Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX4532

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
04-07-2012
Datum publicatie
14-08-2012
Zaaknummer
210932
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde niet geslaagd in bewijs dat hij aan eiser een drietal bedragen heeft betaald. Vordering tot nakoming van overeenkomst van geldlening toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 210932 / HA ZA 11-82

Vonnis van 4 juli 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. E. Osinga te Arnhem,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

2. I[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

3. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

advocaat mr. A. Kilic- Sahin te Lent.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 augustus 2011 (hierna: het tussenvonnis)

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 31 januari 2012

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 30 maart 2012

- de conclusie na enquête van [eiser]

- de conclusie na enquête van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In het tussenvonnis heeft de rechtbank [gedaagde] opgedragen te bewijzen dat hij, naast het bedrag van € 2.000,00, ook bedragen van € 50.000,00, € 1.600,00 en € 3.400,00 aan [eiser] heeft betaald.

2.2. Ter uitvoering van deze bewijsopdracht heeft [gedaagde] getuigen voorgebracht, namelijk:

- zichzelf als partijgetuige

- de heer Z. [betrokkene 1], zwager van [gedaagde]

- de heer Y.M.T. [betrokkene 2], bakker in dienst bij [gedaagde]

- mevrouw S. [betrokkene 1], zus van [gedaagde]

- de heer U. [betrokkene 3], werkzaam in de bakkerij in dienst van [gedaagde]

- de heer M. [betrokkene 4], administrateur.

2.3. [eiser] heeft in de contra-enquête eveneens getuigen doen horen, namelijk:

- de heer M. [betrokkene 5], voormalig medewerker in de bakkerij

- zichzelf

- zijn zoon, de heer [betrokkene 6].

2.4. De rechtbank zal hierna per bedrag beoordelen of het gevraagde bewijs van de betaling is geleverd.

€ 50.000,00

2.5. [gedaagde] heeft over de gestelde betaling van het bedrag van € 50.000,00, voor zover van belang, het volgende verklaard.

Op 9 juni 2010 heb ik een bedrag van € 50.000,00 betaald. Ik weet dat precies omdat ik het geld al eerder had. Ik had hiervoor al een paar zaken gerund. De laatste zaak, een bakkerij in [woonwijk], heb ik verkocht voor € 90.000,00. Ik had dat bedrag in contanten, in briefjes van 50, ontvangen. Ik had dit in stapels van € 5.000,00 bewaard, bij mijn zus thuis. […]

Het bedrag van € 50.000,00 heb ik samen met mijn zus geteld. Ik had al stapels van € 5.000,00 thuis liggen. Ik heb ze opgepakt, nageteld en in een zak gedaan. Vervolgens ben ik met mijn zwager, [ ] [betrokkene 1], naar de bakkerij gegaan. De heer [betrokkene 3] was daar ook bij aanwezig, net als [eiser] zelf en zijn zoon [betrokkene 6]. […]

Wij gingen met z’n allen achter de schuifdeur. Ik weet de volgorde nog. [eiser] en zijn zoon, mijn zwager en ik en [betrokkene 3]. Ik legde het geld op tafel en zei dat [eiser] het kon natellen. [eiser] zei dat hij niet goed kon zien en daardoor niet goed kon tellen. Ik ging vervolgens tellen en [eiser] en zijn zoon telden mee. Daarna zijn wij samen gaan roken. […]

Anders dan bij de betaling van € 2.000,00 is er nu geen briefje ondertekend. De neef van [eiser] is de maat van mr. Osinga, hier vandaag aanwezig. [eiser] zou zijn neef bellen voor het briefje. Het zou allemaal goed komen. Dit kon ook de dag erna. Ik kende [eiser] lang genoeg. De volgende dag ben ik naar het kantoor van mr. Osinga gegaan. Er was een briefje maar daarin stond dat ik alle schulden over zou nemen. Daar was ik het niet mee eens. Dit zou worden veranderd. Ik ben na de middag terug gekomen, toen was mr. Osinga niet aanwezig. Ik heb vervolgens met [eiser] gebeld. Het zou goed komen. Hierna is het echter nog twee keer fout gegaan met het briefje. Voor een vierde briefje was opgesteld werd ik benaderd door mijn boekhouder. Het bleek dat het niet goed zou komen. Ik zeg steeds briefjes, daarmee bedoel ik een papier dat vergelijkbaar was met dat van de betaling van € 2.000,00, maar dan netter. […]

Op vragen van mr. Osinga:

[…]

Ik heb ook eerder verklaard dat ik het bedrag van € 50.000,00 thuis met mijn zus heb geteld en dat ik het in een tas heb gestopt. Ik bedoel met die tas een vuilniszak.

2.6. De verklaring van [gedaagde] komt er dus op neer dat hij het bedrag van € 50.00,00 aan [eiser] heeft betaald. [gedaagde] is echter partijgetuige. De bewijskracht van zijn verklaring is daarom beperkt. Ingevolge artikel 164 Rv kan deze verklaring alleen bewijs in zijn voordeel opleveren als aanvulling op onvolledig bewijs. Er moet sprake zijn van aanvullende bewijzen die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. De vraag is dus of er andere getuigenverklaringen zijn die hetzij op zichzelf voldoende bewijs opleveren, hetzij genoeg begin van bewijs om aangevuld met de verklaring van [gedaagde] volledig bewijs op te leveren.

2.7. Dergelijk bewijs is niet voorhanden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

2.8. [betrokkene 2] heeft slechts verklaard dat hij niet heeft gezien dat er geld is betaald. Hij heeft geen geldbedragen gezien en geen briefjes en weet niet of hij bij de betaling aanwezig is geweest. Zijn verklaring draagt dus niet bij tot het bewijs. De getuige in contra-enquête [betrokkene 5] heeft niets verklaard over de gestelde betaling van € 50.000,00. Zijn verklaring doet op dit punt dan ook niet ter zake.

2.9. De andere getuigen in de enquête hebben, voor zover van belang, over de gestelde betaling van € 50.000,00 het volgende verklaard.

Z. [betrokkene 1]:

Het geld van mijn zwager lag bij mij thuis. Het was € 50.000,00. Dit lag onder het bed. Ik bedoel daarmee het bed waar mijn zwager slaapt als hij bij mij slaapt. Ik heb dat geld zelf gezien. Het ging om briefjes van € 50,00. Iedere stapel was in totaal € 5.000,00. […]

Dit geld is aan [eiser] betaald. Al het geld. […]

Ik was aanwezig bij de betaling van die € 50.000,00. Mijn zwager heeft het geld zelf geteld. Ik heb dat gezien. [eiser] was daar ook bij, net als zijn zoon. Er was toen ook nog een medewerker van [eiser] bij, maar ik weet niet wat zijn naam is. De betaling heeft plaatsgevonden achter in de bakkerij. Het geld is door [eiser] en zijn zoon in ontvangst genomen en meegenomen. Van een kwitantie is het niet gekomen. […]

Het bedrag van € 50.000,00 hebben mijn zwager en ik samen naar [eiser] gebracht. Ik heb gezien dat het geld werd geteld. Meer weet ik niet. […]

Op vragen van mr. Osinga:

[…]

Van het tellen van het geld kan ik mij herinneren dat het 20 à 25 minuten heeft geduurd. Het ging om briefjes van 50 in stapels van 5.000. Er wordt mij gevraagd hoe de stapels bij elkaar zaten. Wat ik heb gezien waren stapels van € 5.000,00.

Ik hoor dat mij nog een aanvullende vraag wordt gesteld door de rechter. Het gaat om de vraag hoe de briefjes zijn meegenomen. De briefjes van € 50,00 zijn meegenomen in een vuilniszak. Wij hebben niet elke stapel in een eigen zak gestopt. Wij hebben de stapels eerst in een klein zakje gewikkeld en toen in de vuilniszak gedaan. Dit was ook in verband met de veiligheid.

S. [betrokkene 1]:

Mijn broertje had geld in huis. Hij heeft een kamertje in mijn huis. Hij bewaarde geld onder zijn bed. Het ging om een bedrag van € 90.000,00. Ik heb dat zelf gezien. Het waren briefjes van € 50,00 en daar was € 5.000,00 steeds van gemaakt. […]

Ik weet dat mijn broertje € 50.000,00 heeft meegenomen om aan [eiser] te betalen. Wij hebben dat geld samen geteld. Wij hebben steeds € 5.000,00 gemaakt van briefjes van € 50,00. Wij deden daar een elastiekje om. Wij hebben dit geld eerst in een zakje gedaan en daarna in een vuilniszak gestopt. Zo kon je niet zien dat hij zoveel geld meenam. Het was tegen de avond. Mijn man is samen met mijn broer meegegaan om de betaling te doen. Ik heb van hem en van mijn broer gehoord dat er betaald is. […]

[eiser] is later nog een paar keer naar de zaak gekomen toen ik daar ook was. Hij heeft gezegd dat er is betaald. Ik bedoel dat er € 50.000,00 is betaald.

[betrokkene 3]:

Begin juni 2010 heeft [gedaagde] mij gebeld en gevraagd of ik naar de bakkerij wilde komen. Daar is een betaling gedaan en daar was ik bij. Er waren meer mensen bij namelijk: [eiser] en zijn zoon, [gedaagde] en zijn zwager en personeel van de bakkerij. [gedaagde] heeft € 50.000,00 betaald. Ik heb gezien dat ze dit hebben geteld. Ik heb niet meegeteld, maar ik heb van [eiser] en van [gedaagde] gehoord dat het € 50.000,00 was. Het waren allemaal briefjes van € 50,00. Met een elastiekje zijn stapels van € 5.000,00 gemaakt. [gedaagde] had het geld vanuit huis meegebracht. Dit geld zat in een tasje. Om het geld zat een zwart tasje. […]

Op vragen van mr. Kilic-Sahin:

Ik heb eerder verklaard dat het geld werd vervoerd in een zwart tasje. Ik bedoel daar gewoon mee een vuilniszak.

[betrokkene 4]:

In mei/juni 2010 kwam de heer [eiser] bij mij en hij zei dat hij € 50.000,00 ontvangen had van [gedaagde]. Vervolgens was er een discussie ontstaan over de restschuld. […]

Bij de betaling van € 50.000,00 was ik zelf niet aanwezig. Meneer [eiser] heeft mij niet gezegd wanneer de betaling heeft plaatsgevonden.

2.10. De getuigen in de contra-enquête hebben, voor zover relevant, het volgende verklaard.

[eiser]:

Bij het sluiten van de overeenkomst heb ik een bedrag van € 2.000,00 ontvangen. Ik heb dit van de heer [gedaagde] ontvangen. Van [ ] [betrokkene 5] heb ik een bedrag van € 500,00 ontvangen. […]

Ik heb verder geen betalingen ontvangen. […]

Op vragen van mr. Osinga:

[…]

U vraagt mij of ik aan de heer [betrokkene 4] verteld heb dat [gedaagde] mij € 50.000,00 heeft betaald. Ik heb dat één keer gezegd. Nu dit wordt vertaald merk ik op dat ik de vraag niet goed heb begrepen. Ik heb gezegd dat het bedrag van € 50.000,00 betaald moest worden. De € 50.000,00 is niet betaald.

U vraagt mij of ik een bril nodig heb om geld te tellen. Ik zeg u dat ik dit niet nodig heb. Ik heb alleen moeite met het lezen van kleine letters in kranten.

[betrokkene 6]:

Verdere betalingen [naast de betaling van € 2.000,00 – de rechtbank] heb ik niet gezien. U houdt mij voor dat verschillende getuigen verklaard hebben dat er betalingen in mijn bijzijn gedaan zijn. Ik weet daar niets van.

2.11. De verklaringen van de getuigen stemmen op relevante punten niet met elkaar overeen. Allereerst verschillen de verklaringen over de stapeltjes geld en de wijze waarop deze zouden zijn verpakt en meegenomen. Anders dan [gedaagde], die heeft verklaard over door hemzelf getelde stapeltjes van € 5.000,00 die klaarlagen en die hij in een zak heeft gestopt, heeft S. [betrokkene 1] verklaard dat zij met haar broer stapels heeft gemaakt van € 5.000,00 met daaromheen een elastiekje, en dat deze daarna in een zakje zijn gestopt en toen in een vuilniszak. Z. [betrokkene 1] heeft alleen verklaard dat de stapels geld eerst in een klein zakje zijn gewikkeld en toen in een vuilniszak zijn gedaan. Hij zegt niets over het maken van de stapels en of er elastiekjes om de stapels zijn gedaan. Verder verklaren [gedaagde] en S. [betrokkene 1] dat [gedaagde] een bedrag van € 90.000,00 onder zijn bed had liggen, terwijl Z. [betrokkene 1] spreekt van een bedrag van € 50.000,00. Ook verschillen de verklaringen over het tellen van het geld in de bakkerij. Zo heeft [eiser] volgens [gedaagde] gezegd dat hij niet goed kon zien en daardoor niet goed kon tellen. Dit strookt niet met de verklaring van [eiser], die desgevraagd heeft verklaard dat hij geen bril nodig heeft om geld te tellen. Verder verklaart uitsluitend [betrokkene 3] dat bij de betaling ook personeel van de bakkerij aanwezig was. Dit wordt niet door andere getuigen bevestigd en ook is dat overige personeel niet als getuige gehoord.

2.12. Verder is van belang dat alleen Z. [betrokkene 1] en [betrokkene 3] hebben verklaard dat zij zelf hebben gezien dat [gedaagde] € 50.000,00 aan [eiser] heeft betaald. Daarbij geldt dat [betrokkene 3] volgens zijn verklaring niet heeft meegeteld, maar van [eiser] en [gedaagde] heeft gehoord dat het € 50.000,00 was. S. [betrokkene 1] heeft verklaard dat zij van [gedaagde] en haar man heeft gehoord dat er is betaald. Aan deze verklaring van horen zeggen kan minder waarde worden gehecht dan aan een verklaring uit eigen waarneming. S. [betrokkene 1] heeft verder verklaard, evenals [betrokkene 4], dat zij van [eiser] heeft gehoord dat hij € 50.000,00 heeft ontvangen. Dit laatste lijkt aanvankelijk te worden bevestigd in de verklaring van [eiser] zelf, dat hij heeft gezegd dat hij € 50.000,00 heeft ontvangen. Meteen daarna heeft [eiser] echter verklaard dat hij de vraag verkeerd had begrepen en dat hij bedoelde dat hij heeft gezegd dat hij het bedrag van € 50.000,00 nog moest ontvangen. [eiser] betwist de ontvangst van € 50.000,00. Zijn zoon heeft verklaard dat hij geen andere betalingen heeft gezien dan de eerdere betaling van € 2.000,00 en verder dat hij niets weet van betalingen die in zijn bijzijn zouden zijn gedaan.

2.13. Al met al wijken de verklaringen van de getuigen zodanig van elkaar af, dat zij – mede bezien in het licht van de betwisting door [eiser] van de betaling – niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van de partijgetuigenverklaring van [gedaagde]. Het gevraagde bewijs ten aanzien van de betaling van € 50.000,00 is dan ook niet geleverd.

€ 1.600,00

2.14. Ten aanzien van de gestelde betaling van € 1.600,00 heeft [gedaagde] zelf, voor zover van belang, het volgende verklaard.

Hierna heb ik ook nog een bedrag van € 1.600,00 betaald. Dat was in juli 2010, voordat [eiser] op vakantie ging. Hij zou al het geld dat hij van mij had gekregen meenemen naar [buitenland].

[…]

Van de betaling van € 1.600,00 ook voor de vakantie van [eiser] en de betaling van € 2.400,00 daarna, zijn ook geen briefjes. Die zouden samen gemaakt worden met het briefje voor de betaling van € 50.000,00 maar dat briefje is er dus niet gekomen.

De betaling van die € 1.600,00 was in aanwezigheid van een oude bakker ([ ] [betrokkene 5]) die bij mij heeft gewerkt. Dit was ’s avonds.

[…]

Op vragen van mr. Kilic-Sahin:

[…]

Zoals ik eerder heb verklaard, heb ik € 1.600,00 betaald voor de vakantie van [eiser]. Ik heb dat niet persoonlijk aan hem overhandigd. Ik heb dat geld aan [betrokkene 5] gegeven. Hij draaide ’s avonds dienst. [eiser] zou het komen ophalen. Die avond was [betrokkene 3] ook bij [betrokkene 5] aanwezig.

2.15. De verklaring van [gedaagde] lijkt innerlijk tegenstrijdig. [gedaagde] verklaart eerst dat hij € 1.600,00 heeft betaald en dat die betaling in aanwezigheid van [betrokkene 5] heeft plaatsgevonden, hetgeen lijkt te betekenen dat [betrokkene 5] bij die betaling slechts getuige is geweest. Even later verklaart [gedaagde] echter dat hij het bedrag aan [betrokkene 5] heeft gegeven en dat deze het geld aan [eiser] heeft overhandigd. Deze tegenstrijdigheid doet afbreuk aan de verklaring van [gedaagde]. Daar komt nog bij dat [gedaagde] partijgetuige is, zodat de bewijskracht van zijn verklaring ook om die reden beperkt is en aanvullend bewijs is vereist (zie onder 2.6). Dat aanvullend bewijs is er niet. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

2.16. Z. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij niets weet van meer of andere betalingen; hij was toen zelf met vakantie. Ook [betrokkene 4] heeft verklaard dat andere betalingen hem niet bijstaan. Hun verklaringen dragen dus niet bij tot het bewijs. Dat geldt ook voor de verklaring van S. [betrokkene 1]. Zij heeft immers alleen verklaard dat zij weet dat er nog kleine stukjes zijn betaald, maar dat zij daar niet bij was. Deze verklaring is te weinig concreet en berust bovendien niet op eigen waarneming.

2.17. De enige getuige in de enquête die, naast [gedaagde], iets heeft verklaard over de betaling van € 1.600,00 is [betrokkene 3]. Zijn verklaring op dit punt luidt:

Later, toen ik nog niet bij [gedaagde] werkte, heb ik gezien dat personeel van hem, [betrokkene 5], € 1.600,00 heeft gekregen van [gedaagde]. [betrokkene 5] heeft dit bedrag aan [eiser] gegeven. Ik was daar ook bij.

2.18. De getuigen in contra-enquête hebben, voor zover relevant, over deze betaling het volgende verklaard.

[betrokkene 5]:

Van het bedrag van € 1.600,00 is er een bedrag van € 500,00 aan mij gegeven om het aan [ ] [eiser] te geven. Dit is door de heer [gedaagde] aan mij gegeven nadat de bakkerij is verkocht. Ik heb het overdag ontvangen. Het was de dag dat ik op vakantie zou vertrekken. Ik ben met het geld naar [buitenland] op vakantie vertrokken. Ik heb het geld daar uitgegeven en later heb ik het geld aan [ ] [eiser] teruggegeven. Dit was drie à vier maanden later. Ik heb niet meer geld in ontvangst genomen. […]

Op vragen van mr. Kilic-Sahin:

[ ] [eiser] is bij mij geweest met een kopie van het proces-verbaal dat hij van mr. Osinga had gekregen. […] [ ] [eiser] zei dat aan mij € 1.600,00 was gegeven. Hij wilde dat van mij hebben. Ik heb gezegd dat ik dat niet heb gekregen en dat ik maar € 500,00 heb gekregen. Ik ben met het papier naar mr. Osinga gegaan. Hij heeft mij gezegd dat ik daarin werd genoemd en dat daar stond dat ik € 1.600,00 had gekregen. Ik wilde eigenlijk niet getuigen maar ben hier nu toch.

[eiser]:

Van [ ] [betrokkene 5] heb ik een bedrag van € 500,00 ontvangen.

Ik was in [buitenland]. [gedaagde] heeft toen € 500,00 aan [ ] [betrokkene 5] gegeven. Ik was hiervan niet op de hoogte want ik was er niet. Ik heb dit pas later vernomen. De € 500,00 die [gedaagde] aan [betrokkene 5] gegeven heeft, was voor mij bedoeld. [ ] [betrokkene 5] had geld nodig en toen heeft [gedaagde] het bedrag wat mij toekwam gegeven aan [betrokkene 5]. Na mijn vakantie heeft [betrokkene 5] mij de € 500,00 teruggegeven.

[betrokkene 6]:

Verdere betalingen heb ik niet gezien. U houdt mij voor dat verschillende getuigen verklaard hebben dat er betalingen in mijn bijzijn gedaan zijn. Ik weet daar niets van.

2.19. Alleen de verklaring van [betrokkene 3] strookt met de verklaring van [gedaagde], in zoverre dat [betrokkene 3] – evenals [gedaagde] in tweede instantie – verklaart dat [betrokkene 5] degene is die dit bedrag aan [eiser] heeft gegeven. Daar tegenover staan de verklaringen van [betrokkene 5] en [eiser] zelf, die er beide op neerkomen dat [betrokkene 5] namens [gedaagde] een bedrag van (slechts) € 500,00 aan [eiser] heeft gegeven. De conclusie luidt dat ook ten aanzien van de gestelde betaling van € 1.600,00 het gevraagde bewijs niet is geleverd.

€ 3.400,00

2.20. Ten slotte de gestelde betaling van € 3.400,00. [gedaagde] heeft daarover zelf, voor zover relevant, het volgende verklaard.

De betaling van € 2.400,00 [geen verschrijving – de rechtbank] is gehoord door [betrokkene 2] [getuige [betrokkene 2] – de rechtbank]. Hij draait ochtenddiensten bij mij. Ik was toen al in de zaak aan het werk, [betrokkene 3] was daar ook bij. Hij werkte toen al bij mij. […]

Op vragen van mr. Kilic-Sahin:

[…]

Er wordt mij gevraagd of ik zeker weet dat de laatste betaling een bedrag van € 2.400,00 bedroeg. Ik kan dat nakijken. Ik heb de betalingen voor mijzelf op papier gezet. Het kan wel of niet een bedrag van € 3.400,00 zijn geweest. Ik kan dat nu niet zeggen, ik heb veel bedragen gegeven aan [eiser].

2.21. De verklaring van [gedaagde] is niet ondubbelzinnig. [gedaagde] spreekt van een bedrag van € 2.400,00, maar dat kan volgens hem ook € 3.400,00 zijn geweest. Bovendien is [gedaagde] ook hier partijgetuige, zodat de bewijskracht van zijn verklaring beperkt is en aanvullend bewijs is vereist (zie onder 2.6). Dat aanvullend bewijs is niet voorhanden, gelet op het navolgende.

2.22. Ten aanzien van de getuigen in de enquête Z. [betrokkene 1], S. [betrokkene 1] en [betrokkene 4] geldt hetzelfde als de rechtbank onder 2.16 al over hun verklaringen heeft overwogen.

2.23. De verklaring van [gedaagde], dat [betrokkene 2] getuige is geweest van de betaling van € 2.400,00, vindt geen bevestiging in de verklaring van [betrokkene 2]. Zoals onder 2.8 al is overwogen, heeft [betrokkene 2] immers verklaard dat hij niet heeft gezien dat er geld is betaald; hij heeft geen geldbedragen gezien en geen briefjes en weet niet of hij bij de betaling aanwezig is geweest.

2.24. De overige getuigen hebben, voor zover van belang, het volgende verklaard.

In de enquête, [betrokkene 3]:

Hierna ging [eiser] op vakantie naar [buitenland]. Hij is daar 10 of 12 dagen geweest. Na terugkomst heeft [gedaagde] hem nog € 3.400,00 gegeven. Ik was daar bij net als [betrokkene 2]. Hij was voor aan het werk.

En in de contra-enquête, [eiser]:

Ik heb verder geen betalingen ontvangen.

[betrokkene 6]:

Verdere betalingen heb ik niet gezien. U houdt mij voor dat verschillende getuigen verklaard hebben dat er betalingen in mijn bijzijn gedaan zijn. Ik weet daar niets van.

De getuige in de contra-enquête [betrokkene 5] heeft niets verklaard over het bedrag van € 3.400,00. Zijn verklaring is dus niet relevant.

2.25. Alleen [betrokkene 3] verklaart dus dat [gedaagde] € 3.400,00 aan [eiser] heeft betaald. Die verklaring vindt geen enkele steun in de overige getuigenverklaringen. De conclusie luidt dan ook dat het gevraagde bewijs ten aanzien van de betaling van € 3.400,00 niet is geleverd.

Slotsom

2.26. De slotsom is dat [gedaagde] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Dat betekent dat de vordering van [eiser] zal worden toegewezen, met dien verstande dat op het toe te wijzen bedrag een bedrag van € 200,00 in mindering strekt wegens verrekening (zie tussenvonnis r.o. 4.7). Toewijsbaar is een bedrag van € 61.100,00 (€ 61.300,00 minus € 200,00).

2.27. [eiser] vordert vergoeding van de wettelijke handelsrente. [gedaagde] voert als verweer aan dat tussen partijen slechts is overeengekomen dat [gedaagde] een bedrag van € 50.000,00 uiterlijk op 9 juni 2010 moest voldoen en dat partijen toen niet een termijn hebben afgesproken waarbinnen [gedaagde] tot betaling van het restantbedrag moest overgaan. Dit verweer faalt. [gedaagde] is op 21 oktober 2010 in gebreke gesteld en gesommeerd om binnen zeven dagen tot betaling over te gaan. In het voorgaande is geoordeeld dat het bewijs dat de gestelde bedragen zijn betaald niet is geleverd, zodat [gedaagde] in ieder geval vanaf de door [eiser] gestelde datum van 29 oktober 2010 in verzuim verkeert. De gevorderde rente zal dan ook worden toegewezen als gevorderd.

2.28. De door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, omdat met de enkele, uiterst summiere opsomming van enkele verrichte werkzaamheden onvoldoende is gebleken dat [eiser] voorafgaande aan de procedure werkzaamheden heeft verricht waarvoor een eventuele proceskostenveroordeling geen vergoeding pleegt in te sluiten.

2.29. [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 459,22 voor verschotten en € 894,00 voor salaris advocaat (1 rekest × € 894,00), tezamen € 1.353,22.

2.30. [gedaagde] wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Deze kosten worden aan de zijde van [eiser] begroot op:

- dagvaarding € 97,81

- griffierecht 333,00

- salaris advocaat 4.023,00 (4,5 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 4.453,81

2.31. De gevorderde nakosten zullen worden toegewezen als vermeld in het dictum.

2.32. De vordering ten aanzien van Ozgun is ingetrokken (zie ook tussenvonnis 4.1).

2.33. In het tussenvonnis was onder 4.3 al overwogen dat de vordering ten aanzien van Grillroom Divan zal worden afgewezen. [eiser] wordt in zoverre in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Grillroom Diva dragen. Deze kosten worden begroot op € 588,00 wegens griffierecht en € 1.341,00 wegens salaris advocaat (1,5 punt × tarief € 894,00), tezamen € 1.929,00.

2.34. De rechter ten overstaan van wie de comparitie is gehouden en die het tussenvonnis heeft gewezen heeft dit vonnis niet kunnen wijzen in verband met benoeming elders.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 62.054,00 (tweeënzestigduizend vierenvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 61.100,00 met ingang van 10 januari 2011 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.353,22,

3.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 4.453,81,

3.4. veroordeelt [gedaagde] in de nakosten indien en voor zover [gedaagde] in gebreke blijft om binnen veertien dagen na dit vonnis over te gaan tot voldoening van hetgeen waartoe [gedaagde] bij dit vonnis is veroordeeld, waarbij deze nakosten worden begroot op € 131,00 zonder betekening en op € 199,00 met betekening van het vonnis,

3.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Grillroom Divan, tot op heden begroot op € 1.929,00,

3.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2012.

Coll.: JC