Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX4447

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
13-08-2012
Zaaknummer
222759
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering bestuurlijke dwangsommen buiten effect te stellen, ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 222759 / HA ZA 11-1480

Vonnis van 20 juni 2012

in de zaak van

[eiser in het verzet],

wonende te [woonplaats],

eiser in het verzet,

advocaat mr. M.J.A. Arts te Nijmegen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE NIJMEGEN,

gevestigd te Nijmegen,

gedaagde in het verzet,

procesadvocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

advocaat mr. R.A.M. Saedt te Nijmegen,

Partijen zullen hierna [eiser in het verzet] en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 februari 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 8 mei 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser in het verzet] is eigenaar van het pand [adres]. Het pand betreft een beschermd gemeentelijk monument. Op 7 mei 2007 is aan de rechtsvoorganger van [eiser in het verzet] een monumentenvergunning verleend voor het realiseren van zes appartementen in het pand. Op 30 juli 2007 is de daarvoor vereiste bouwvergunning verleend. Begin 2008 zijn de vergunningen op [eiser in het verzet] overgegaan.

2.2. In juni 2008 en in november 2008 heeft de gemeente onder meer geconstateerd dat het balkon aan de achtergevel van het pand zonder vergunning was gesloopt, alsmede dat een van de bouwvergunning afwijkende balkonconstructie was aangebracht. De gemeente heeft [eiser in het verzet] in de gelegenheid gesteld de overtredingen ongedaan te maken en hem vanwege het uitblijven van een reactie met brief van 9 april 2010 een last onder dwangsom opgelegd om het balkon en bergingen en een rijwielstalling op het achtererf alsnog in overeenstemming met de bouwvergunning uit te voeren.

2.3. [eiser in het verzet] heeft bezwaar gemaakt tegen het dwangsombesluit. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, sector bestuursrecht, heeft op 15 juli 2010 het verzoek van [eiser in het verzet] om de begunstigingstermijn te verlengen totdat er een besluit op het bezwaar is genomen, afgewezen. In haar besluit op bezwaar van 7 januari 2011 heeft de gemeente de bezwaren ongegrond verklaard. [eiser in het verzet] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank, sector bestuursrecht.

2.4. Omdat [eiser in het verzet] niet aan de hem opgelegde last heeft voldaan en geen dwangsom heeft betaald, heeft de gemeente bij dwangbevel van 22 september 2011 aanspraak gemaakt op betaling van de verbeurde dwangsommen van € 40.000,--. Het dwangbevel is met exploot van 8 november 2011 aan [eiser in het verzet] betekend.

3. Het geschil

3.1. [eiser in het verzet] vordert samengevat – dat de rechtbank het dwangbevel van 22 september 2011 buiten effect zal stellen, met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding.

[eiser in het verzet] heeft aan aantal inhoudelijke bezwaren tegen het dwangbevel naar voren gebracht. Hij legt voorts aan zijn vordering ten grondslag dat zijn (financieel) belang bij het vooralsnog niet behoeven te betalen van de verbeurde dwangsom groter is dan het eventuele belang van de gemeente. Ten slotte verzoekt hij de dwangsom te matigen.

3.2. De gemeente voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld.

4.2. Sinds 1 juli 2009 is in de Awb een nieuw stelsel van invordering van verbeurde bestuurlijke dwangsommen van kracht geworden (art. 5:35, 5:37-5:39 Awb). Bij de rechtsbescherming daartegen is in beginsel geen plaats meer voor de burgerlijke rechter (art. 5:26 Awb is vervallen). Op het onderhavige geval is evenwel nog de oude wet van toe-passing. De overtreding die heeft geleid tot het opleggen van een dwangsom dateert immers van juni 2008, derhalve van voor de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel (artikel IV van de wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb, Stb. 265). Blijkens een arrest van de Hoge Raad van 22 april 1983 (NJ 1984, 145) kan de voorzieningenrechter de tenuitvoer-legging van een executoriale titel slechts schorsen bij misbruik van executiebevoegdheid. Dat is het geval indien sprake is van een zo evidente vergissing in het recht of de feiten, dat daarover geen redelijke twijfel bestaat, of indien nieuwe feiten of omstandigheden klaarblijkelijk door de executie aan de zijde van eiser een noodtoestand zal doen ontstaan.

4.3. Omdat gebreken in de onderliggende beschikking wegens de lopende procedure bij de bestuursrechter in beginsel niet ter discussie staan, heeft de rechtbank uit te gaan van de rechtmatigheid van het dwangsombesluit. Dit betekent dat zij geen oordeel kan geven over de inhoudelijke bezwaren die [eiser in het verzet] tegen het dwangsombesluit naar voren brengt. Dat er sprake is van een kennelijk misslag wordt niet door [eiser in het verzet] gesteld.

4.4. [eiser in het verzet] stelt evenmin dat de executie een noodtoestand aan zijn zijde zou opleveren. Hij stelt immers niet meer dan dat hij een zeer groot (financieel) belang heeft bij het vooralsnog niet hoeven te betalen van de verbeurde dwangsom.

4.5. [eiser in het verzet] stelt ten slotte dat de opgelegde dwangsom niet in verhouding staat tot de overtreding. Aan deze stelling wordt voorbijgegaan omdat zij niet voldoende ie toegelicht.

4.6. Het voorgaande brengt mee dat de vordering zal worden afgewezen en dat [eiser in het verzet] in de proceskosten zal worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van de gemeente begroot op € 560,-- voor griffierecht en € 904,-- (2 punten x tarief II € 452,--) voor salaris advocaat.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart het verzet ongegrond,

5.2. veroordeelt [eiser in het verzet] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.464,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.A. Walda en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2012.