Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX4499

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
13-08-2012
Zaaknummer
226970
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval, letselschade.

Gedaagde (verzekeraar) betwist dat het ongeval zich heeft voorgedaan en dat sprake is van enige betrokkenheid van de bij haar verzekerde vrachtwagen bij dat ongeval. Eiser (die stelt dat hij door toedoen van de vrachtwagen ten val is gekomen) moet nu bewijzen dat de vrachtwagen betrokken was bij het ongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 226970 / HA ZA 12-160

Vonnis van 18 juli 2012

in de zaak van

[eiser]

eiser,

advocaat mr. J.M. Tromp te Rotterdam,

tegen

naamloze vennootschap

TVM ZAKELIJK N.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zull[eiser]a [eiser] en TVM genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 4 april 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 22 juni 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In een brief van 3 oktober 2011 mr. Jansen aan huisartsencentrum [woonplaats] staat onder meer:

‘Tot mij heeft zich gewend uw patiënt de heer [eiser] (…). Op woensdag 21 september omstreeks 13.30 uur is de heer [eiser] het slachtoffer geworden van een ongeval. Hij reed met zijn fiets op het industrieterrein “[X]” te [woonplaats] toen hij bijna werd aangereden door een vrachtwagen die veel te ver uitweek en bijna tegen hem aanreed. De heer [eiser] kwam daardoor ten val, waarbij hij letsel heeft opgelopen. Naar ik van cliënt heb begrepen staat hij voor deze klachten onder andere bij u onder behandeling. (…)

2.2. In een brief van 14 oktober 2011 van huisarts [huisarts] aan mr. Jansen staat onder meer:

‘(…) Naar aanleiding van uw schrijven aangaande dhr. R. [eiser] kan ik u het volgende antwoorden:

* Ik zag hem min of meer direct na het ongeval, met pijnlijke schouder, anamnestisch mogelijk subluxatie re schouder. Hierop x-foto laten maken, welke uitslag wij de volgende dag zouden krijgen echter dhr vond het niet nodig om een ponsplaatje te laten maken waarop wij pas na heel veel nabellen uiteindelijk een week later de uitslag hebben mogen ontvangen: geen afwijkingen.

* Op deze uitslag en klachten met reactie van fysiotherapeut heb ik hem op 4 okt naar de orthopeed van het CWZ verwezen, maar hij is uiteindelijk naar het ziekenhuis Gelderse Vallei gegaan. Hiervan nog geen bericht.’

2.3. In het huisartsenjournaal staat onder meer:

‘(…) 04-10-2011 (…) Supraspinatuspreesruptuur (…)’.

2.4. In een emailbericht van [eiser][ ] aan [bedrijfsnaam], eigenaar van de vrachtwagen (hierna: de vrachtwagen), staat onder meer:

‘Na telefonisch contact heden middag, moet ik u en/of uw chauffeur aansprakelijk stellen voor alle direct en indirecte schade dit na aanleiding van het nemen van de buitenbocht van uw chauffeur, waarbij ik als tegenligger klem kwam te zitten op mijn fiets, zodat de voor mij enige uitweg na iets geraakt te zijn door de vrachtauto de stoep/berm in was, aangezien hier een rand aanwezig is ben ik hard tegen het hek van de gemeente werf aangekomen en heeft een getuige mij opgepakt, uw chauffeur de heer Wim [chauffeu] is helaas doorgereden, deze heb ik gelukkig wel op een later moment aan de telefoon gehad (…)’

2.5. In een door W.C.M. [chauffeu], bestuurder van de bij TVM verzekerde vrachtwagen, en [eiser][ ] ingevuld en ondertekend aanrijdingsformulier staat onder meer een kruisje aan de zijde van [chauffeu] bij “Toedracht (…) kwam op een rijbaan bestemd voor het tegemoetkomend verkeer” en bij door [eiser] gemaakte opmerkingen staat: “vrachtwagen kwam op andere helft weg mij tegemoet’.

2.6. In een verklaring van E. [betrokkene 1], afgelegd op 10 oktober 2011, in aanwezigheid van mr. Jansen, voormalig advocaat van [eiser][ ] en twee vertegenwoordigers van TVM, staat onder meer:

‘(…) De heer E. [betrokkene 1] wilde op deze locatie zijn auto keren en zag toen het voorval gebeuren. (…)

Ik ging naar [autobedrijf], ik was namelijk op zoek naar een auto (…). Ik zag dat een vrachtauto de bocht erg ruim nam. Hij zwenkte veel uit naar de voor hem linkerrijbaan. Ik zag dat de fietser ter hoogte van de op de foto aangegeven lantaarnpaal ten val kwam. De vrachtauto raakte de fietser niet. De fietser moest uitwijken voor deze vrachtauto om een aanrijding te voorkomen. (…) Het betrof een blauwe vrachtauto. (…) Ik denk dat als de chauffeur het gemerkt had hij gestopt was. Het lijkt me dat hij het gemerkt zou moeten hebben, maar ik weet het niet zeker. (…) Het was de huisarts in de plaats [woonplaats]. Ik heb de heer R. [eiser] daar afgezet en ben doorgereden. (…) Kende u de heer R. [eiser] voor dit voorval? Nee (…) Ik kreeg van de heer R. [eiser] het verzoek om het ongeval te omschrijven zodat hij dit als getuigenverklaring kon gebruiken. Ik heb in een mail bericht mijn verhaal opgeschreven en naar de heer R. [eiser] gemaild. De heer R. [eiser] heeft van de inhoud van dit bericht vervolgens de in uw bezit zijnde verklaring opgesteld. (…)’

2.7. In een ongedateerde aan [eiser][ ] gerichte verklaring van [betrokkene 1] staat verder:

‘(…) U heeft mij na aanleiding van afgelopen woensdag gevraagd te verklaren wat ik exact heb waargenomen op het industrieterrein te [woonplaats]. Hierbij: Op woensdag 21 september rond 13.30 stond ik stil op het industrieterrein “[X]” te [woonplaats], ik zag een vrachtwagen van rechts aankomen waarop ik moest wachten om de weg op te kunnen draaien, terwijl ik klaar stond de weg op te draaien zag ik links een fietser aankomen, en terwijl deze ter hoogte van de bocht was aangekomen week de vrachtwagen wel heel erg uit naar links waardoor er geen ruimte meer was voor de fietser die hem tegemoet kwam, deze kwam derhalve dan ook ten val tegen de stoeprand en rolde letterlijk door het gras, de vrachtwagen heeft naar mijn mening de fietser in z’n geheel niet gezien en derhalve bijna platgereden. Ik ben direct gestopt en heb de gegevens van de vrachtwagen genoteerd terwijl de vrachtwagen zijn weg vervolgde, en ben de heer [eiser] te hulp geschoten, ik heb hem na een aantal minuten in de auto gezet, waarbij zijn arm weer in de kom schoot, deze was duidelijk uit de kom, overigens een erg vervelend gezicht, en naar de huisarts in [woonplaats] gebracht, ik heb mijn gegevens aan hem verstrekt en mijn reis vervolgd.’

2.8. In een verklaring van J.C.M. [chauffeu] van 31 oktober 2011 staat onder meer:

‘U vraag mij een verklaring af te leggen in verband met de aanrijding die plaats vond op 21 september 2011 waarbij ik als chauffeur betrokken zou zijn geraakt. Op 21 september 2011 was ik aan het werk. Ik was op een gegeven moment onderweg. Ik kreeg onderweg een nieuwe opdracht om iets te gaan laden in [woonplaats], op het industrieterrein. Onderweg kreeg ik een telefoontje van de planner die zei dat ik iemand had aangereden. (…) Toen ik belde vertelde ik dat ik chauffeur was van [bedrijfsnaam] en dat ik hem moest bellen omdat ik hem aangereden zou hebben. De man zei dat hij op dat moment bij de dokter zat en dat ik later maar terug moest bellen. Dezelfde dag, rond 15.00 uur, heb ik de man weer gebeld. De man vertelde dat hij bij de dokter was geweest. Hij vertelde dat hij zijn schouder uit de kom had en dat hij medicijnen had gekregen. Hij vertelde dat hij mij tegemoet kwam rijden op zijn fiets en dat hij door toedoen van mijn vrachtwagen tegen een blauw hekwerk was gereden die aan de rechterzijde van de weg stond. Hij vertelde mij dat het op het industrieterrein [woonplaats] hij in de tweede bocht na de ingang gevallen was. Wat er precies gebeurd was vertelde hij me niet. Ik vond dat wel vreemd. Ik heb namelijk geen verkeer mij tegemoet zien komen op de plek van de zogenaamde aanrijding. Ook rijd ik altijd met mijn ramen iets open en ik heb ook niets gehoord. Hij zei ook tegen mij dat ik was doorgereden na een aanrijding, maar dat hij er geen politiewerk van wilde maken want hij had toch een getuige. Ik zei toen tegen de man dat ik hem helemaal niet had gezien. Hij reageerde vervolgens niet op mijn opmerking. (…) De volgende morgen (…) heb ik weer telefonisch contact gezocht met het slachtoffer. (…) Hij vertelde mij dat hij zijn schouder uit de kom had. Hij vertelde dat hij blauwe plekken had op beide schouders. Ik schrok wel van het letsel dat hij had. (…) Hij ([eiser], rb) vertelde dat hij mij tegemoet kwam rijden op het betreffende industrieterrein. Hij vertelde dat hij in de tweede bocht tegen het blauwe hek van de werf was aan gevallen. (…) Op dinsdag 27 september 2011 omstreeks 14.00/14.30 uur kwam ik aan op het adres [adres] M te [woonplaats] (…). Ik zag geen letsel bij de man. Ik zag dat hij geen mitella droeg ofzo. Ik zag ook geen schrammen en geen blauwe plekken. Wij hebben daar samen het schadeformulier in gevuld. (…)’

2.9. In een verklaring op briefpapier van de huidige advocaat van [eiser][ ] van januari 2012 van [betrokkene 2] staat onder meer:

‘(…) Op 21 september 2011 omstreeks 13.30 reed ik in een Peugeot Partner op de [adres] te [woonplaats] op het industriepark “[X]”. Ik was onderweg vanaf het industrieterrein richting de snelweg A15. Toen ik ter hoogte van het tankstation reed zag ik een blauwe vrachtwagen de bocht om komen. Het tankstation is ongeveer 100 meter verwijderd van de bocht. De vrachtwagen nam de bocht veel te ruim en kwam op de weghelft terecht die bestemd is voor het tegemoetkomende verkeer. De vrachtwagen nam ruim driekwart in van de weg bestemd voor het tegemoetkomende verkeer. Nadat de vrachtwagen mij had gepasseerd zag ik een witte bestelbus achter de vrachtwagen. Deze bestelbus reed vanaf de rechterrijbaan direct naar links, over de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer. De bestelbus stopte vervolgens aan mijn kant van de weg en toen zag ik een man naast de weg op de grond liggen. Er lag een fiets naast hem op de grond. Ik zag dat de bestuurder van de witte bestelbus de man ging helpen. (…) De man op de grond was de heer [eiser], ik weet wie hij is omdat hij ook in [woonplaats] woont. Verder ken ik de heer [eiser] niet. (…) Begin januari 2012 kwam ik de vrouw van de heer [eiser] tegen op het dorp en heb ik aan zijn vrouw gevraagd hoe het met hem ging. (…) Ik heb toen aangegeven dat ik getuige ben geweest van het ongeval. (…)

2.10. In een emailbericht van 11 oktober 2011 van fysiotherapie [ ] aan [eiser][ ] staat onder meer:

(…) Reden contact fysiotherapie: Op verzoek van huisarts verwezen voor behandeling van huidig klachtenpatroon. Spierruptuur rechter schouder, zelfstandig onder nemer. (…) Belangrijkste gezondheidsprobleem: Pijn constant aanwezig. (…) Slapen in zitten mogelijk. (…) Fysiotherapeutische diagnose: Spierruptuur rotator cuff, mogelijke supraspinatus partiele ruptuur. Verwachte tijdsduur: 6-8 weken. Screening op rode vlaggen: Schouder – (recent) trauma (van fiets gereden door auto, door huisarts verwezen). (…)’

2.11. In een brief van 12 december 2011 van fysiotherapeut [ ], werkzaam bij de onder 2.8. genoemde praktijk, staat onder meer:

‘(…) Aantal Behandelingen (…): 6 behandelingen, 1x per week (…

Resultaat: Pijnklachten zijn afgenomen (…) en de mobiliteit van de schouder in alle richtingen is toegenomen, waarbij exorotatie en abductie nog beperkend zijn. Krachtopbouw nog noodzakelijk om de zware werkzaamheden te kunnen uitvoeren, inmiddels zijn erop de echo en x-foto’s geen frakturen en (partiele) rupturen vastgesteld. Door (sub)luxatie van het schoudergewricht kunnen mogelijk een aantal structuren in het schoudergewricht schade hebben opgelopen. (…)

3. Het geschil

3.1. [eiser][ ] vordert na eisvermindering ter zitting, waarbij de vordering in het incident is ingetrokken, een verklaring voor recht dat TVM voor ten minste 50% aansprakelijk is voor de schade die [eiser][ ] als gevolg van het hem op 21 september 2011 overkomen ongeval heeft geleden en zal lijden.

3.2. Aan zijn vordering legt hij ten grondslag dat hij, rijdend op de fiets, als gevolg van een verkeersfout van een bij TVM verzekerde vrachtwagen, al dan niet nadat hij met die vrachtwagen in aanraking is gekomen, ten val is gekomen en letsel heeft opgelopen, althans dat de vrachtwagen betrokken was bij het [eiser][ ] overkomen ongeval. Daardoor is hij onder meer niet in staat werkzaamheden in zijn eigen bedrijf te verrichten waardoor hij schade lijdt en heeft geleden, waarvoor hij TVM op grond van artikel 6 WAM aansprakelijk houdt.

3.3. TVM voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. TVM betwist dat de vrachtwagen betrokken was bij het ongeval dat zich op 21 september 2011 volgens [eiser][ ] heeft voorgedaan. Ter onderbouwing van dat verweer verwijst zij onder meer naar de verklaring van de chauffeur van de vrachtwagen, [chauffeu]. Ook heeft zij kanttekeningen geplaatst bij de betrouwbaarheid van onder meer getuige [betrokkene 1] omdat gebleken is dat hij – al dan niet door tussenkomst van een ander – in het verleden een auto heeft gekocht van [eiser][ ] en omdat [betrokkene 1] en [eiser][ ] op facebook als vrienden staan geregistreerd.

4.2. Artikel 185 WVW bepaalt dat wanneer een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan niet door dat motorrijtuig vervoerde personen, de eigenaar van het motorrijtuig verplicht is om die schade te vergoeden, tenzij aannemelijk is dat het ongeval te wijten is aan overmacht.

Gelet op de gemotiveerde betwisting van TVM dat het ongeval zich heeft voorgedaan en dat er sprake is geweest van enige betrokkenheid van de bij haar verzekerde vrachtwagen bij dat ongeval, rust op [eiser][ ] de bewijslast van die gestelde betrokkenheid. Hij zal tot die bewijslevering worden toegelaten.

4.3. Indien [eiser][ ] in dat bewijs niet slaagt, zal de vordering worden afgewezen.

4.4. Indien [eiser][ ] daarin wel slaagt, geldt het volgende. TVM heeft geen beroep gedaan op overmacht zodat zij in beginsel verplicht is om de door [eiser][ ] geleden schade te vergoeden. TVM stelt zich echter op het standpunt dat sprake is van eigen schuld van [eiser][ ]. Te gelden heeft dat wanneer de eigenaar van het motorrijtuig in beginsel krachtens 185 WVW aansprakelijk is, doch er wel een fout van de fietser of voetganger is, de billijkheid bij de verdeling van de schade over de betrokkenen eist dat ten minste 50% van de schade ten laste van het motorrijtuig wordt gebracht wegens de verwezenlijking van het daaraan verbonden gevaar. Dit brengt mede dat deze eigenaar in ieder geval aansprakelijk is voor de helft van de schade van de fietser of voetganger (vlg. HR 28 februari 1992, NJ 1993, 566 IZA/Vrerink). Met het oog op deze 50%-regel heeft [eiser][ ] ter zitting zijn eis gewijzigd ‘tot 50%’, zodat de discussie over de vraag of en, zo ja, in welke mate sprake is van eigen schuld, niet in deze procedure voorligt. De rechtbank zal daarop dan ook niet verder ingaan. Wanneer [eiser][ ] slaagt in het hem opgedragen bewijs, ligt de gewijzigde vordering kortom voor toewijzing gereed.

4.5. De vordering in het incident is ter zitting ingetrokken. Partijen zijn het erover eens dat ieder de eigen kosten in het incident zal dragen. Hierover hoeft dan ook geen beslissing meer te worden genomen.

4.6. Afhankelijk van het aantal te horen getuigen is de rechtbank voornemens de aan beide zijden te horen getuigen in de enquête en in de contra-enquête op dezelfde dag te horen. De rechtbank gaat er van uit dat (de advocaten van) partijen dit in onderling overleg zullen trachten af te stemmen.

4.7. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. draagt [eiser][ ] op te bewijzen dat de bij TVM verzekerde vrachtwagen betrokken was bij het hem op 21 september 2011 overkomen ongeval,

5.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 1 augustus 2012 voor uitlating door [eiser][ ] of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,

5.3. bepaalt dat [eiser][ ], indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,

5.4. bepaalt dat [eiser][ ], indien hij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op vrijdagen in de maanden september tot en met november 2012 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.5. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. S.C.P. Giesen in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4,

5.6. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2012.