Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX3796

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
07-08-2012
Zaaknummer
211785
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil m.b.v. erfafscheiding/erfgrens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 211785 / HA ZA 11-212

Vonnis van 27 juni 2012

in de zaak van

[eiseres]

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. C.C.J.M. Weijers te Nijmegen,

tegen

1[gedaagden]

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. P.A.C. van Buul te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 januari 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 15 mei 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. De partijen zijn buren. [eiseres] is sinds 1979 eigenaar van het per[adres I]el [adres I] en [gedaagde] c.s. sinds 1997 van het perceel [adres II].

2.2. [gedaagde] c.s. hebben een kelder onder hun woning willen laten uitgraven. In 2003 is een aanvang met die werkzaamheden gemaakt en zijn deze ook weer gestaakt. Daarbij is aan de kant van [eiseres] een opening in de woningscheidende keldermuur ontstaan en door de aannemer van [gedaagde] c.s. in december 2007 aan de kant van [eiseres] weer dichtgemaakt.

2.3. In 2004 hebben [gedaagde] c.s. aan de achterzijde van hun woning door aannemersbedrijf [X] (verder: de aannemer van [gedaagde] c.s.) een aanbouw laten bouwen. De aanbouw is tegen de muur van de in 2004 reeds bestaande aanbouw van [eiseres] geplaatst.

2.4. [gedaagde] c.s. hebben in 2009 een dakkapel op de achterzijde van hun woning laten plaatsen.

2.5. In 2002 hebben de partijen op gezamenlijke kosten een houten afscheiding tussen hun tuinen opgericht. [eiseres] heeft die schutting in 2008 vervangen door een hekwerk en rieten matten.

2.6. Op 23 december 2008 heeft het kadaster in opdracht van [gedaagde] c.s. de grens tussen de percelen van de partijen uitgezet in veldwerk 517.

2.7. [gedaagde] c.s. hebben [eiseres] met brieven van 4 februari, 28 maart, 8 april en 15 april 2009 verzocht mee te werken aan het vervangen en verplaatsen van het hekwerk.

2.8. Met brief van 6 april 2010 heeft het kadaster aan [gedaagde] c.s. laten weten dat zij nogmaals onderzoek naar de grens tussen de percelen van de partijen heeft verricht en dat daaruit is gebleken dat het kadaster geen fouten heeft gemaakt bij het uitzetten van die grens.

2.9. Met aangetekende brieven van 2 en 15 juli 2010 hebben [gedaagde] c.s. [eiseres] verzocht het hekwerk te verwijderen.

2.10. Op 4 oktober 2010 hebben [gedaagde] c.s. het door [eiseres] geplaatste hekwerk laten verwijderen en op 10 centimeter aan hun zijde van de door het kadaster uitgezette perceelsgrens een nieuwe schutting laten oprichten.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [gedaagde] c.s. zal veroordelen op hun kosten tot deugdelijk herstel van de fundering van de keldermuur en de opening tussen de woningen aan de [adres II] en [adres I];

II. voor recht zal verklaren dat [gedaagde] c.s. bij de aanbouw aan de achterzijde van hun huis staande en gelegen aan de [adres II] te [woonplaats] overbouw heeft gepleegd op de grond en eigendom van [eiseres], staande en gelegen aan de [adres I];

III. [gedaagde] c.s. zal veroordelen om medewerking te verlenen aan een door een deskundige vast te stellen schadeloosstelling en aan [eiseres] een redelijke en conforme, door in het kader van het voornoemde onderzoek vast te stellen schadeloosstelling te betalen in verband met de gepleegde overbouw inclusief de kosten van de in te schakelen deskundige;

IV. [gedaagde] c.s. zal veroordelen tot herstel van de dakpannen en de tussenmuur van de woning van de woning staande en gelegen aan de [adres II] te [woonplaats] danwel tot betaling van een schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen bij wet;

V. [gedaagde] c.s. zal veroordelen tot het aanbrengen van een hemelwaterafvoer aan hun woning;

VI. [gedaagde] c.s. zal veroordelen tot verwijdering van de door hen geplaatste schutting gelegen aan de achterzijde van de woningen aan de [adres II] en [adres I] tussen de woning van [gedaagde] c.s. en [eiseres] op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag met een maximum van € 10.000,--;

VII. [gedaagde] c.s. zal veroordelen tot terugplaatsing van de gaaspanelen van [eiseres] op de erfgrens op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag met een maximum van € 10.000,--;

VIII. [gedaagde] c.s. zal veroordelen tot betaling van € 904,-- aan buitengerechtelijke kosten;

IX. [gedaagde] c.s. zal veroordelen in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] c.s. zich jegens haar onrechtmatig (hebben) gedragen.

3.2. [gedaagde] c.s. voeren verweer.

in reconventie

3.3. [gedaagde] c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht zal verklaren dat de door het kadaster bij wijze van grensconstructie op 23 december 2008 door landmeter K. Vergeer en zoals door hem op tekening behorende bij de brief van 20 januari 2009 uiteen is gezet, de erfgrens is tussen de percelen van [gedaagde] c.s. en [eiseres];

II. [eiseres] zal veroordelen om aan [gedaagde] c.s. te betalen € 450,--, althans € 225,-- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 1 februari 2009 tot de dag van betaling;

III. [eiseres] zal veroordelen om aan [gedaagde] c.s. te betalen € 1.000,--, althans

€ 500,-- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 4 oktober 2010 tot de dag van betaling;

IV. [eiseres] zal veroordelen in de kosten in reconventie.

[gedaagde] c.s. leggen aan de vordering sub I. artikel 5:47 BW ten grondslag, aan de vordering sub II. dat [eiseres] tekort is geschoten in de nakoming van de afspraak omtrent het betalen van de kosten van het kadaster en aan de vordering sub III. primair een onrechtmatige daad bestaande uit het eigenmachtig weghalen van de schutting in 2008 en subsidiair toepassing van de laatste volzin van artikel 5:49 BW.

3.4. [eiseres] voert verweer.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Op de comparitie heeft [eiseres] verklaard dat een aannemer van [gedaagde] c.s. in haar kelder de scheidingsmuur met [gedaagde] c.s. heeft aangeheeld en dat zij hem heeft gezegd tevreden te zijn met het uitgevoerde werk, maar dat zij, toen later onenigheid met [gedaagde] c.s. ontstond over andere punten, daarvan is teruggekomen. De rechter heeft de situatie ter plaatse gezien en heeft geconstateerd dat de kelder van [eiseres] aan de zijde van [gedaagde] c.s. is voorzien van een deugdelijke stenen muur. Voor zover [eiseres] thans nog van haar in 2007 gegeven goedkeuring van het werk van de aannemer van [gedaagde] c.s. mag terugkomen, is van belang dat vast is komen te staan dat de keldermuur/fundering deugdelijk is hersteld. Het gevorderde sub I. komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.

4.2. [gedaagde] c.s. betwisten dat hun aanbouw deels op het erf van [eiseres] is gebouwd. Zij stellen bovendien dat [eiseres] heeft gevraagd om de aanbouw tegen haar aanbouw te plaatsen, omdat daarmee haar aanbouw aan de zijde van het perceel van [gedaagde] c.s. extra werd geïsoleerd. [eiseres] stelt in de dagvaarding weliswaar dat de overbouw zonder haar toestemming is gerealiseerd, doch dat is in tegenspraak met de door haar overgelegde verklaring van 9 april 2010 van [ ] [betrokkene], werkzaam bij de aannemer van [gedaagde] c.s., dat [eiseres] de muur zo dicht mogelijk tegen haar muur geplaatst wilde hebben in verband met kou en geluid (productie 16 bij dagvaarding). Bovendien heeft zij op de comparitie gezegd dat zij zich niet kan herinneren dat zij met [gedaagde] c.s. heeft afgesproken dat zij de uitbouw over de perceelsgrens tegen haar aanbouw zouden plaatsen. In het licht van het voorgaande heeft [eiseres] haar stelling dat [gedaagde] c.s. de aanbouw zonder toestemming tegen haar aanbouw hebben laten plaatsen onvoldoende onderbouwd. Er zal er daarom van worden uitgegaan dat [eiseres] toestemming heeft gegeven voor de aanbouw van [gedaagde] c.s. tegen haar aanbouw, ook al is daardoor wellicht sprake van overschrijding van de perceelsgrens. Dat brengt mee dat de vordering sub III. niet kan worden toegewezen. Dat geldt ook voor de vordering sub II. omdat [eiseres], ook al zou sprake zijn van grensoverschrijding, daarbij, gelet op het bovenstaande, geen belang heeft.

4.3. De vordering die strekt tot veroordeling van [gedaagde] c.s. tot herstel van de dakpannen kan evenmin worden toegewezen. [eiseres] stelt dat hoewel met [gedaagde] c.s. het volgende is afgesproken: “(..) het terugleggen van de dakpannen in oude oorspronkelijke staat, waarbij de dakbedekking van [gedaagde] het midden van de muur, welke de grens tussen beide percelen is, niet zou overschrijden”, dat niet is gebeurd. De hiervoor bedoelde verklaring van [ ] [betrokkene] vermeldt op dit punt: “Wij hebben toen ook afgesproken dat we bovenop het dak de dakbedekking zouden doorleggen (tegen wateroverlast) en dat is ook verricht”. Gelet op die verklaring en er op gelet dat gesteld noch gebleken is dat de werkzaamheden niet zijn verricht overeenkomstig in de verklaring van [ ] [betrokkene] is vermeld – [eiseres] heeft de juistheid van de inhoud van die verklaring niet weersproken – heeft [eiseres] haar vordering op dit punt onvoldoende gespecificeerd en onderbouwd.

4.4. [gedaagde] c.s. betwisten niet dat er door hun toedoen schade aan de zijde van [eiseres] in de woningscheidende zoldermuur is ontstaan. Zij stellen dat zij herstel hebben aangeboden maar dat [eiseres] daar niet op is ingegaan en voorts dat zij nog steeds bereid zijn om die schade op hun kosten te laten herstellen. De omstandigheid dat [gedaagde] c.s. wellicht niet kan worden verweten dat de schade aan de zoldermuur (nog) niet is hersteld staat toewijzing van het sub IV primair gevorderde niet in de weg. De vordering zal worden toegewezen als na te melden.

4.5. Op de comparitie heeft [eiseres] uitgelegd wat zij beoogt met het sub V. gevorderde. Volgens haar stroomt de aan de aanbouw van [gedaagde] c.s. boven haar erf hangende voor de afvoer van hemelwater van de aanbouw bestemde vergaarbak bij hevige regenval over op haar balkon. Zij heeft geen bezwaar tegen de constructie van de hemelwaterafvoer als zodanig, maar tegen de capaciteit daarvan. [gedaagde] c.s. hebben verklaard dat zij voor het eerst op de comparitie hebben gehoord waar het [eiseres] op het punt van de hemelwaterafvoer om gaat. Zij weerspreken onvoldoende dat de vergaarbak bij hevige regenval kan overstromen. [gedaagde] c.s. wijten het eventuele overstromen van de vergaarbak aan het van het dak van [eiseres] afkomstige hemelwater dat onder de vergaarbak in dezelfde regenpijp terecht komt, waardoor de regenpijp het water niet meer kan verwerken. De rechtbank kan die redenering niet volgen. Die sluit immers niet uit dat geen overstroming zou plaatsvinden wanneer het van de aanbouw afkomstige hemelwater niet via de vergaarbak in de regenpijp van [eiseres] zou worden afgevoerd. Er is daarom voldoende aanleiding om de vordering sub V. als na te melden toe te wijzen.

4.6. De partijen verschillen van opvatting over de ligging van de eigendomsgrens tussen hun erven. Volgens [gedaagde] c.s. vormt de kadastrale grens de eigendomsgrens en volgens [eiseres] is de eigendomsgrens bepaald door de al van voor 1979 daterende afscheiding tussen de erven. [gedaagde] c.s. betwisten niet, althans onvoldoende, dus moet als vaststaand worden aangenomen, dat de door [eiseres] bedoelde erfafscheiding in 2002 is vervangen. Dat geldt ook voor de in het standpunt van [eiseres] besloten stelling dat zij sedert 1979 totdat [gedaagde] c.s. het tracé van de erfafscheiding hebben veranderd, dus langer dan een periode van 20 jaar, het exclusieve bezit heeft uitgeoefend over de strook grond die ligt tussen de kadastrale grens en het oorspronkelijke tracé van de erfafscheiding. Het gevolg daarvan is dat [eiseres] door bevrijdende verjaring de eigendom van die strook heeft verkregen. Het is echter niet duidelijk waar die strook grond precies ligt. [eiseres] heeft weliswaar gewezen op een achter in de tuin van [gedaagde] c.s. liggende verhoging van beton of cement en gesteld dat die verhoging zou markeren waar het hekwerk aan de achterzijde van het perceel heeft gestaan, maar daaruit is de door haar gestelde eigendomsgrens tot aan de bebouwing niet af te leiden. Omdat de eigendomsgrens naar aanleiding van de thans door de partijen ingenomen standpunten onvoldoende bepaalbaar is en [eiseres] voorts niet eenduidig stelt waar de huidige door [gedaagde] c.s. geplaatste schutting staat: al of niet geheel of gedeeltelijk op haar eigendom, voldoet zij niet aan de stelplicht die benodigd is voor toewijzing van de vordering sub VI. Dat neemt niet weg dat wanneer de partijen het eens zijn over het tracé van het door [gedaagde] c.s. verwijderde hekwerk van [eiseres], [gedaagde] c.s. de schutting dienen te verwijderen voor zover deze zich op de eigendom van [eiseres] bevindt.

4.7. Uit de in zoverre niet weersproken stellingen van de partijen volgt dat zij elk een door de ander geplaatste erfafscheiding hebben afgebroken, [eiseres] in 2008 en [gedaagde] c.s. in 2010. Het komt de rechtbank daarom redelijk en billijk de vordering van [eiseres] tot het terugplaatsen van de draadpanelen weg te strepen tegen de vordering sub III in reconventie van [gedaagde] c.s. tot betaling van (een deel van) de kosten van de nieuwe schutting. De vordering sub VII. zal daarom worden afgewezen. In reconventie zal de vordering sub III hetzelfde lot ondergaan

4.8. Er is onvoldoende gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende buitengerechtelijke werkzaamheden met betrekking tot de toe te wijzen onderdelen van de vordering. De vordering sub VIII zal worden afgewezen.

4.9. [eiseres] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] c.s. worden bepaald op € 258,,-- voor vast recht en € 904,-- (2 punten x tarief II € 452,--) voor salaris advocaat.

in reconventie

4.11. Gelet op het in conventie in rechtsoverweging 4.6. overwogene kan de vordering sub I. niet worden toegewezen.

4.12. Nog daargelaten dat [eiseres] betwist dat er terzake van de kosten van de kadastrale meting afspraken zijn gemaakt is de vordering sub II. reeds niet toewijsbaar nu volgens [gedaagde]s c.s. is overeengekomen dat deze kosten op basis van ongelijk door ‘de verliezer’ zouden worden betaald. Die kosten dienen daarom voor rekening van [gedaagde] c.s. te blijven.

4.13. De rechtbank neemt in reconventie over hetgeen zij in conventie in rechtsoverweging 4.7. heeft overwogen en beslist. De vordering sub III. zal daarom worden afgewezen.

4.14. Als de in het ongelijk te stellen partij zullen [gedaagde] c.s. in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten worden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 226,-- (1/2 punt x tarief II € 452,--) voor salaris advocaat.

4.15. Tenslotte zullen [gedaagde] c.s. in de nakosten worden veroordeeld.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

veroordeelt [gedaagde] c.s. binnen 2 maanden na betekening van dit vonnis tot het treffen van zodanige voorzieningen dat de aan hun uitbouw boven het erf van [eiseres] hangende vergaarbak voor regenwater ook bij hevige regenval niet kan overstromen,

veroordeelt [gedaagde] c.s. binnen 2 maanden na betekening van dit vonnis tot herstel van de woningscheidende zoldermuur aan de kant van [eiseres],

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot heden aan de zijde van [gedaagde] c.s. begroot op

€ 1.162,--,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vordering af,

veroordeelt [gedaagde] c.s. in de proceskosten, tot heden aan de zijde van [eiseres] begroot op

€ 226,--,

veroordeelt [gedaagde] c.s. tevens in de nakosten, aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 113-- voor nasalaris advocaat,

in conventie en in reconventie

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.A. Walda en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2012.