Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX3474

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
03-08-2012
Datum publicatie
03-08-2012
Zaaknummer
05/700426-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging zware mishandeling - verwerping beroep op noodweer/noodweer-exces

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Promis II

Parketnummer : 05/700426-12

Data zittingen : 30 juni 2012 en 20 juli 2012

Datum uitspraak : 3 augustus 2012

TEGENSPRAAK

Vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen

naam : [naam verdachte],

geboren op : [geboortedatum verdachte] 1965 te District Suriname,

adres : [adres verdachte],

plaats : [woonplaats verdachte].

raadsvrouw : mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 maart 2012 te Ede, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk die [naam slachtoffer] met een mes, althans een scherp voorwerp, eenmaal of meermalen in diens (rechter-)arm en/of borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 12 maart 2012 te Ede, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [naam slachtoffer] eenmaal of meermalen tegen diens gezicht en/of hoofd heeft gestompt en/of geslagen en/of, terwijl verdachte boven op die [naam slachtoffer] zat, deze [naam slachtoffer] met een mes, althans een scherp voorwerp, eenmaal of meermalen in diens (rechter-)arm en/of borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is laatstelijk op 20 juli 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.G.M. Frerix, advocaat te Ede.

De officier van justitie, mr. C.Y. Huang, heeft gerekwireerd.

Verdachte en diens raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

2a. Bruikbaarheid verklaring [naam getuige]

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verklaring van [naam getuige], dochter van verdachte, niet mag worden gebruikt voor het bewijs aangezien zij door de politie niet is gewezen op haar verschoningsrecht ten aanzien van haar vader.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de verklaring van [naam getuige] bruikbaar. Zij heeft voorafgaand aan haar verhoor een advocaat gesproken en zij wilde zelf graag haar verhaal vertellen.

De beoordeling van de rechtbank

Uit het wettelijk systeem noch uit de jurisprudentie volgt dat de politie [naam getuige] ten tijde van haar verhoor op het verschoningsrecht had dienen te wijzen. Het verweer berust op de opvatting, dat verklaringen van bloed- en aanverwanten van de verdachte, neergelegd in processen-verbaal van opsporingsambtenaren, slechts tot bewijs van hem ten laste gelegde feiten mogen meewerken indien die bloed- of aanverwanten die verklaringen als getuige hebben bevestigd nadat zij op het hun krachtens art. 217 Sv toekomende verschoningsrecht waren gewezen. Deze opvatting vindt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geen steun in het recht. Om die reden verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw dat de verklaring van [naam getuige] moet worden uitgesloten van het bewijs.

3. De beslissing inzake het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 12 maart 2012 heeft verdachte, samen met zijn dochter [naam getuige], aangever [naam slachtoffer] [naam slachtoffer] opgezocht in een woning in Ede. In de woning ontstond een vechtpartij tussen verdachte en aangever waarbij verdachte aangever heeft geslagen met de vuist in zijn gezicht. Verdachte heeft aangever vervolgens naar de grond geduwd en hem een paar klappen met de vuist op zijn gezicht gegeven.2 Ook heeft verdachte tweemaal in de richting van aangever gestoken met een mes waarbij hij in ieder geval de rechterbovenarm van aangever heeft geraakt.3 Aangever heeft hierdoor onder meer hematomen opgelopen op het ooglid en de kaak en had een wond op zijn ooglid en zijn rechterarm.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met zijn handelen schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde. Van een noodweersituatie was geen sprake.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw voert aan dat verdachte pas boos werd toen hij zag dat zijn dochter werd geslagen door aangever. Hij wilde haar verdedigen en heeft aangever daarom geslagen en naar de grond gewerkt. Tijdens dit gevecht zag verdachte dat aangever een mes trok. Dit mes heeft hij weten af te pakken waarna hij met dit mes richting aangever heeft gestoken ter verdediging van zichzelf. Verdachte heeft volgens zijn eigen verklaring bewust niet op vitale delen gericht maar op de arm en het been van aangever. Er is bij verdachte geen sprake geweest van opzet op de dood van aangever, ook niet in voorwaardelijke zin.

Voor zover het subsidiaire feit wel bewezen kan worden, komt verdachte een beroep toe op noodweer of noodweerexces en dient hij te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De beoordeling door de rechtbank

Over het verloop van de vechtpartij is vastgesteld dat verdachte aangever meermalen tegen het gezicht heeft gestompt terwijl verdachte op aangever zat en dat hij tweemaal in de richting van aangever heeft gestoken met een mes.

Verdachte heeft verklaard dat hij éénmaal in de rechterbovenarm en éénmaal in het rechterbeen van aangever heeft gestoken en dat hij bewust vitale delen heeft vermeden.5 Die verklaring vindt deels ondersteuning in het feit dat aangever een wond had in de rechterarm6 die naar zijn eigen zeggen ook gehecht moest worden, hetgeen past bij een snijwond.7 Aangever stelt ook een wondje op de borst te hebben gehad maar verklaart niet over de aard van die wond. In de geneeskundige verklaring wordt niets gerelateerd over een wondje op de borst dan wel aan het rechter been. Over het steken zelf verklaart aangever niet nu hij hiervan niets heeft gemerkt. De enige andere getuige van de vechtpartij is [naam getuige]. Zij verklaart wel over het feit dat haar vader een mes pakte terwijl hij op aangever zat maar rept met geen woord over het steken zelf.8

Op grond van de verklaring van verdachte, de medische verklaring, de verklaringen van aangever en van de getuige [naam getuige] acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangever éénmaal in zijn rechter arm heeft gestoken. Niet kan worden bewezen dat verdachte aangever in de borst heeft gestoken, of dit heeft gepoogd. De vraag die beantwoord dient te worden is of verdachte daarmee het opzet had op de dood van aangever.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt hierover dat over de intentie, de kracht en de richting waarmee verdachte heeft gestoken onvoldoende bekend is om hieruit een aanmerkelijke kans op het toebrengen van dodelijk letsel en dus (voorwaardelijk) opzet op de dood van aangever te kunnen afleiden. Verdachte dient daarom van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft aangever tijdens een vechtpartij bewust in zijn arm gestoken. Verdachte en aangever zullen tijdens de vechtpartij beiden hebben bewogen. Hierdoor kon verdachte niet zeker zijn van de geringe ernst van het door hem toegebrachte letsel. Naar algemene ervaringsregels kunnen door een snij- of steekwond in een arm pezen en/of zenuwen worden doorgesneden waardoor blijvend letsel kan ontstaan, bijvoorbeeld (gedeeltelijk) functieverlies van de arm en/of hand. Nu verdachte tijdens een gevecht opzettelijk in de arm van aangever heeft gestoken, heeft hij bewust de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aanvaard.

Voorts heeft verdachte aangever meermalen met de vuist in het gezicht geslagen. Dat dit ook met veel kracht gepaard ging, volgt uit de verklaring van [naam getuige] dat verdachte een vuistslag gaf tegen het oog van aangever en dat aangever hierdoor tegen de grond ging.9 Daarop heeft verdachte aangever meermalen met de vuist op het gezicht geslagen terwijl aangever op de grond lag. De rechtbank concludeert dat ook door meermalen krachtig slaan met de vuist, terwijl een slachtoffer op de grond ligt, een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat:

hij op 12 maart 2012 te Ede, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [naam slachtoffer]

meermalen tegen diens gezicht heeft gestompt en, terwijl verdachte boven op die [naam slachtoffer] zat, deze [naam slachtoffer] met een mes, meermalen heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling

Noodweerverweer

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte een beroep op noodweer toekomt. Wil een beroep op noodweer slagen, dan dient onder meer sprake te zijn van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van - in dit geval - [naam getuige] en/of van verdachte.

Wederrechtelijke aanranding [naam getuige]

Verdachte heeft gesteld dat hij zag dat [naam getuige] door aangever werd geslagen. [naam getuige] verklaart over de aanleiding naar de vechtpartij echter als volgt:

"Ik zag dat op dat moment mijn vader de woonkamer in kwam lopen. (...) Ik zei meteen tegen mijn vader dat hij naar buiten moest gaan. (...) Ik zag dat mijn vader niet naar mij luisterde maar gewoon daar bleef. Voordat ik het wist zag ik dat mijn vader [naam slachtoffer] een klap tegen een van zijn ogen gaf."10

Aangever heeft over dit moment verklaard:

"[naam getuige] kwam toen naar binnen en kwam naar mij toe. Zij begon tegen mij te tuffen. Zij duwde tegen mij. Ik duwde tegen haar terug. Haar vader kwam toen gelijk achter haar aan gelopen. Ik zag wel en voelde dat ik door mijn schoonvader werd geslagen met de vuist op mijn gezicht. (...)"11

Het is slechts verdachte die heeft verklaard dat zijn dochter werd geslagen. Deze bewering vindt geen steun in enig ander bewijsmiddel. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat [naam getuige] is geslagen door aangever. Zij stelt vast dat verdachte hooguit heeft gezien dat zijn dochter een duw kreeg van aangever nadat zij zelf aangever een duw had gegeven. Dit is onvoldoende om aan te nemen dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van [naam getuige]. Dat verdachte is overgegaan tot het slaan van aangever, kan daarom niet worden gerechtvaardigd.

Wederrechtelijke aanranding verdachte

Verdachte heeft aangevoerd dat aangever tijdens het gevecht een mes trok en dat verdachte zich hiertegen moest verdedigen. Dat [naam getuige] zegt dat zij zag dat haar vader een mes pakte, is volgens verdachte gelogen. Zij verklaart dit waarschijnlijk omdat zij aangever - haar partner en de vader van haar kind - wilde ontzien en zij wist dat haar vader gezien zijn verleden de klappen van de zweep kent, aldus verdachte ter zitting van 20 juli 2012.

De rechtbank overweegt dat [naam getuige] over het moment dat het mes in beeld komt, als volgt heeft verklaard:

"Ik zag dat mijn vader boven op [naam slachtoffer] ging zitten. Ik probeerde mijn vader weg te trekken van [naam slachtoffer] af. Dit lukte niet. Ik ben toen naast [naam slachtoffer] op de grond gaan zitten en probeerde met mijn handen het gezicht van [naam slachtoffer] te beschermen om te voorkomen dat mijn vader hem op zijn gezicht kon slaan. Ik probeerde ondertussen ook mijn vader van [naam slachtoffer] af te schoppen. Dat lukte ook niet. (...) Net daarna zag ik dat mijn vader een mes trok. Dat kwam uit de binnenkant van zijn broek. Ik zag dat mijn vader in zijn rechterhand het mes vast hield en het mes op zijn borsthoogte vast hield dreigend naar [naam slachtoffer]. (...). Ik zag kans om het lemmet vast te pakken. Het voelde niet scherp. Mijn vader trok het niet weg. Ik riep: "Pa niet doen, pa niet doen." Ik weet niet hoe het gebeurde maar het handvat brak van het lemmet af. (...)"12

Deze verklaring van [naam getuige] is gedetailleerd en concreet. Dat geldt overigens ook voor haar verdere verklaring over het verloop van de avond. Die verklaring komt overigens bovendien grotendeels overeen met die van verdachte. [naam getuige] heeft haar verklaring op de dag na het voorval afgelegd. De enkele opmerking van verdachte ter zitting, pas vier maanden na het incident, dat zijn dochter met haar verklaring over het mes aangever wilde ontzien, acht de rechtbank onvoldoende om aan die geloofwaardigheid afbreuk te doen.

De rechtbank acht haar verklaring - ook als het gaat over de vraag wie het mes bij zich had - geloofwaardig.

Gezien het voorgaande gaat de rechtbank er vanuit dat het verdachte is geweest die tijdens de vechtpartij een mes heeft getrokken. Nu verdachte zonder rechtvaardiging is overgegaan tot het slaan van aangever en het ook verdachte is geweest die tijdens de vechtpartij een mes heeft getrokken, is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte niet gebleken.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet sprake is van een noodweersituatie nu de feiten daartoe gesteld, niet aannemelijk zijn geworden en verwerpt het beroep op noodweer.

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake was een noodweersituatie, komt verdachte reeds om die reden geen beroep op noodweerexces toe.

Verdachte is strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, nadat feiten en persoonlijke omstandigheden vrijwel geheel behandeld waren, primair op het standpunt gesteld dat nader onderzoek naar de persoonlijkheid van verdachte noodzakelijk is. Mocht de rechtbank tijdens de beraadslaging in raadkamer ook dit oordeel zijn toegedaan, dan verzoekt zij de rechtbank over te gaan tot heropening van de zaak.

Mocht de rechtbank niet tot heropening over gaan, dan vordert zij verdachte te veroordelen voor het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 10 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast vordert zij de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen mes met nummer 10 en de teruggave aan de rechthebbende van het inbeslaggenomen mes met nummer 20.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzet zich tegen aanhouding/heropening van het onderzoek ter terechtzitting. Verdachte is gebaat bij afdoening van de zaak en dat had op 30 juni 2012 al kunnen gebeuren. Aan die situatie is nu niets veranderd. Verdachtes vrouw is hoogzwanger van een tweeling. Verdachte staat, mede gezien de komst van zijn tweeling en zijn motivatie om wat van zijn leven te maken, positief tegenover ambulante behandeling. Daarvoor is echter geen aanhouding nodig. Wanneer de subsidiaire eis van de officier van justitie wordt gevolgd, zou dat betekenen dat verdachte weer terug moet de gevangenis in. Dit zou geen enkel doel dienen en slechts afbreuk doen aan de motivatie van verdachte om zijn leven op de rails te krijgen.

De beoordeling door de rechtbank

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

* het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 26 juni 2012; en

* een consultbrief van psychiater B. Gotink, d.d. 6 juni 2012, betreffende verdachte;

* een?reclasseringsadvies d.d. 5 juni 2012 en 11 juli 2012 alsmede een Voortgangsverslag opdrachtgever d.d. 12 juli 2012.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Ter zake heropening

De rechtbank acht zich voor de afdoening van de zaak en het bepalen van een passende sanctie voldoende voorgelicht en zal niet overgaan tot heropening van het onderzoek. Zij overweegt daartoe dat pas op de zitting van 30 juni 2012, toen verdachte al ruim drie maanden vast zat, bleek dat de officier van justitie van mening was dat een persoonlijkheidsonderzoek noodzakelijk was. Pas kort voor die zitting waren hiertoe de noodzakelijke stappen gezet. Dit onderzoek was gericht op klinische behandeling van verdachte. Reeds uit het consult van 6 juni 2012 bleek echter dat verdachte geen enkele intrinsieke motivatie toonde voor klinische behandeling en dat een pro justitia rapportage van weinig meerwaarde werd geschat, tenzij gedacht zou worden aan een terbeschikkingstelling met voorwaarden. Op de zitting van 30 maart 2012 gaf verdachte aan niet te zullen meerwerken aan het opstellen van rapportages omtrent zijn persoonlijkheid en niet gemotiveerd te zijn voor klinische behandeling. Ook op de zitting van 20 juli 2012 bleek hierin weinig verandering te zijn gekomen. De rechtbank acht nader onderzoek naar de persoonlijkheid van de verdachte in dit stadium van het onderzoek dan ook niet opportuun. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het niet noodzakelijk is het onderzoek in de zaak te heropenen.

Afdoening

Verdachte is op 12 maart 2012 met zijn dochter naar de woning gegaan waar aangever - partner van de dochter van verdachte - zich bevond. Verdachte is zonder toestemming die woning binnengegaan en heeft daar aangever, ook nadat hij op de grond lag, meermalen met de vuist in het gezicht geslagen en heeft aangever in de bovenarm gestoken met een mes. Aangever heeft hierdoor hematomen in het gezicht opgelopen en een wond op het ooglid en aan de arm. De aanleiding voor dit alles was kennelijk gelegen in problemen in de relationele sfeer tussen aangever en de dochter van verdachte.

De rechtbank neemt verdachte ernstig kwalijk dat hij zijn boosheid niet heeft kunnen beteugelen en dat hij is overgegaan tot fors fysiek geweld tegen aangever waarbij hij zelfs een mes heeft gebruikt. Hij heeft daarbij het welzijn van een medemens uit het oog verloren. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet aan verdachte te danken dat aangever niet ernstiger letsel heeft bekomen.

Mede gezien het zeer forse strafblad van verdachte past voor dit ernstige feit geen andere straf dan een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij neemt de rechtbank in beginsel als uitgangspunt de gevangenisstraf zoals die in de rechtspraak pleegt te worden opgelegd voor (een poging tot) het toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen .

In het voordeel van verdachte laat de rechtbank evenwel nog het navolgende meewegen.

Verdachte heeft zich in het verleden voornamelijk schuldig gemaakt aan vermogensdelicten. Met agressiedelicten is verdachte in al die jaren slechts beperkt bekend. Tevens geeft hij aan zich hiervoor te schamen en in zijn leven als vader voor zijn inmiddels volwassen dochters te hebben gefaald. Met het oog op de komst van zijn tweeling geeft verdachte aan zijn leven te willen wijzigen. Dit blijkt ook uit het feit dat hij met behulp van de gemeente op zoek is naar werk. Hoewel zowel bij de reclassering als de rechtbank twijfels bestaan over de vraag of verdachte zonder professionele hulp in staat zal zijn, zijn leven op de rails te houden, komt de wens tot verandering oprecht over. Om die reden zal de rechtbank een aanzienlijk deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen.

Gezien de gebrekkige motivatie voor behandelingen en de vele eerdere mislukte interventies, heeft de reclassering geen mogelijkheid gezien een ambulant behandelingstraject aan te bieden. De rechtbank zal daarom niet overgaan tot het opleggen van bijzondere voorwaarden.

Ten aanzien van het beslag

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, Mes, SVO-010, sinnr: AAEC5120NL, met behulp waarvan het tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit is begaan, dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, Mes, SVO-020, sinnr: AAEC5119NL kan worden geretourneerd aan de rechthebbende.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36b, 36c, 36d, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf 6 (zes) maanden niet tenuitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

Heft op het geschorste bevel van de voorlopige hechtenis

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: Mes, SVO-010, sinnr: AAEC5120NL.

Beveelt de teruggave van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten Mes, SVO-020, sinnr: AAEC5119NL, aan de rechthebbende.

Aldus gewezen door:

mr. M.G.J. Post (voorzitter), mr. P.C. Quak en mr. J.J.H. van Laethem, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 augustus 2012.

13

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [naam verbalisant] van de regiopolitie Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL074L 2012036797, gesloten op 30 maart 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina's van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 55 onderste alinea en proces-verbaal van aangifte, p. 25.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 56 bovenste alinea, proces-verbaal van aangifte, p. 25 onderste alinea en schriftelijk bescheid inhoudende een medische verklaring d.d. 30 maart 2012, p. 61, alsmede de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 juli 2012.

4 Schriftelijk bescheid inhoudende een medische verklaring d.d. 30 maart 2012, p. 61.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 56, eerste alinea, alsmede de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 20 juli 2012.

6 Schriftelijk bescheid inhoudende een medische verklaring d.d. 30 maart 2012, p. 61.

7 Proces-verbaal van aangifte, p. 25 onderste alinea.

8 Proces-verbaal van verhoor [naam getuige], p. 52 eerste helft.

9 Proces-verbaal van verhoor [naam getuige], p. 52 eerste helft.

10 Proces-verbaal van verhoor [naam getuige], p. 51 onderste helft.

11 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 25 midden van de pagina.

12 Proces-verbaal van verhoor [naam getuige], p. 52 eerste helft.