Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX3594

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
20-06-2012
Datum publicatie
06-08-2012
Zaaknummer
223689
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak om de vraag of de gemeente onjuiste inlichtingen heeft gegeven aan eiser, naar aanleiding van een door deze gedaan verzoek over de mogelijkheden die haar regelgeving eiser bood om een bijgebouw op zijn perceel te realiseren en of de gemeente om die reden onrechtmatig heeft gehandeld jegens eiser. Het antwoord op die vraag hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, en de aard en inhoud van de door de gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen eiser daaromtrent heeft moeten begrijpen. Eerst indien eiser in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens eiser en dat de gemeente deswege jegens eiser aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet (HR 25 mei 2012, LJN: BW0219).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 223689 / HA ZA 11-1565

Vonnis van 20 juni 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.P. Hoegee te Nijmegen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE GEMEENTE LINGEWAARD,

zetelend te Bemmel,

gedaagde,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

behandelend advocaat mr. J. de Roos te Nijmegen.

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 februari 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 22 mei 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] woont aan de [adres] in [woonplaats] in een hoekwoning waarvan twee zijden naar de weg zijn gekeerd. [eiser] heeft in 2009 het plan opgevat om in zijn tuin aan de achter-/zijkant van de woning een bijgebouw (veranda) te realiseren. In verband met dit plan is hij in juni 2009 met een (bouw)tekening langsgegaan bij het loket Bouwen en Wonen van de gemeente om informatie in te winnen voor zijn bouwplan. [eiser] is bij de gemeente te woord gestaan door mevrouw [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). Op initiatief van [betrokkene 1] heeft ook een collega van [betrokkene 1], de heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]), zich aan het loket vervoegd en zijn visie op de vraagstelling van [eiser] gegeven.

2.2. Na het bezoek aan de gemeente heeft [eiser] zijn bouwplan, dat oorspronkelijk voorzag in een bijgebouw van meer dan 30 m², verkleind en heeft hij een aannemer opdracht gegeven het bijgebouw te realiseren. In maart/april 2010 is met de bouw begonnen.

2.3. Op 9 april 2010 is de heer [betrokkene 3] van de afdeling Bouwen, Wonen en Milieu van de gemeente bij [eiser] langs geweest. Op 12 april 2010 is de bouw stilgelegd aangezien zonder vergunning en in strijd met het bestemmingsplan werd gebouwd. De veranda werd (geheel of gedeeltelijk) gebouwd op het perceelsgedeelte dat schuin achter de woning ligt en waar het zijerf en het achtererf elkaar overlappen.

2.4. Op 15 oktober 2010 heeft [eiser] van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente een last onder dwangsom opgelegd gekregen, gericht op het verwijderen van het (onvoltooide) bijgebouw. Tegen dit besluit heeft [eiser] bezwaar gemaakt. Inmiddels is het bijgebouw gesloopt. De betonvloer is nog aanwezig.

2.5. Bij de stukken bevindt zich een prijsopgave van 15 oktober 2010 van Van Dalen B.V. voor het slopen van de betonvloer met vorstrand voor € 3.300,- exclusief btw.

2.6. Bij de stukken bevindt zich een opgave van bouwkosten, stagnatiekosten en sloopkosten van 18 oktober 2010 van Bouwbedrijf Meuwsen B.V. voor een totaalbedrag van € 19.151,56 inclusief btw. Voor ditzelfde bedrag is door Meuwsen blijkens de stukken een factuur opgesteld van 9 september 2011. Van deze factuur heeft [eiser] vooralsnog € 5.000,- betaald.

2.7. Bij de stukken bevindt zich de folder ‘Bijgebouwen en overkappingen’ van VROM. In deze folder staat onder meer vermeld:

‘(…)

De voor- en achterkant-benadering

Belangrijk is waar u het bijgebouw of de overkapping wilt bouwen. In de regel geldt dat alles wat grenst aan de openbare ruimte (weg of groen) zoals de voorkant en bij hoekwoningen de zijkant van de woning, een grotere invloed heeft op de directe omgeving dan bouwwerken die aan de achterkant worden gebouwd. Daarom mag een bijgebouw of overkapping aan de voor- of zijkant van de woning meestal niet bouwvergunningsvrij worden gebouwd.

Geen bouwvergunning nodig

Als uw bijgebouw of overkapping aan de volgende voorwaarden voldoet mag u het zonder bouwvergunning bouwen.

(…)

5b. als u het bijgebouw of de overkapping bouwt op een zijerf dat niet naar de weg of het openbaar groen gekeerd is, dan moet de afstand tussen het bijgebouw of de overkapping en het woonerf ten minste 1 meter zijn.

6. (…)’

2.8. Op 7 juni 2011 heeft bij deze rechtbank een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden waarbij op verzoek van [eiser] [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn gehoord.

2.9. [betrokkene 1] heeft onder meer het volgende verklaard:

‘(…)

Wat ik me nog kan herinneren over dat gesprek is dat ik eerst heb gekeken of er vergunningvrij kon worden gebouwd. Ik zag toen al vrij snel dat aan de voor- en zijkant van de woning een strook was waar niet gebouwd mocht worden. Aan de achterzijde van de woning zag ik dat er een heel klein gebied was waarop wel gebouwd zou mogen worden. Of dat uiteindelijk ook wel kan hangt er af van wat er op dat gebied al staat. Omdat ik twijfelde heb ik mijn collega, de heer [betrokkene 2], erbij gehaald. Ik twijfelde omdat het zo een klein gebiedje was.

Toen de heer [betrokkene 2] erbij kwam staan bleek dat het gebied dat bebouwd kon worden toch groter was dan ik had gedacht. Dit kwam doordat de strook waarvan ik dacht dat het voorerf was, als zijerf moest worden gezien volgens de heer [betrokkene 2]. Op een zijerf mag je onder bepaalde voorwaarden wel bouwen. Als het zijerf naar de weg gekeerd is, heb je echter alsnog een probleem.

Ik weet niet meer wat ik precies gezegd heb tegen de heer [eiser] naar aanleiding van het overleg dat ik met de heer [betrokkene 2] heb gepleegd.

Normaal gesproken wordt door ons een standaardformulier informatieverstrekking bestemmingsplan ingevuld, naar aanleiding van informatie die door burgers bij ons loket is gevraagd. Op zo een formulier kunnen wij dan aangeven om welk bestemmingsplan het gaat, of er overleg is geweest met de juridische afdeling etc. Onderaan dat formulier is een regel vermeld die er op neerkomt dat burgers geen rechten kunnen ontlenen aan deze verstrekte informatie.

(…) Ik weet niet meer waarom we die maandagavond dat [eiser] er was, geen gebruik hebben gemaakt van dat standaardformulier. Misschien was het te druk.

Ik ben niet verplicht om gebruik te maken van dat formulier.

(…)

Op vragen van mr. Hoegee:

Ik ben naar het bestemmingsplan gaan kijken en dat doe ik meestal pas als tweede stap nadat ik heb geconstateerd dat er niet vergunningvrij gebouwd kan worden. Dat zal ik dus in dit geval geconcludeerd hebben en dat had te maken met het feit dat er twee voorgevelrooilijnen waren, nu het een hoekwoning betreft. De slotsom van het overleg met [betrokkene 2] was dus dat bouwvergunningvrij bouwen niet mogelijk was omdat het een zijerf was dat naar de weg was gekeerd.

Ik herinner me niet dat de heer [eiser] een tekening bij zich had. Nu u deze tekening aan mij toont, moet ik zeggen dat ik deze niet herken. Ik heb geen idee meer.

Ik kan me niet herinneren dat er over de oppervlakte van het bijgebouw is gesproken. In de folder, die wij meestal meegeven, is aangegeven dat een bijgebouw maximaal 30 m² mag zijn. Volgens mij heb ik die folder ook meegegeven aan [eiser], maar dat weet ik ook niet zeker meer. Het is tenslotte twee jaar geleden. (…)

[eiser] was in ieder geval wel aanwezig bij het collegiaal overleg dat ik had met [betrokkene 2].

Ik heb ook geen idee meer van de strekking van de boodschap die ik aan [eiser] heb gegeven. Ik heb in de stukken gelezen hoe [eiser] mijn informatie heeft begrepen en ik kan zijn interpretatie van het gesprek ook niet uitsluiten.

U vraagt mij waarom de positie van de voordeur mogelijk relevant was. Dit had te maken met de omstandigheid dat een hoekwoning twee voorgevelrooilijnen heeft waardoor er in principe twee voorerven zijn. Daar ben ik in eerste instantie vanuit gegaan. Toen de heer [betrokkene 2] erbij kwam bleek echter dat een deel van dat ene voorerf eventueel ook als zijerf bestempeld kon worden.

U vraagt mij of de conclusie achteraf niet was dat het als achtererf moest worden aangemerkt. Ik weet dat niet meer, maar ik kan het ook niet uitsluiten. Ik kan het me echter niet voorstellen, omdat ik weet dat het fout is.

Op vragen van mr. De Roos:

Het klopt dat de folder die ik er toen heb bij gepakt heet “Bijgebouwen en overkappingen’. In die folder staat een stappenplan en die pak ik er dus altijd bij aan het begin van zo een gesprek.

Het klopt dat die 30 m² in zijn algemeenheid geldt voor bijgebouwen maar vervolgens moet je altijd nog gaan kijken wat voor erf het is. Dat is ook een onderdeel van het stappenplan. Daar staat beschreven dat het uitmaakt of er gebouwd wordt achter, voor of naast de woning. Op een voorerf mag sowieso niet gebouwd worden en op een zijerf ook niet als het naar de weg is gekeerd.

Zoals gezegd heb ik waarschijnlijk gecommuniceerd dat het een zijerf was.

Als ik gesproken heb over een achtererf, kan ik alleen hebben gesproken over dat deel dat achter de achtergevel ligt. Ik kan daarmee nooit gesproken hebben over het hele stuk waarmee ik bedoel het stuk grond vanaf de voorgevel.

Het klopt dat er wel eens discussie is over de vraag of een deel van het achtererf ook als zijerf kan worden bestempeld. Maar zoals gezegd kan ik me niet voorstellen dat ik in dit geval heb aangegeven dat het te bebouwen stuk een achtererf betrof. Ter verduidelijking: we praten dan over de strook grond die is gelegen in het verlengde van het zijerf voor zover gesitueerd achter de achtergevelrooilijn.

2.10. [betrokkene 2] heeft onder meer het volgende verklaard:

‘(…)

Ik kan mij niet meer herinneren dat [eiser] bij ons loket is geweest, maar ik heb getracht naar aanleiding van deze zaak om alles terug te halen. Wat er toen bij mij boven kwam was dat er twijfel bestond over de vraag of op die plek waar [eiser] wilde bouwen gebouwd mocht worden. Mevrouw [betrokkene 1] twijfelde daarover en vroeg aan mij of ik even mee wilde kijken.

De conclusie was niet één twee drie duidelijk. Het was namelijk niet duidelijk of we dat stuk moesten bestempelen als voor-, zij- of achtererf. De slotsom was volgens mij dat het vooral richting zijerf of achtererf ging. Ik kan me dat niet meer precies herinneren maar heb dat gereconstrueerd aan de hand van de tekening van het perceel. Ik weet niet meer waar we uiteindelijk op uit zijn gekomen. De heer [eiser] was bij het gesprek dat ik had met mevrouw [betrokkene 1] aanwezig. (…)

Op vragen van mr. Hoegee:

(…)

Ik heb de twijfel die mevrouw [betrokkene 1] had niet helemaal kunnen wegnemen. Dat kwam omdat het geen normale hoeksituatie was. De woning ligt namelijk wat verder uit de hoek.

Ik kan me nog herinneren dat ik met mevrouw [betrokkene 1] heb gesproken over de plek waar de voordeur is gesitueerd en wat dat voor gevolgen had. Dan blijft echter nog steeds de vraag of dit stuk als zij- of achtererf moest worden bestempeld. (…)

De bouwtekening die u mij nu toont kan ik mij niet meer herinneren.(…)’

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert, na wijziging van eis ter comparitie, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeling van de gemeente tot betaling van de (door een onrechtmatige daad van de gemeente veroorzaakte) schade, nader op te maken bij staat.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de gemeente toerekenbaar onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door onjuiste informatie te geven, althans ten onrechte bij [eiser] het vertrouwen te wekken dat het betreffende bijgebouw op de betreffende plaats vergunningvrij zou zijn. Mede op grond van de getuigenverklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kan worden vastgesteld dat [eiser] informatie bij de gemeente heeft ingewonnen omtrent de bouwmogelijkheden. Ook kan worden vastgesteld dat het daarbij ging om de vraag of het bijgebouw dat [eiser] wilde realiseren al dan niet vergunningplichtig was. Vast staat verder dat [eiser] het aanvankelijke bouwplan na het bezoek aan de gemeente heeft verkleind tot 30 m² en dat hij daarna met de bouw is gestart. Op basis van deze feiten kan, aldus [eiser], reeds worden geconcludeerd dat de lezing van [eiser] omtrent hetgeen aan hem is verteld door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] juist moet zijn, ook al kunnen zij zich blijkens hun getuigenverklaringen thans niet meer herinneren wat zij tegen [eiser] hebben gezegd. Gelet op de kosten zou [eiser] nooit zijn begonnen met de bouw indien hij er na het gesprek bij de gemeente niet van overtuigd was geweest dat hij geen bouwvergunning nodig had. De gemeente heeft maatschappelijk onzorgvuldig gehandeld jegens [eiser] doordat zij bij haar antwoord geen voorbehoud heeft gemaakt terwijl bij mogelijke onzekerheid omtrent de interpretatie van de aan haar antwoord ten grondslag liggende regelgeving zij hiervan op duidelijke wijze aan [eiser] melding had moeten maken en had moeten aangeven welke weg vervolgens bewandeld had moeten worden om een definitief antwoord op zijn vraag te krijgen. Het is onzorgvuldig van de medewerkers van de gemeente geweest dat zij – in afwijking van het ambtelijke protocol – niets op papier hebben gezet en ook geen registratie van het advies aan [eiser] heeft plaatsgevonden in het gemeentelijke digitale systeem. Als gevolg van de onjuiste informatieverstrekking door de gemeente heeft [eiser] veel schade geleden doordat de gemeente hem heeft verplicht om het bijgebouw met betonvloer weer te slopen. De exacte hoogte van de schade is nog niet bekend aangezien [eiser] nog met de aannemer in gesprek is over de door de aannemer gestuurde factuur. Vooralsnog moet ervan worden uitgegaan dat alle bouw-, stagnatie- en sloopkosten tezamen en de kosten van het herinrichten/herstellen van de tuin een bedrag van € 28.687,04 inclusief btw zullen belopen.

3.3. [eiser] heeft ter comparitie verklaard dat hij bij de gemeente is langsgegaan om te vragen of hij, vooruitlopend op de Wabo (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), al een wat grotere vergunningvrije veranda mocht bouwen. [betrokkene 1] heeft daar direct afwijzend op geantwoord en vervolgens gevraagd waar hij wilde gaan bouwen. Zij heeft het bestemmingsplan erbij gepakt en collega [betrokkene 2] erbij gehaald omdat zij er niet zeker van was of de plaats waar [eiser] wilde gaan bouwen als een zij- of achtererf moest worden gezien. In zijn aanwezigheid hebben [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hierover overleg gepleegd en zijn zij tot de conclusie gekomen dat het te bebouwen perceelsgedeelte als achtererf moest worden aangemerkt. Die conclusie hadden zij getrokken omdat de voordeur aan de Karstraat zit. De boodschap was heel duidelijk. Als hij de veranda zou terugbrengen naar 30 m² of kleiner mocht vergunningvrij worden gebouwd. Als hij wilde vasthouden aan de oorspronkelijke grootte moest een bouwvergunning worden aangevraagd. [eiser] betwist dat [betrokkene 1] hem de folder ‘Bijgebouwen en overkappingen’ heeft laten zien en heeft meegegeven. Hij stelt pas kennis te hebben genomen van die folder toen hij naar aanleiding van het bezoek van [betrokkene 3] is gaan navragen bij een architect hoe het nu precies zat. Toen heeft hij op de website van VROM gekeken waar hij de betreffende folder heeft geopend, aldus nog steeds [eiser].

3.4. De gemeente voert verweer. Zij betwist dat sprake is van een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW. Zij acht het zeer onaannemelijk dat vanuit de gemeente zou zijn medegedeeld, dan wel anderszins het gerechtvaardigd vertrouwen zou zijn gewekt dat het betreffende perceelsgedeelte vergunningvrij mag worden bebouwd. Uit de getuigenverklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] volgt dat het juist zeer waarschijnlijk is dat de gemeente aan [eiser] te kennen heeft gegeven dat het betreffende perceelsgedeelte een zijerf betreft dat naar de weg is gekeerd en derhalve niet vergunningvrij mag worden bebouwd. Uit de verklaring van [betrokkene 1] dat zij de interpretatie van [eiser] niet kan uitsluiten kan slechts worden afgeleid dat zij hiermee bedoelde dat [eiser] haar informatie mogelijk niet goed heeft begrepen. Zij kan zich niet voorstellen dat zij zou hebben gezegd dat het een achtererf betrof omdat ze weet dat dat fout is, aldus de verklaring van [betrokkene 1]. De gemeente betwist dat zij heeft gehandeld in strijd met ‘het protocol’ door geen schriftelijke informatie te verschaffen nu een dergelijk protocol niet bestaat.

Zelfs indien de gemeente wel de indruk zou hebben gewekt dat het betreffende perceelsgedeelte onder bepaalde voorwaarden vergunningvrij mocht worden bebouwd, geldt dat zij in verband met artikel 6:101 BW niet gehouden is de (gehele) schade van [eiser] te vergoeden. [eiser] had zijn definitieve, gewijzigde, bouwplan door de gemeente moeten laten toetsen alvorens met de bouw te beginnen, temeer nu er tien maanden zijn verstreken tussen het overleg met de gemeente en de aanvang van de bouw. Uit de omstandigheid dat in het digitale systeem van de gemeente niets is teruggevonden over de vraag van [eiser] en de omstandigheid dat [betrokkene 1] geen standaardformulier heeft meegegeven, kan worden afgeleid dat [eiser] slechts heeft geïnformeerd naar de algemene bebouwingsmogelijkheden en geen concreet bouwplan heeft laten toetsen. Indien [betrokkene 1] en [betrokkene 2] al een onjuiste conclusie hebben getrokken ten aanzien van de status van het betrokken perceelsgedeelte, hebben zij daarbij blijkens hun verklaringen twijfel laten doorklinken. Dit had temeer aanleiding moeten zijn voor [eiser] om verder onderzoek te doen, hetgeen hij en zijn aannemer hebben nagelaten. Tenslotte stelt de gemeente dat de folder ‘Bijgebouwen en overkappingen’ in het bezit was van [eiser] en dat uit die folder kan worden afgeleid dat het hier een zijerf betrof dat naar de weg was gekeerd waarop dus niet vergunningvrij mocht worden gebouwd.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank overweegt als volgt. Het gaat in deze zaak om de vraag of de gemeente onjuiste inlichtingen heeft gegeven aan [eiser], naar aanleiding van een door deze gedaan verzoek over de mogelijkheden die haar regelgeving [eiser] bood om een bijgebouw op zijn perceel te realiseren en of de gemeente om die reden onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. Het antwoord op die vraag hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, en de aard en inhoud van de door de gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen [eiser] daaromtrent heeft moeten begrijpen. Eerst indien [eiser] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens [eiser] en dat de gemeente deswege jegens [eiser] aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet (HR 25 mei 2012, LJN: BW0219).

4.2. Allereerst dient beoordeeld te worden of de gemeente aan [eiser] onjuiste inlichtingen heeft gegeven, zoals [eiser] stelt. Indien dit niet komt vast te staan, wordt aan de vervolgvraag, de vraag of hij er onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs op heeft mogen vertrouwen dat hem juiste inlichtingen waren gegeven, niet toegekomen.

4.3. Uit de door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] tijdens het voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen kan niet worden afgeleid dat zij onjuiste inlichtingen hebben gegeven over de mogelijkheden om op het perceelsgedeelte waarop de veranda is gebouwd, te bouwen. Op basis van deze verklaringen lijkt het eerder aannemelijk dat de slotsom van het overleg is geweest dat het een zijerf betrof dan wel discussie hierover mogelijk bleef aangezien het zowel een zij- als achtererf betrof. Uit de door [eiser] overgelegde (bouw)tekening en de vaststaande feiten kan het bovenstaande evenmin worden afgeleid. De rechtbank wijst erop dat de overgelegde (bouw)tekening een ruwe tekening betreft waarop de omtrek van de aanvankelijk beoogde veranda te zien is maar waarop niet te zien is waar de beoogde veranda gesitueerd zou zijn ten opzichte van de woning en de weg, nog daargelaten dat de exacte positie van de verkleinde veranda hier niet uit valt af te leiden. Het bewijs dat [eiser] de betreffende (bouw)tekening aan [betrokkene 1] heeft getoond is derhalve niet voldoende als bewijs voor de stelling van [eiser] dat de uitspraak van [betrokkene 1] betrekking moet hebben gehad op het perceelsgedeelte waar de (verkleinde) veranda is gebouwd (‘op die plaats’). Anders dan [eiser] in de dagvaarding heeft betoogd kan uit de omstandigheid dat [eiser] na zijn bezoek aan de gemeente is gaan bouwen en aanzienlijk investeringen heeft gedaan niet worden afgeleid dat [betrokkene 1] de door hem gestelde inlichtingen wel moet hebben gegeven. Hieruit kan weliswaar worden afgeleid dat [eiser] de woorden van [betrokkene 1] hoogstwaarschijnlijk op bovengenoemde wijze heeft geïnterpreteerd maar vormt nog geen bewijs voor zijn stelling dat hij haar woorden op die manier heeft mogen interpreteren, nog daargelaten de vraag of hij er ook gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat zijn interpretatie juist was. [eiser] zelf heeft nog geen verklaring onder ede afgelegd maar zal in de gelegenheid worden gesteld om overeenkomstig zijn bewijsaanbod als (partij)getuige een verklaring af te leggen dan wel anderszins bewijs bij te brengen ter zake van zijn stellingen:

a. dat hij duidelijk aan [betrokkene 1] heeft aangegeven dat hij de veranda wilde bouwen op het perceelsgedeelte waar de veranda feitelijk is gebouwd (schuin achter de woning);

b. dat [betrokkene 1] in haar antwoord duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat zij sprak over datzelfde perceelsgedeelte toen zij de door [eiser] gestelde conclusie aan hem mededeelde;

c. dat [betrokkene 1] aan [eiser] heeft medegedeeld dat het betrokken perceelsgedeelte een achtererf betrof en dat daarop tot 30 m² vergunningvrij kon worden gebouwd.

Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [eiser] immers de bewijslast van deze stellingen aangezien hij zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept en de gemeente deze gemotiveerd heeft betwist.

4.4. [eiser] heeft voorts nog gesteld dat de gemeente maatschappelijk onzorgvuldig heeft gehandeld doordat haar medewerkers niets op papier hebben gezet van het advies aan [eiser] en er ook geen registratie heeft plaatsgevonden in het gemeentelijke digitale systeem. De stelling dat dit op grond van een ambtelijk protocol had moeten geschieden is door de gemeente echter betwist en door [eiser] niet (nader) onderbouwd. Daarbij komt dat de schade die [eiser] heeft geleden niet het gevolg is van het uitblijven van een dergelijke schriftelijke vastlegging of registratie. Voor zover [eiser] heeft bedoeld dit als afzonderlijke onrechtmatige daad ten grondslag te leggen aan zijn vordering, kan dit beroep niet slagen. Indien [eiser] derhalve niet zal slagen in het onder 4.3 opgedragen bewijs zal de vordering tegen de gemeente direct worden afgewezen. Dan is immers niet bewezen dat de gemeente onjuiste inlichtingen aan [eiser] heeft gegeven.

4.5. Indien [eiser] wel zal slagen in het hem opgedragen bewijs, betekent dit niet zonder meer dat de gemeente daarmee onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en de vordering moet worden toegewezen. Ingevolge de eerdergenoemde maatstaf is het antwoord op die vraag immers afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Vervolgens zal dan ook nog beoordeeld moeten worden of [eiser] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen werden gegeven op basis waarvan hij (omstreeks 10 maanden later) tot het bouwen van de (verkleinde) veranda op het betreffende perceelsgedeelte mocht overgaan.

4.6. De gemeente heeft in dit verband gesteld dat [eiser] zelf had kunnen en moeten concluderen dat hij niet vergunningvrij mocht bouwen op het betreffende perceelsgedeelte doordat [betrokkene 1] met hem de folder ‘Bijgebouwen en overkappingen’ heeft doorgenomen waaruit dit duidelijk blijkt en deze folder ook aan hem is meegegeven. Deze omstandigheid kan er niet toe leiden dat [eiser] niet van de juistheid van de inlichtingen van [betrokkene 1] heeft mogen uitgaan en nader onderzoek had moeten (laten) verrichten nu [betrokkene 1] uit hoofde van haar functie immers geacht moet worden deskundiger te zijn op dit gebied dan [eiser]. Dit zou anders kunnen liggen indien [betrokkene 1] haar foutieve antwoord gepaard heeft laten gaan van een voorbehoud dan wel van twijfel en onzekerheid in verband met de verschillende interpretaties die mogelijk zijn van de toepasselijke regelgeving dan wel anderszins een relevant voorbehoud heeft gemaakt. Nu [eiser] de bewijslast heeft van zijn stelling dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld en hij er redelijkerwijs op heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen zijn gegeven, zal hij naast hetgeen hiervoor aan bewijs is opgedragen, tevens worden toegelaten te bewijzen dat [betrokkene 1] haar onder 4.2 sub c genoemde conclusie dat het een achtererf betrof waarop vergunningvrij gebouwd mocht worden, heeft getrokken zonder daarbij een voorbehoud te maken of twijfel te uiten.

Indien [eiser] er niet in slaagt dit te bewijzen kan dit alsnog aan toewijzing van de vordering in de weg staan. De beoordeling hiervan, waarbij alle relevante omstandigheden in aanmerking dienen te worden genomen, zal eerst na bewijslevering plaatsvinden.

4.7. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de rechtbank op een zitting bepaald voor de getuigenverhoren een mondeling tussenvonnis kan wijzen waarbij een verschijning van partijen op diezelfde zitting wordt bevolen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. [eiser] moet daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. De gemeente moet ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.

4.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

5.1. draagt [eiser] op te bewijzen:

a. dat hij duidelijk aan [betrokkene 1] heeft aangegeven dat hij de veranda wilde bouwen op het perceelsgedeelte waar de veranda feitelijk is gebouwd (schuin achter de woning);

b. dat [betrokkene 1] in haar antwoord duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat zij sprak over datzelfde perceelsgedeelte toen zij de door [eiser] gestelde conclusie aan hem mededeelde;

c. dat [betrokkene 1] aan [eiser] heeft medegedeeld dat het betrokken perceelsgedeelte een achtererf betrof, dat daarop tot 30 m² vergunningvrij kon worden gebouwd en dat zij daarbij geen voorbehoud heeft gemaakt of twijfel heeft geuit.

5.2. bepaalt dat, voor zover [eiser] dit bewijs door middel van getuigen wil leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. M.S.T. Belt in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 juli 2012 voor het opgeven door [eiser] van de getuigen en van hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de dinsdagen, woensdagen en donderdagen in de maanden augustus tot en met oktober 2012, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.4. verwijst voor het geval [eiser] op die roldatum heeft medegedeeld geen getuigenbewijs te willen leveren of geen getuigen of verhinderdata heeft opgegeven de zaak naar de achtste rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor vonnis of, maar alleen indien [eiser] daarom op de onder 5.3 bedoelde roldatum heeft verzocht, naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van [eiser], waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kan leveren,

5.5. bepaalt voorts dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn en, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

5.6. bepaalt dat de partijen alle schriftelijke (bewijs)stukken die zij nog in het geding willen brengen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toegezonden moeten hebben,

6.6. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2012.