Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX3609

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
06-08-2012
Zaaknummer
212406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Levensverzekering.

Na comparitie hebben partijen een minnelijke regeling getroffen, die kort gezegd inhoudt dat zij een overlijdensrisicoverzekering hebben afgesloten. Zij verschillen alleen nog van mening over de hoogte van de premie. Geen grond om RVS te veroordelen tot het aanbieden van de verzekering tegen de door eisers gestelde premie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 212406 / HA ZA 11-295

Vonnis van 20 juni 2012

in de zaak van

[eisers]

eisers,

advocaat mr. J.A.M. van de Sande te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

RVS LEVENSVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Ede,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] c.s., dan wel afzonderlijk [eiser] en [eiser sub 2], en RVS genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 juni 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 25 augustus 2011

- de akte van [eiser] c.s.

- de akte van RVS.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] heeft met ingang van 1 augustus 2002 een levensverzekering onder polisnummer 56008855 gesloten met RVS. Het verzekerde bedrag bedroeg € 190.000,00. Begunstigden waren, hijzelf, zijn echtgenote, zijn kinderen en overige erfgenamen. Overeengekomen is onder meer het volgende:

“Aan de begunstigde(n) wordt uitgekeerd:

a. de geldswaarde van de ten behoeve van de verzekeringnemer uitstaande participaties, in de door de verzekeringnemer aangewezen fondsen, op 1 augustus 2027 als de verzekerde dan leeft;

b. een bedrag groot € 190.000,00 of, indien dat hoger is, 110% van de geldswaarde van de dan ten behoeve van de verzekeringnemer uitstaande participaties, in de door de verzekeringnemer aangewezen fondsen, meteen na overlijden van de verzekerde voor 1 augustus 2027.”

2.2. De premie bedroeg eenmalig € 14.230,00 en vervolgens over de periode 1 september 2002 tot 1 augustus 2022 (de contractuele einddatum) per maand telkens

€ 230,00.

2.3. Ten tijde van het aangaan van de verzekering was [eiser] werknemer bij RVS. Daarom was op de verzekering van toepassing de personeelsregeling ‘personeelstarief eigen verzekeringen’.

2.4. Op 4 mei 2004 zijn [eiser] c.s. een hypothecaire geldlening aangegaan bij Postbank N.V. (in verband met de latere juridische fusie tussen Postbank en ING, hierna te noemen: ING) in verband met de aankoop van de woning aan de [adres]. Daarbij hebben [eiser] c.s. de uitkeringen waarop zij uit hoofde van de levensverzekering recht hadden aan ING verpand, waartoe zij op grond van artikel 14 van de polisvoorwaarden bevoegd waren.

2.5. [eiser] is op enig moment ernstig (levensbedreigend) ziek geworden en als gevolg daarvan arbeidsongeschikt geworden. Dit heeft geleid tot financiële problemen bij [eiser] c.s. en tot betalingsachterstanden bij ING.

2.6. Als gevolg van een achterstand in betaling door [eiser] c.s. heeft ING de hypothecaire geldlening na ingebrekestelling in mei 2009 geheel opgeëist. Daarbij heeft ING gebruik gemaakt van haar bevoegdheid als pandhouder tot afkoop van de levensverzekering. Het recht tot afkoop was opgenomen in artikel 11 van de polisvoorwaarden. ING heeft uit hoofde daarvan RVS verzocht het bedrag dat gemoeid was met de afkoop rechtstreeks aan haar te betalen ter aflossing van de hypothecaire schuld van [eiser]. De afkoopwaarde bedroeg op dat moment € 18.509,20, welk bedrag RVS rechtstreeks aan ING heeft voldaan. Na uitwinning van de zekerheden die [eiser] c.s. aan ING hadden verstrekt, resteerde een restschuld van circa € 82.000,00. Door tussenkomst van de stichting welzijnsfonds ING heeft ING deze restschuld aan [eiser] c.s. kwijtgescholden.

2.7. Op 7 maart 2012 heeft Nationale-Nederlanden een polisblad afgegeven met als verzekeringnemer [eiser], verzekerde [eiser sub 2] en begunstigden respectievelijk de verzekeringnemer, de echtgenoot, kinderen en erfgenamen van de verzekeringnemer. Uit het polisblad wordt geciteerd:

“Aan de begunstigde(n) wordt uitgekeerd:

€ 182.000,00 meteen na overlijden van de verzekerde vóór 19 augustus 2022

De premie bedraagt per maand:

van 1 maart 2012 tot 19 augustus 2022 € 78,16”

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1. [eiser] c.s. hebben bij dagvaarding gevorderd dat de rechtbank, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis,

- voor recht verklaart dat RVS tekort geschoten is in haar jegens hen in acht te nemen zorgplicht met betrekking tot de kredietovereenkomst respectievelijk de overlijdensrisicoverzekering, althans dat RVS onrechtmatig heeft gehandeld tegenover hen;

- RVS te veroordelen om binnen een maand na betekening van het vonnis een overlijdensrisicoverzekering tot stand te brengen overeenkomstig de voorwaarden zoals vigeerden in de overlijdensrisicoverzekering tussen [eiser] en RVS, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat RVS niet aan deze veroordeling voldoet, althans een zodanige voorziening ten behoeve van [eiser] c.s. te treffen waardoor het overlijdensrisico van [eiser] is gedekt;

- RVS te veroordelen in de proceskosten.

3.2. [eiser] c.s. hebben bij dagvaarding het volgende aan hun vordering ten grondslag gelegd. Hoewel ook [eiser] onderkent dat RVS verplicht was de afkoopwaarde van de verzekering aan ING te voldoen uit hoofde van het pandrecht, diende zij uit hoofde van haar zorgplicht jegens [eiser], van wie zij wist dat hij ernstig ziek was, de overlijdensrisicodekking in stand te laten dan wel op zijn minst overleg te voeren met [eiser], zodat [eiser] het risico elders onder had kunnen brengen. De zorgplicht van RVS vloeit voort uit haar hoedanigheid van financiële instelling alsmede uit haar hoedanigheid van werkgever. Zou RVS [eiser] voorafgaand aan de afkoop daarvan in kennis hebben gesteld en [eiser] hebben geadviseerd, dan had [eiser] de overlijdensrisicodekking kunnen behouden. Thans kan [eiser] door zijn ziekte zijn overlijdensrisico niet meer bij een verzekeraar onderbrengen.

3.3. RVS heeft verweer gevoerd. Zij heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat het verwijt dat zij de beëindigde verzekering niet heeft vervangen door een pure overlijdensrisicoverzekering, onterecht is. Zij had niet de ruimte om de opdracht van ING tot afkoop van de verzekering anders uit te voeren dan ING verzocht. ING had als pandhouder het recht tot afkoop van de levensverzekering over te gaan, als gevolg waarvan de verzekering op grond van artikel 7:978 lid 1 BW eindigde. Op RVS rustte de verplichting aan het verzoek tot afkoop gevolg te geven, zo heeft zij aangevoerd. Verder wist RVS – als verzekeraar – niet van de ziekte van [eiser]. De informatie die zij als werkgever daarover had was bij de betreffende verzekeringsafdeling niet bekend. Ten slotte heeft RVS gesteld dat overleg tussen haar en [eiser] de zaken niet anders zou hebben gemaakt. Ook na overleg zou [eiser], gezien de ziekte waaraan hij ook toen al leed, het overlijdensrisico niet elders hebben kunnen onderbrengen. Hoewel zij de vordering onterecht vindt, is RVS desondanks bereid, zo heeft zij aangevoerd, aan [eiser] een overlijdensrisicoverzekering aan te bieden met een verzekerd bedrag ter hoogte van het verschil tussen de oorspronkelijke uitkering bij overlijden (€ 190.000,00) en de restantschuld bij de bank (orde van grootte € 100.000,00), dus met een verzekerde som van € 90.000,00.

3.4. Vervolgens is een comparitie van partijen gehouden. Tijdens de comparitie hebben beide partijen verklaard dat zij buitengerechtelijk een minnelijke regeling hadden getroffen, die inhoudt dat RVS een overlijdensrisicodekking aan [eiser] aanbiedt conform de toenmalige - peiljaar 2002 – premiestelling van RVS, voor een verzekerde som van

€ 92.500,00, met de uitgangspunten 52-jarige man, gezondheid geen bijzonderheden, gelijke looptijd als de oorspronkelijke verzekering, personeelstarief van toepassing. Hetgeen de partijen op dat moment nog verdeeld hield, was de stelling van [eiser] dat RVS een te hoge premie berekende. RVS stelde dat de premie op basis van de overeengekomen uitgangspunten, prijspeil 2002, € 86,00 per maand bedraagt. Volgens [eiser] kan dat niet kloppen, gezien het huidige – lagere – prijspeil, de premie die RVS voor de overlijdensrisicoverzekering van [eiser sub 2] rekent en de premie van de oorspronkelijke verzekering waarin ook een beleggingscomponent verwerkt zat.

3.5. Tijdens de comparitie hebben de partijen afgesproken dat RVS op haar kantoor aan [eiser] zou tonen en toelichten hoe de premie was berekend. Die bijeenkomst heeft plaatsgevonden. De partijen zijn daarbij niet tot overeenstemming gekomen. Daarom hebben beiden nog een akte na comparitie genomen, waarbij zij hun standpunt nader hebben toegelicht.

3.6. De rechtbank overweegt als volgt. De vordering zoals bij dagvaarding is ingesteld, is achterhaald doordat de partijen buitengerechtelijk een minnelijke regeling hebben getroffen. De partijen hebben ter comparitie verklaard dat die minnelijke regeling inhoudt dat RVS met [eiser] een overlijdensrisicoverzekering afsluit, met een verzekerde som van € 92.500,00, premiestelling prijspeil 2002 van RVS, uitgangspunten: 52-jarige man, gezondheid geen bijzonderheden, looptijd gelijk aan de oorspronkelijke verzekering (dus tot 1 augustus 2027), personeelskorting van toepassing. Beide partijen hebben te kennen gegeven nakoming te wensen van die schikking.

3.7. Daarmee staat vast dat de partijen hun geschil door middel van een schikking hebben beslecht. De schikking zoals onder 3.6. is omschreven, is voldoende bepaald, ook al bestaat tussen de partijen nog verschil van mening over de hoogte van de premie. Duidelijk is immers dat het gaat om de premie die RVS in 2002 hanteerde, met personeelskorting. Dat betekent dat sprake is van een perfecte en bindende vaststellingsovereenkomst.

3.8. Reeds daarom kan de vordering zoals bij dagvaarding ingesteld niet worden toegewezen. De vaststellingsovereenkomst staat daaraan in de weg. Evenmin is er nog grond voor een beslissing over de door [eiser] c.s. bij dagvaarding gestelde tekortkomingen van RVS. De vraag of die vorderingen al dan niet terecht waren ingesteld, kan in het midden blijven.

3.9. [eiser] c.s. zijn in hun akte na comparitie tot de slotsom gekomen dat de premie € 67,55 zou moeten bedragen en hebben vervolgens geconcludeerd dat hun vorderingen voor toewijzing gereed liggen. Dat laatste is onjuist, gezien het voorgaande. Omdat echter RVS [eiser] c.s. zo heeft begrepen dat zij vorderen dat wordt vastgesteld dat de premie

€ 67,55 bedraagt, zal ook de rechtbank daarvan uitgaan. Daartoe bestaat ook de ruimte omdat aangenomen moet worden dat daarmee sprake zou zijn van toewijzing van het mindere, hetgeen in de oorspronkelijke vordering geacht kan worden te zijn begrepen.

3.10. Dan de hoogte van de premie. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat RVS een te hoge premie aan [eiser] rekent. RVS heeft toegelicht dat haar premies in 2002 ten opzichte van sommige andere verzekeraars aan de hoge kant waren aangezien zij werkt met adviseurs die bij mensen aan huis komen. Die stelling heeft [eiser] op zich niet betwist. Nu de partijen zijn overeengekomen dat de verzekering zou worden aangegaan tegen de premie die RVS destijds hanteerde, heeft [eiser] dit relatief hoge prijspeil voor lief te nemen.

3.11. Anders dan [eiser] c.s. acht de rechtbank niet zo relevant hoe de premiestelling van de oorspronkelijke levensverzekering was opgebouwd. RVS heeft gesteld – en de rechtbank acht dat aannemelijk – dat dat een ander product was dan de thans overeengekomen kale overlijdensrisicoverzekering. Bij de thans overeengekomen overlijdensrisicoverzekering is immers sprake van een gelijkblijvende dekking, terwijl bij de destijds overeengekomen verzekering sprake was van vermogensopbouw en – dus – van een dalende overlijdensrisicodekking. De schikking die de partijen hebben getroffen is op zich helder, en niet gerelateerd aan de oude levensverzekering. Waar [eiser] c.s. in hun laatste akte stellen dat de partijen hadden afgesproken dat de oorspronkelijke overlijdensrisicoverzekering zou worden hersteld, vindt die stelling geen grond in de verklaringen van de partijen ter comparitie, zodat die stelling - als overigens onvoldoende toegelicht - zal worden gepasseerd.

3.12. [eiser] heeft nog aangevoerd dat tijdens de bespreking ten kantore van RVS is gebleken dat wanneer men de gegevens invoert op basis van een vrouw met een verzekerde som van € 180.000,00, men uitkomt op een premie van circa € 98,00 per maand, terwijl [eiser sub 2] voor een dergelijke verzekering circa € 78,00 per maand betaalt. Ook dat argument overtuigt echter niet aangezien de verzekering die [eiser sub 2] heeft gesloten een looptijd heeft tot 19 augustus 2022 en niet – zoals de met [eiser] te sluiten verzekering – tot 1 augustus 2027.

3.13. De slotsom is dan ook dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat RVS, anders dan afgesproken, aan [eiser] een premie in rekening brengt die hoger is dan haar prijspeil 2002 op basis van de afgesproken uitgangspunten. Dat betekent dat er geen grond is RVS te veroordelen tot het aanbieden van een overlijdensrisicoverzekering op basis van de tussen de partijen overeengekomen uitgangspunten tegen een premie van € 67,55 per maand. Het is de rechtbank niet duidelijk of [eiser] – ook – veroordeling van RVS vordert tot het aangaan van een dergelijke verzekering tegen de door RVS aangeboden premie. Daarom rest niets anders dan de vorderingen van [eiser] c.s. af te wijzen.

3.14. In het feit dat de partijen in wezen hun geschil grotendeels door een minnelijke regeling hebben beslecht, ziet de rechtbank reden de proceskosten te compenseren.

4. De beslissing

De rechtbank

4.1. wijst de vorderingen af,

4.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E.B. ter Heide en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2012.