Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX3710

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
06-08-2012
Zaaknummer
217478
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot terugbetaling van geldlening. Na bewijslevering oordeelt de rechtbank dat de getuigenverklaring van gedaagde ongeloofwaardig is, terwijl de partijgetuigenverklaring van eiserees consistent is en door stukken wordt onderbouwd. Bestaan geldleningsovereenkomst (grotendeels) bewezen. Vordering (grotendeels) toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 217478 / HA ZA 11-1002

Vonnis van 27 juni 2012

in de zaak van

[eiseres]

eiseres,

advocaat mr. R.J. Michielsen te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

gedaagde,

advocaat mr. drs. N. van den Berg te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 november 2011

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 februari 2012

- de conclusie na getuigenverhoor aan de zijde van [eiseres]

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor aan de zijde van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. [eiseres] stelt dat zij € 25.000,00 heeft geleend aan [gedaagde] en vordert terugbetaling daarvan. Vast staat dat zij op 6 juli 2010 een bedrag van € 23.400,00 aan [gedaagde] heeft overgemaakt onder de omschrijving ‘betr. terugvordering inzake terugbetaling’. [gedaagde] stelt onder verwijzing naar die omschrijving dat hij eerder juist geld aan [eiseres] had geleend en dat deze betaling ziet op de terugbetaling aan hem van dat bedrag. Volgens [eiseres] is dat onjuist en heeft zij die omschrijving slechts aan de betaling gegeven omdat [gedaagde] op het moment van betalen (via telebankieren) achter haar stond terwijl zij aan de computer zat en haar zei die omschrijving te geven omdat dat beter was voor de accountant. De stellingen van [eiseres] komen er op neer dat zij er is ‘ingeluisd’.

2.2. Bij vonnis van 9 november 2011 is aan [eiseres] opgedragen te bewijzen dat zij

€ 25.000,00 aan [gedaagde] heeft geleend. Ter uitvoering daarvan heeft [eiseres] twee getuigen doen horen, namelijk zichzelf en [gedaagde].

2.3. Verder zijn in de loop van de procedure de navolgende stukken in het geding gebracht: bankafschrift van de bankrekening van [eiseres] bij ING over juli 2010; afschrift ING creditcard van [eiseres]; een uitdraai van emailcorrespondentie op maandag 28 april 2010; een afschrift van chatberichten van maandag 17 mei 2010; emailberichten van 10, 11 en 17 mei 2010; emailberichten van 17 en 25 november 2010; geldleningsovereenkomst tussen [eiseres] en LaSer Nederland B.V. d.d. 29 juni 2010; bankafschrift ING van de bankrekening van [eiseres] over de periode 5 tot en met 7 juli 2010; een lijst met SMS-berichten; bevestiging registratie bij Lexa; een bankafschrift van [gedaagde]. Ook heeft [eiseres] ten tijde van het getuigenverhoor nog enkele stukken overgelegd die aan het proces-verbaal zijn gehecht.

2.4. De schriftelijke stukken bevatten het volgende:

- een emailbericht van 28 april 2010 09:28.04 aan [e-mailadres gedaagde] van [e-mailadres eiseres]: “Hallo [gedaagde], Nog hartelijk dank voor het geldbedrag dat ik van jou destijds mocht lenen. Ik betaal je het geleende bedrag zo snel mogelijk terug, dat beloof ik jou. Groetjesss .. big kiss [eiseres]”

- een emailbericht in antwoord daarop van 28 april 2010, 14:13:43 van [e-mailadres gedaagde] aan [e-mailadres eiseres]: “Hallo [eiseres], Is goed, ik zie het wel op mijn rekening verschijnen, zodra jij het mij terug kunt betalen. Ik vertrouw je en ga er vanuit dat het wel goed komt. [gedaagde]”.

- Uit de chatberichten van 17 mei 2010:

“[eiseres] zie (13:33):

hee waar ben je lief…

R zegt:

ik ben hier lieverd

[eiseres] zegt:

okee – zie je – heb een foto voor jou

(…)

R zegt:

is dat bij jou thuis?

[eiseres] zegt:

nee

bij stiefdochter in haar studentenflatje

mijn dochter turnen was in Amsterdam

R zegt:

oke

[eiseres] zegt:

en derde is in kamer van mijn dochtrtje

foto’s van mij zijn niet duidelijk he beetje wazig

R zegt:

oke, thanks

leuke foto’s

[eiseres] zegt:

ok aub

R zegt:

ben je volslank?

[eiseres] zegt:

ja – als dat is wat ik denk ha ha

ik ben niet slank

R zegt:

ok

[eiseres] zegt:

ook niet bom dik

R zegt:

dat niet

[eiseres] zegt:

sang jee aksi so?

R zegt:

jazeker

[eiseres] zegt:

why

R zegt:

omdat ik het niet zo goed op die foto’s zien kan

[eiseres] zegt:

ooh dan moet ik je een andere sturen – stuur ik een waar ik lekker dik ben

ff wachten

(…)

[eiseres] zegt:

ja dank je – ik hoef niet per se mee natuurlijk maar ga toch

Ga je nog naar r’dam

R zegt:

Gelijk heb je, ik begrijp het

nee ik denk niet meer vandaag

ik blijf vandaag nog hier

het weer ziet er ook niet uit

(…)”

- een emailbericht van 10 mei 2010 van [e-mailadres gedaagde] naar [e-mailadres eiseres]: “Hallo schoonheid, Zoals beloofd stuur ik je hierbij mijn foto. Ik hoop dat je mijn foto ook leuk vind, want ik wil en zal er alles aan doen om ons vriendschap tot een goed succes te laten slagen. KusXXX [gedaagde]”

- in antwoord daarop een emailbericht van 11 mei 2010 van [e-mailadres eiseres] aan [e-mailadres gedaagde]: “Hallo ander schoonheid, Heb even nog je profiel bekeken op lexa daar ben je 40 meneer? Jij christen zag ik – ik ook … ok spreek je gauw… xxx [eiseres]”.

- en in antwoord op het voornoemde emailbericht van 10 mei 2010 een emailbericht van 17 mei 2010 14:03:11 uur van [e-mailadres eiseres] aan [e-mailadres gedaagde] met een bijlage: “Foto…Ri Meer krijg je niet! ha ha”

- een kredietovereenkomst tussen [eiseres] en LaSer Nederland B.V. d.d. 29 juni 2010 ter hoogte van € 30.000,00.

- een bankafschrift waaruit blijkt dat LaSer Nederland B.V. op 5 juli 2010 op de bankrekening van [eiseres] € 23.650,00 heeft gestort en dat [eiseres] op 6 juli 2010

€ 23.400,00 aan [gedaagde] heeft betaald.

- een smsje van van 6 juli 2010, 7:36:22 uur, van telefoonnummer [telefoonnummer]: “Goedemorgen schat .. Ik ben om 11 uur bij jou en dan gaan wij samen het geld op mijn rekening storten ok? totzo.. Godszegen”

- een bevestiging registratie op de website Lexa d.d. 3 februari 2007 aan het emailadres l[e-mailadres A] en de bevestiging van de website Lexa d.d. 6 februari 2007 aan dat emailadres dat de persoonlijke omschrijving online is.

- een bankafschrift van de betaalrekening van [gedaagde] van 27 maart 2003 waaruit blijkt dat hij € 20.000,00 heeft overgeboekt.

2.5. [eiseres] heeft als getuige verklaard:

“U vraagt mij om te vertellen wat er is gebeurd. Ik leerde [gedaagde] kennen op 18 mei 2010, de verjaardag van mijn zus. Toen heb ik hem voor het eerst gezien. Ik had hem al eerder via Lexa leren kennen. In 2010 hebben wij echt gechat, april/mei 2010. Het kan zijn dat ik hem al eens eerder via Lexa heb gesproken, of per mail of telefonisch. Toen had het verder nog niks te betekenen. Ik had hem voor 18 mei 2010, nog nooit in levende lijve ontmoet.

Toen ik [gedaagde] ontmoette, had ik geen werk. Ik had een uitkering. Wij kregen een soort van relatie, en hij vroeg of ik bij hem in het bedrijf wilde komen werken. Eerst aarzelde ik erover, ik was bang dat het werk (notuleren en dergelijke) niet geschikt voor mij zou zijn. Uiteindelijk nam hij me toch in vaste dienst. Toen bracht hij al snel een lening ter sprake, hij had geld nodig voor zijn bedrijf. Hij vroeg mij of ik hem geld wilde lenen. En of ik kon proberen om bij de bank een geldlening te krijgen. Ik stemde toe omdat ik verliefd was en hem vertrouwde en hem wilde helpen. Ik heb toen bij de bank geld geleend. Samen zijn wij nog gaan uitzoeken bij welke banken ik kon lenen. Andere banken wilden minder lenen dan Directa en daar ging [gedaagde] niet mee akkoord. Het was te weinig volgens hem. Ik heb met terugwerkende kracht salarisstroken gekregen en de lening aangevraagd. Het moest allemaal snel. Op 5 juli 2010 is het geld op mijn bankrekening gestort. Op 6 juli 2010 heb ik het geld naar zijn bankrekening overgemaakt. Op pagina 9 van de toegezonden stukken ziet u een smsje dat hij mij toen heeft gestuurd. Het nummer: [telefoonnummer] is zijn telefoonnummer. De andere telefoonnummers in de lijst met smsjes zijn niet van toepassing in deze zaak, die zijn van andere mensen. Ik heb mijn smsjes aan hem niet bewaard. U ziet op het smsje van 6 juli 2010 dat hij naar mij toekomt om het geld over te maken. Toen hij bij mij thuis kwam heb ik via internet bankieren het geld overgemaakt. Hij stond achter mij en heeft gedicteerd wat ik er als omschrijving bij moest zetten. Ik kreeg toen al wat argwaan, maar hij zei dat hij het nodig had voor zijn accountant. U vraagt mij waarom dan. Ik wilde het eerst niet opschrijven omdat ik dacht dat het niet klopte. [gedaagde] zou de lening ook netjes op papier zetten, maar dit heeft hij nooit gedaan. Toen ik vroeg waarom ik die omschrijving erbij moest zetten, zei hij dat zijn accountant zich anders zou afvragen waar het bedrag voor was. Daarom heb ik het maar gedaan.

Wij hadden geen afspraken gemaakt over wanneer ik het geld terug zou krijgen. Na twee maanden zag ik hem steeds minder. Het ging ook niet goed met het bedrijf, zei hij. Ik kreeg langzamerhand door, dat ik het geld niet terug zou krijgen. Ik heb hem toen nog geschreven en om mijn geld gevraagd en zelf een soort overeenkomst op papier gezet, maar die heeft hij niet getekend en hij ontkent dat hij het geld heeft geleend. Hij zegt nu ook dat hij de brief nooit heeft ontvangen.

Met het grote bedrag van 6 juli 2010 heeft [gedaagde] bij mij thuis nog rekeningen zitten betalen. Die had hij gescand en die vond ik in mijn computer terug.

Ik heb hem ook vier keer een contant bedrag van € 400,00 gegeven. Dat ik van mijn creditcard had opgenomen. Hij wilde eigenlijk mijn volledige kredietruimte bij de creditcard hebben. Ik kon maar € 400,00 per keer opnemen. Hij zou het gespreid maandelijks terug betalen maar ook daarvan heb ik niets meer gezien.

U leest mij mijn verklaring ter comparitie voor. Ik blijf daar nu onder ede ook bij. Het kan zijn dat ik drie keer bij hem thuis ben geweest in plaats van twee keer, dat weet ik niet meer precies. De mail van 28 april 2010 heb ik voor het eerst gezien toen ik hem kreeg toegezonden van mijn advocaat. Het adres “[eiseres] [eiseres]w” is wel een van mijn e mailadressen. Zo’n vervalsing is makkelijk te doen. Je kunt alles knippen en plakken en kopiëren. Zelf een mailtje maken als het ware. Hij heeft het overigens ook niet verstuurd, zijn adres staat er nota bene nog boven. Als het mailtje echt zou zijn zou mijn e-mailadres erboven staan.

Er is niks van waar dat ik van [gedaagde] in 2009 geld heb geleend. Dat is allemaal onzin. Hij wil het gewoon niet terugbetalen. Ik kende hem toen nog niet eens. Ik had hem nooit gezien. Hoe kan hij mij nou geld hebben gegeven.

Op vragen van mr. van den Berg:

U vraagt mij hoe de smsjes zijn overgezet op de PC.

Dat heb ik aan iemand gevraagd. Toen ik doorkreeg dat ik was belazerd heb ik besloten de smsjes van [gedaagde] te bewaren op mijn telefoon. Mijn eigen smsjes heb ik gewist om ruimte te maken anders zou ik ook geen smsjes meer kunnen ontvangen. Dan zit de inbox te vol. Ik heb iemand gevraagd om ze op de computer over te zetten. Ik kan dat zelf niet. Een kennis van mij heeft dat gedaan. Die met computers kan omgaan. Meneer Van de Ven.

U vraagt mij naar de conceptovereenkomst. Die heb ik [gedaagde] gestuurd bij mijn brief van 25 november 2010. Ik hoor mijn advocaat zeggen dat hij die brief niet in het geding heeft gebracht omdat de bewijslast toch bij mij lag en het hem niet relevant leek. Ik laat u de brief zien en hoor u zeggen dat u die aan het proces-verbaal zal hechten.

Op een aanvullende vraag van de rechter.

U vraagt of er verder nog iets van belang is. Ik merk nog op dat ik in januari 2011 zijn vader heb opgezocht en hem een brief heb geschreven en overhandigd. De vader van [gedaagde] heeft mij opgebeld en ik heb urenlang gesproken en hem alles verteld. Hij kon het niet geloven. Hij zou het met [gedaagde] bespreken en mij terug bellen maar dat heeft hij niet meer gedaan.

Op een nadere vraag van mr. Michielsen aan mevrouw [eiseres]:

Ik heb inderdaad een handgeschreven verklaring met aantekeningen van [gedaagde] waarmee hij uitrekent hoeveel salaris ik zou moeten ontvangen om een lening te kunnen aanvragen. Ik toon u die aantekeningen en hoor u zeggen dat u deze aan het proces-verbaal zal hechten.

Ik heb alleen in het midden van de eerste bladzijde een aantekening gemaakt over instanties om bij te lenen. Onder het kopje schulden staan mijn schulden op dat moment. Dat was om te kunnen berekenen wat ik moest lenen om nog een “x”-bedrag aan meneer te kunnen betalen.

Op een nadere vraag van de rechter:

U vraagt mij of de overige pagina’s ook relevant zijn. Dan zou ik moeten kijken. Ik weet niet wat er staat. Er is in ieder geval geen aparte pagina met ING en instanties.”

2.6. [gedaagde] heeft als getuige verklaard:

“Vanaf 2007 stond ik bij Lexa geregistreerd. Daar heb ik voor deze zitting nog stukken van overgelegd. Ik heb eind 2007 begin 2008 op Lexa, mevrouw [eiseres] leren kennen. We zijn elkaar vanaf 2009 gaan ontmoeten. Toen is er een relatie ontstaan. [eiseres] kwam bij mij thuis en ik ook wel bij haar. In 2009 heeft zij mij een aantal malen gevraagd haar te helpen omdat ze geld nodig had. Ik kon er niet echt uit krijgen waarvoor dat was. Ze had wat problemen en zou het terug betalen. Ik deed daar niet moeilijk over. We hadden immers een relatie. Wij spraken af dat zij het geld zou terug betalen als zij daar toe in staat was. Ik heb niet bijgehouden wanneer ik haar geld heb geleend. Ik meen in januari 2009, in de lente of zomer 2009 (mei ongeveer), in augustus/september 2009 en in december 2009. Het ging telkens om € 5.000,00. Het geld had ik bij mij thuis in een kluisje, in een soort spaarpotje in mijn kamer. Ik had zulke bedragen omdat ik spaarde voor mijn eigen zaak. Ik vond het makkelijk om dat geld thuis bij de hand te hebben. Ik had bij elkaar rond de € 27.000,00 tot € 30.000,00 in huis. Ik heb het bankafschrift van 27 maart 2003 overgelegd om te laten zien dat ik toen geld heb opgenomen. Ik had dat geld thuis liggen en vulde dat aan met mijn spaargeld. Ik vond het makkelijk om de contanten te hebben voor mijn bedrijf en meteen te kunnen betalen als dat nodig was. De rekening [rekeningnummer] is mijn bankrekening.

In 2010 heeft [eiseres] ook nog eens om geld gevraagd en toen, meen ik, heb ik haar € 3.500,00 geleend. Tussendoor hebben wij het er wel overgehad en verzekerde zij mij dat ik het geld terug zou krijgen. Ik vertrouwde daar ook op en er is niks op papier gekomen.

Toen het bedrag van € 23.400,00 aan mij werd overgemaakt, was ik in [woonplaats]. [eiseres] belde mij en zei mij dat zij het had overgemaakt. Ik heb toen iets later op mijn bankrekening gekeken en het stond erop. Op de dag dat het geld werd betaald was ik niet bij [eiseres].

Ik heb haar wel meerdere malen gevraagd om het geld terug te betalen. Zij beloofde dat te doen en daar nam ik genoegen mee.

U vraagt mij of ik weet hoe zij aan het geld kwam. In eerste instantie niet. Pas toen het al betaald was hoorde ik dat zij het had geleend. U laat mij de smslijst zien (productie 7). Het telefoonnummer: [telefoonnummer] is mijn telefoonnummer. Er zitten wel smsjes bij die ik vreemd vind bijvoorbeeld het smsje van 25 december 2009 of de smsjes van 4 december 2010 en 2 februari 2011 met “groetjes [H]”. Ik had vroeger nog meer telefoons maar de nummers daarvan ken ik niet meer. [eiseres] had die nummers dus wij smsten ook op andere nummers. Het nummer eindigend op [nummer] was mijn werkmobiel. Ik had ook nog een privételefoon. Het smsje van 17 mei 2010 zou ik wel kunnen hebben verstuurd, maar het is niet zo dat ik op 18 mei 2010 [eiseres] pas voor het eerst heb ontmoet.

U toont mij het smsje van 6 juli 2010, 7.36 uur. Het is wel mijn telefoonnummer. Ik ben er die dag niet geweest. Het is mij vaag. Nu ik erover nadenk verklaar ik dat er die dag wel sprake van was dat ik naar haar toe zou gaan, maar dat is toen niet meer gebeurd. Ik meen dat er iets met mijn bedrijf was, waardoor ik was verhinderd.

Op vragen van mr. Michielsen:

Ik ben mijn bedrijf in 2006 begonnen. Dat was nog de aanloopfase. Vanaf 2006 heb ik in mijn bedrijf geïnvesteerd. U vraagt mij hoeveel. Best wel wat. Ik weet niet precies hoeveel. Ik had ook nog geld op de bank. U vraagt mij hoeveel ik in 2006 aan contanten heb geïnvesteerd. Ik heb wat geld gestopt in pensions en huizen. Ik weet het allemaal niet precies meer. Het is een behoorlijke onderneming dat je dan doet.

Ik kwam aan het geld dat ik contant in huis had in 2009 door een aanloop opgeteld met spaargeld. Vanaf 2003 tot 2006 heb ik nog aan contanten gespaard, maar weet niet meer hoeveel precies. Mijn bedrijf heet [bedrijfsnaam].

U vraagt mij naar de locatie en het tijdstip dat ik de contante bedragen aan [eiseres] heb gegeven. Dat was bij mij thuis, in de middag of in de avond. Wij waren verliefd, wij keken tv, wij spraken wat en zij vertelde mij over haar moeilijkheden. Ik vroeg dan wat er was, maar dat bleef vaag. Ik zei dan goed en haalde het geld. Zij zei bedankt en stopte het in haar tas. Ik weet niet meer welke coupures ik betaalde. Ik telde het voor haar en legde het op de salontafel. Ik weet ook niet meer in welke coupures ik het bedrag van € 3.500,00 in 2010 betaalde. Ook dat was thuis aan de salontafel.

Het klopt dat ik op de dag dat er werd betaald niet bij mevrouw [eiseres] was. Ik weet niet meer precies welke datum dat was. Als u zegt dat het 6 juli 2010 was, dan geloof ik dat.

U toont mij de factuur borg (productie 6). [eiseres] werkte mee in het bedrijf. Zij deed thuis wel eens wat werk voor het bedrijf, opdrachtjes. Zij had een kopie van de stukken die zij meenam. Het kan zijn dat die in haar computer staan. Ik heb niet vanaf haar PC een betaling gedaan. De handgeschreven aantekening op de factuur borg is van mij.

Ik heb mij niet met de financiering bemoeid van het geld dat [eiseres] aan mij heeft betaald. Zij zei dat zij haar best zou doen om het terug te betalen. Er was sprake van dat zij daar en daar aan dacht. Daarmee bedoel ik instanties waar zij het geld zou kunnen financieren. Ik weet niet of ik daar ooit een handgeschreven berekening van heb gemaakt.

Op aanvullende vragen van de rechter.

Ik blijf bij mijn verklaring afgelegd ter comparitie die u mij net heeft voorgelezen.

Ik kijk op uw verzoek naar de e-mailcorrespondentie van 28 april 2010. Deze heb ik uit mijn computer uitgeprint. Ik heb nog wel andere berichten. Volgens mij is dit een mailtje dat ik aan haar heb verzonden. Het e-mailadres [e-mailadres gedaagde] is van mij. U vraagt mij waarom mijn e-mailadres dan in de balk van de adressant staat. Het kan zijn dat het een concept was en dat ik het dubbel heb opgeslagen.

Mevrouw [eiseres] heeft mij nooit bedragen van € 400,00 geleend.

Op een nadere vraag van de rechter aan de heer [gedaagde]:

U vraagt mij naar de handgeschreven aantekeningen die mevrouw [eiseres] overlegt. Het klopt dat ik met mevrouw er over heb gesproken over dat zij het zou terug zou betalen, maar we hebben geen overeenstemming bereikt over een bepaald bedrag. Die aantekeningen zijn een kladje. We hebben toen gewoon gebrainstormd. Zij wilde graag het geld terug betalen en toen had zij gedacht om geld te lenen en dan ga je pen en papier pakken. Het zijn volgens mij drie bladzijden. Op de eerste bladzijde heb ik wat op papier geschreven. De tweede bladzijde die zij overlegt ken ik niet. Er waren nog andere bladzijden, maar die zitten er niet bij. Er was nog een bladzijde waar zij nog een aantal instanties had opgeschreven. U vraagt waarom de aantekeningen dan over salaris gaan. Dat was omdat we er over spraken hoe zij mij zou kunnen terugbetalen. ”

2.7. Het bewijs wordt als volgt gewaardeerd. Er zijn in deze zaak twee getuigen, van wie [eiseres] als partijgetuige het bewijsrisico draagt, zodat op grond van artikel 164 lid 2 Rv haar verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Gezien de omschrijving die zij aan de betaling van € 23.400,00 heeft gegeven (“inzake terugbetaling lening”), dient het aanvullende bewijs van voldoende gewicht te zijn. De rechtbank is van oordeel dat dergelijk aanvullend bewijs voorhanden is. Dit oordeel van de rechtbank is in de kern genomen gebaseerd op het oordeel dat de verklaring van [eiseres] consistent is en onderbouwd wordt door de stukken. Anderzijds is de rechtbank van oordeel dat dat voor de verklaring van [gedaagde] niet geldt. Dit wordt als volgt toegelicht.

2.8. [eiseres] heeft verklaard dat zij [gedaagde] op 18 mei 2010 voor het eerst in den lijve ontmoette. Deze verklaring wordt ondersteund door de chatberichten tussen partijen van 17 mei 2010. Daarin spreken de partijen over foto’s die [eiseres] van zichzelf stuurt aan [gedaagde], hetgeen zij blijkens het emailbericht van 17 mei 2010 ook heeft gedaan. [gedaagde] vraagt in het chatgesprek aan [eiseres] of zij volslank is. Die vraag is alleen te begrijpen als de partijen elkaar nog niet hadden ontmoet (zoals [eiseres] stelt) en onbegrijpelijk als zij elkaar al wel in den lijve hadden ontmoet (zoals [gedaagde] stelt). In het vervolg van het gesprek vraagt [eiseres] nog ‘why’ en antwoordt [gedaagde] ‘omdat ik het niet zo goed op die foto’s kan zien’. Ook uit de emails die de partijen op 10 en 11 mei 2010 hebben gewisseld wordt aannemelijk dat zij elkaar nog niet eerder in levende lijve hadden ontmoet. Op 10 mei 2010 stuurt [gedaagde] aan [eiseres] een foto van zichzelf met de tekst: “ik hoop dat je mijn foto ook leuk vind, want ik wil en zal er alles aan doen om ons vriendschap tot een goed succes te laten slagen”. [eiseres] antwoordt daarop: “heb nog even je profiel bekeken op lexa. Daar ben je 40 meneer? Jij christen zag ik – ik ook …”. Deze teksten zijn niet begrijpelijk als [gedaagde] en [eiseres] elkaar al in levende lijve hadden ontmoet, sterker nog, al een relatie hadden (zoals [gedaagde] heeft verklaard) waarbinnen hij aan haar al vijf maal een substantieel bedrag had geleend.

2.9. Of de partijen elkaar al voor 18 mei 2010 in den lijve hadden ontmoet is van belang omdat [gedaagde] heeft verklaard dat de betaling van [eiseres] van € 23.400,00 strekte tot terugbetaling van bedragen die hij eerder - in 2009 en begin 2010 - aan haar had geleend. Als zij elkaar toen nog niet kenden, is die verklaring dus ongeloofwaardig.

2.10. Ook de verklaring van [gedaagde] over de bedragen die hij aan [eiseres] heeft geleend is naar het oordeel van de rechtbank vaag. Het zou gaan om bedragen van telkens € 5.000,00 en een maal € 3.400,00 die [gedaagde] contant in huis had. [gedaagde] kon niet meer verklaren wanneer hij die bedragen precies aan [eiseres] had geleend, en in welke coupures. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij grote bedragen contant in huis had, heeft [gedaagde] verwezen naar een bankafschrift van de Rabobank van 23 juli 2003, waaruit volgens hem volgt dat hij € 20.000,00 had opgenomen. Dat laatste volgt echter helemaal niet uit dat bankafschrift. Daaruit blijkt namelijk dat [gedaagde] een bedrag van € 20.000,00 van zijn Rabo betaalrekening heeft geboekt naar een andere rekening op zijn naam. Bovendien ligt het niet voor de hand dat iemand in 2003 € 20.000,00 in contanten opneemt, dat geld al die tijd thuis bewaart en dan in 2009 contant uitleent.

2.11. [gedaagde] heeft twee emails van 28 april 2010 in het geding gebracht waarin [eiseres] hem bedankt voor het geldbedrag dat zij destijds van hem mocht lenen en belooft het hem zo snel mogelijk terug te betalen. [eiseres] heeft daarover verklaard dat zij die emails niet kent en dat deze volgens haar vervalst zijn. Zij heeft er op gewezen dat in de adresbalk bovenin de overgelegde productie het eigen emailadres van [gedaagde] staat ([e-mailadres gedaagde]). De rechtbank twijfelt aan de echtheid van deze emails. Inderdaad staat bovenaan de overgelegde productie in de adresbalk het eigen emailadres van [gedaagde]. Niet begrijpelijk is hoe dat komt. Ook als het een concept zou zijn, zoals [gedaagde] heeft verklaard, is niet begrijpelijk waarom dan zijn emailadres in de adresbalk staat. Bovendien is het raar dat in die emails het antwoord van [gedaagde] van 14:13 uur is geplaatst onder het bericht van [eiseres] van diezelfde dag (9:28 uur). Bij een antwoordemailbericht komt immers het antwoord altijd boven het oorspronkelijke emailbericht te staan (zoals ook te zien bij de mailwisseling tussen partijen van 10 en 11 mei 2010). Er is dus niet simpelweg sprake van een print van een emailwisseling die nog in [gedaagde]s computer stond. Wat ook opvalt, is dat in de kop van de email van 28 april 2010 van [eiseres] twee maal de adressant staat vermeld (“Aan: [e-mailadres gedaagde]”). Dat wijkt af van de normale gang van zaken en ook van de email van 11 mei 2010.

2.12. Dan de betaling van 6 juli 2010. [eiseres] heeft verklaard dat zij die betaling thuis op haar computer heeft gedaan en dat [gedaagde] toen achter haar stond en haar zei de omschrijving op te nemen omdat zijn accountant anders zou willen weten waar het geld voor was. [gedaagde] heeft verklaard dat hij, toen de betaling werd verricht, helemaal niet bij [eiseres] was. Uit de door [eiseres] in het geding gebrachte sms-bericht van 6 juli 2010 van telefoonnummer [telefoonnummer] (volgens de verklaring van [gedaagde] zijn telefoonnummer), 7:36 uur (met de tekst: Goedemorgen schat.. Ik ben om 11 uur bij jou en dan gaan wij samen het geld op mijn rekening storten. oke? totzo .. godszegen”) blijkt in ieder geval dat om half acht die ochtend nog de bedoeling was dat [gedaagde] naar [eiseres] toe zou gaan. Daarnaar gevraagd heeft [gedaagde] slechts in het algemeen opgemerkt dat hij naar haar toe zou gaan, maar dat hij verhinderd was.

2.13. [eiseres] heeft verklaard dat zij achteraf tot de conclusie is gekomen dat zij in dienst is genomen opdat zij een lening kon verkrijgen. [gedaagde] heeft tijdens het getuigenverhoor aanvankelijk verklaard dat hij niet wist dat [eiseres] het geld had geleend en dat hij dat pas hoorde toen het betaald was. Nadat [eiseres] handgeschreven aantekeningen van [gedaagde] had overgelegd waarop salarisberekeningen staan, heeft hij verklaard dat zij over salaris hadden gesproken omdat zij erover spraken hoe [eiseres] hem zou kunnen terugbetalen en dat zij graag geld wilde lenen. Ook op dat punt is [gedaagde]s verklaring inconsistent.

2.14. Al met al is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van [gedaagde] ongeloofwaardig is. [gedaagde] is bij zijn conclusie na enquête meer in detail op de verschillende door [eiseres] bij haar conclusie na enquête aan de orde gestelde aspecten ingegaan. Deze stellingen heeft hij echter als getuige onder ede niet verklaard. De rechtbank ziet dan in deze conclusie na enquête geen reden voor een ander oordeel.

2.15. In de genoemde stukken, in samenhang met het oordeel dat de verklaring van [gedaagde] ongeloofwaardig is, is dan zodanig sterk bewijs voorhanden dat zodanig essentiële punten bevat dat het de verklaring van [eiseres] voldoende geloofwaardig maakt. De rechtbank acht [eiseres] dan ook erin geslaagd te bewijzen dat zij € 23.400,00 aan [gedaagde] heeft geleend. Anders ligt dat ten aanzien van de gestelde contante bedragen van (vier keer

€ 400,00 =) € 1.600,00. Weliswaar heeft [eiseres] aangetoond dat zij dat geld van haar credit card heeft opgenomen, maar er is onvoldoende bewijs voorhanden dat zij dat geld ook aan [gedaagde] heeft geleend (betaald).

2.16. De vordering zal dus worden toegewezen tot een bedrag van € 23.400,00 in hoofdsom. [eiseres] heeft daarnaast de wettelijke rente gevorderd vanaf 22 september 2010. Daartegen is niet separaat verweer gevoerd. Die vordering zal worden toegewezen.

2.17. [gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,14

- griffierecht € 71,00

- salaris advocaat € 2.026,50 (3,5 punt × tarief € 579,00)

Totaal € 2.196,64

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 23.400,00 (drieëntwintig duizendvierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 22 september 2010 tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.196,64, waarvan € 99,14 aan explootkosten moet worden voldaan aan de griffier, waarvoor aan gedaagde een factuur zal worden gestuurd,

3.3. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

3.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2012.