berekening van de nettomarges en daarmee de berekening van de schade door BeSuited nu als juist vast staat.

2.24. [gedaagde] somt bij antwoord een aantal tekortkomingen op waarvan naar zijn mening aan de zijde van BeSuited sprake is geweest. De rechtbank heeft aangekondigd hier in een later stadium op in te gaan. Zij kan hierover thans kort zijn. Het hier bedoelde betoog van [gedaagde] berust op zijn hierboven verworpen standpunten, in het bijzonder het standpunt dat de overeenkomst van 5 januari 2010 tot een inspanningsverbintenis leidde, en is dus niet meer van belang.

2.25. Het voorgaande betekent dat de vordering van BeSuited voor toewijzing gereed ligt.

2.26. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BeSuited worden begroot op:

- dagvaarding € 80,28

- griffierecht 1.744,00

- salaris advocaat 1.447,50 (2,5 punten × tarief € 579,00)

Totaal € 3.271,78

2.27. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

2.28. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt zoals hierna aangegeven.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan BeSuited te betalen een bedrag van € 32.488,00 (tweeëndertig duizendvierhonderdachtentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 21 januari 2011 tot de dag van volledige betaling,

3.2. verklaart voor recht dat het voormalig klantenbestand van Il Giglio eigendom is van BeSuited,

3.3. verbiedt [gedaagde] dit voormalig klantenbestand van Il Giglio op welke wijze dan ook te gebruiken,

3.4. veroordeelt [gedaagde] om aan BeSuited een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere keer dat hij niet aan de in 3.3 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

3.5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van BeSuited tot op heden begroot op € 3.271,78, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de achtste dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

3.6. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

3.7. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.1, 3.3, 3.4, 3.5 en 3.6 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

3.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2012.