Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX3420

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
31-07-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
11_5319
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Arbowet. Boete. Deugdelijk arbeidsmiddel? Geen overtreding van artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/5319

uitspraak van de meervoudige kamer van in de zaak tussen

SITA Recycling Services West B.V., eiseres, te Arnhem,

(gemachtigde: mr. K. van Kranenburg-Hanspians),

en

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2011 heeft verweerder aan eiseres een boete van € 13.500 opgelegd.

Bij besluit van 3 november 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit van 4 april 2011 gehandhaafd.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 14 mei 2012 heeft eiseres aanvullende stukken ingediend.

Bij brief van 16 mei 2012 heeft verweerder aanvullende stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2012. Eiseres is vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] bijgestaan door mr. Van Kranenburg-Hanspians, voornoemd, advocaat te Amsterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. van Amersfoort, werkzaam bij verweerders ministerie.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Eiseres houdt zich onder meer bezig met het verwijderen van stoffen en alles wat daarmee verband houdt, alles in de ruimste zin.

1.2. Op 23 september 2010 heeft één van de werknemers van eiseres, [naam 3], bij een klant aan de [adres] te [woonplaats] (gemeente [naam]) tijdens het ledigen van een afvalcontainer een arbeidsongeval gehad waarbij zijn linkerarm in het beladingssysteem van een afvalperswagen (type Pusher 2000 plus CB011/Eurolift) bekneld is geraakt met als gevolg dat hij 24 uur ter observatie in het ziekenhuis is opgenomen. [naam 3] heeft aan het ongeval geen blijvend letsel overgehouden en hij is nog steeds voor eiseres werkzaam.

1.3. Verweerder is tot zijn besluitvorming gekomen gelet op de bevindingen in het op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van de inspecteur van de Arbeidsinspectie van 17 februari 2011. Daarin is geconcludeerd dat eiseres het bepaalde in artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: de Arbowet) in samenhang gelezen met artikel 7.3, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit) heeft overtreden, hetgeen een beboetbaar feit als bedoeld in artikel 9.9b, eerste lid, aanhef en onder g, van dat besluit oplevert. Anders dan in dit boeterapport heeft verweerder, blijkens het primaire besluit van 4 april 2011, de vermeende overtreding gebaseerd op artikel 16, tiende lid, van de Arbowet in samenhang gelezen met artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit, hetgeen volgens hem een beboetbaar feit als bedoeld in artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder g, van dat besluit oplevert. Met toepassing van lid 8a van Beleidsregel 33 Arbeidsomstandighedenwetgeving heeft verweerder de boete vervolgens bepaald op € 13.500. Daarbij heeft verweerder overwogen dat, terwijl bewegende delen van een arbeidsmiddel (in dit geval een afvalperswagen) gevaar opleverden, zij niet van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen waren voorzien, dat het gevaar zoveel mogelijk werd voorkomen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de opgelegde boete ongewijzigd gehandhaafd. Verweerder heeft geen grond gezien om de boete te matigen.

2. Eiseres heeft zich gemotiveerd tegen het bestreden besluit gekeerd. Op haar stellingen zal de rechtbank, voor zover nodig, hierna ingaan.

2.1. Eiseres betoogt primair dat zij conform artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit heeft gehandeld waardoor er geen grondslag is voor het opleggen van een boete. Daartoe voert eiseres aan dat sprake was van een deugdelijk arbeidsmiddel en er geen reden was om aan de veiligheid ervan te twijfelen. In dit verband stelt eiseres dat zij ten aanzien van het risico van beknellingsgevaar van onder andere afvalperswagens de maatregelen zoals genoemd in de Arbocatalogus Afvalbranche heeft opgevolgd: de betreffende afvalperswagen is in juni 2007 als een CE-gemarkeerde arbeidsmiddel vergezeld van een EG-verklaring van overeenstemming gekocht van MOL CY N.V., een gerenommeerde en deskundige fabrikant, en voldoet aan NEN 1501, deel 1 en de Machinerichtlijn 98/37/EG (thans: 2006/46/EG). Ook stelt eiseres dat een groter dan het gehanteerde scherm vanwege het ontbreken van zicht op de werkzaamheden gevaarlijk en niet werkbaar is en (daardoor) strijd zou opleveren met artikel 7.7, tweede, derde en zesde lid, van het Arbobesluit. Bovendien, aldus eiseres, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat een groter scherm (zonder uitsparing) het ongeval had voorkomen. Ook heeft eiseres inmiddels dekselvangers op de afvalperswagen door de fabrikant laten plaatsen waardoor de oorzaak van het probleem is weggenomen. Verder stelt eiseres dat de afvalperswagen conform de daarbij behorende gebruiksvoorschriften is gebruikt. Eiseres verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 september 2009, LJN: AU2140, 26 mei 2010, LJN: BM5605 en 14 februari 2007, LJN: AZ8462 en de rechtbank Leeuwarden van 2 oktober 2008, LJN: BF5065. Tot slot stelt eiseres dat verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 3 van de Arbowet in deze een passieve rol heeft gespeeld.

2.2. Subsidiair betoogt eiseres dat verweerder de opgelegde boete op grond van Beleidsregel 33 arbeidsomstandighedenwetgeving ten onrechte niet (volledig dan wel partieel) heeft gematigd. Daartoe heeft eiseres aangevoerd dat het risico van het beknellingsgevaar in een uitgebreide, door de Arbo Unie opgestelde, Risico Inventarisatie & Evaluatie is geïnventariseerd en dat op grond daarvan de nodige maatregelen zijn getroffen. Volgens eiseres is het specifieke beknellingsgevaar dat voortkomt uit beknelling indien men met de hand de containerklep tegenhoudt niet geïnventariseerd en kon dit ook niet worden geïnventariseerd, aangezien deze werkwijze niet is toegestaan bij het reguliere werk. In dit verband verwijst eiseres naar de Afdelingsuitspraak van 9 februari 2011, LJN: BP3723. Verder stelt eiseres dat zij voldoende instructies heeft gegeven en wijst zij op de eigen verplichtingen en verantwoordelijkheid van in dit geval [naam 3] en op de diverse gehouden toolboxmeetings. Ook stelt eiseres dat zij middels instructies aan haar werknemers en werkplek- en voertuiginstructies, zowel op locatie als tijdens werkzaamheden onderweg, en inzet van mentorchauffeurs adequaat toezicht heeft gehouden.

3. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Arbowet worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld in verband met arbeidsomstandigheden van de werknemers.

Ingevolge het tiende lid zijn de werkgever en de werknemers verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur voor zover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Arbowet wordt als overtreding aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding. Ter zake van de overtredingen, bedoeld in de vorige zin, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald of een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie.

Artikel 7.2, eerste lid, van het Arbobesluit bepaalt dat een door de werkgever aan de werknemer ter beschikking gesteld arbeidsmiddel voldoet aan de op dat arbeidsmiddel van toepassing zijnde Warenwetbesluiten. Het tweede lid bepaalt dat een arbeidsmiddel wordt vermoed te voldoet aan artikel 7.7 indien het, overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde Warenwetbesluiten, is voorzien van een CE-markering, vergezeld van een EG-verklaring van overeenstemming, en het arbeidsmiddel overeenkomstig de daarbij behorende gebruiksvoorschriften wordt gebruikt.

Ingevolge artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit zijn bewegende delen van een arbeidsmiddel, indien zij gevaar opleveren, van zodanige schermen of beveiligingsinrichtingen voorzien, dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Ingevolge het vierde lid kunnen de schermen of beveiligingsinrichtingen niet op eenvoudige wijze worden genegeerd of buiten werking worden gesteld.

Ingevolge het vijfde lid zijn de schermen of beveiligingsinrichtingen op voldoende afstand van de gevaarlijke zone van het arbeidsmiddel aangebracht.

Ingevolge het zesde lid belemmeren de schermen of beveiligingsinrichtingen het zicht op de arbeid zo min mogelijk.

Ingevolge artikel 9.1 van het Arbobesluit is de werkgever verplicht tot naleving van de voorschriften en verboden welke bij of krachtens dit besluit zijn vastgesteld.

Ingevolge artikel 9.9c, eerste lid, aanhef en onder g, van het Arbobesluit wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van de tweede categorie, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met de voorschriften welke zijn opgenomen in artikel 7.7.

Voor de uitvoering van de regels bij of krachtens de Arbowet heeft verweerder de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving opgesteld.

4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (uitspraak van 26 mei 2010, LJN: BM5605) is in het Arbobesluit overtreding van artikel 7.7, eerste lid, aangemerkt als beboetbaar feit zonder dat daartoe opzet of schuld is vereist. Derhalve staat de overtreding vast, indien aan de materiële voorschriften van dat artikel niet is voldaan. Aan artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit komt zelfstandige betekenis toe. In beginsel mag dan van de verwijtbaarheid van de overtreding worden uitgegaan. Indien een werkgever betoogt dat hem ter zake van die overtreding geen verwijt valt te maken en hij in dat verband schulduitsluitingsgronden aanvoert, waartoe hij door het bestuursorgaan in de gelegenheid moet worden gesteld, zal dit door hem aannemelijk moeten worden gemaakt. Verder blijkt uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van 26 mei 2010 van de Afdeling dat artikel 7.7 van het Arbobesluit mede ziet op het gebruik van de schermen of beveiligingsinrichtingen van een arbeidsmiddel, zodanig dat het gevaar zoveel mogelijk wordt voorkomen, in artikel 7.2, tweede lid, van het Arbobesluit. Dit betekent dat, wil het rechtsvermoeden, neergelegd in laatstgenoemd artikel, dat het arbeidsmiddel wordt vermoed te voldoen aan artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit opgaan, niet alleen aan de voorwaarde dient te zijn voldaan dat het arbeidsmiddel is voorzien van een CE-markering vergezeld van een EG-verklaring van overeenstemming, maar ook aan de voorwaarde dat "het arbeidsmiddel overeenkomstig de daarbij behorende gebruiksvoorschriften wordt gebruikt".

5. Vast staat dat het ongeval is veroorzaakt doordat [naam 3] een te vol beladen container heeft geaccepteerd en bij het ledigen van deze overbeladen container in de belading heeft gegrepen en dat hij hiermee in strijd met de gebruiksvoorschriften heeft gehandeld. Gelet hierop volgt uit hetgeen hiervoor onder 4 is besproken, dat het rechtsvermoeden genoemd in artikel 7.2, tweede lid, van het Arbobesluit niet opgaat. De rechtbank is echter met eiseres, en anders dan verweerder, van oordeel dat de afvalperswagen, waar [naam 3] ten tijde van het ongeval gebruik van maakte, desondanks wel voldeed aan de op dat arbeidsmiddel van toepassing zijnde Warenwetbesluiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, van het Arbobesluit. Daartoe overweegt de rechtbank dat niet kan worden gezegd dat de afvalperswagen ten tijde van het arbeidsongeval voor wat betreft de arbeidsomstandigheden naar de stand van zaken op dat moment niet deugdelijk was. Vast staat dat de betreffende afvalperswagen ten tijde van de aankoop door eiseres was voorzien van een CE-markering, vergezeld van een EG-verklaring van overeenstemming. Dat links en rechts op de achterdeur in de nabijheid van de bedieningspost veiligheidspictogrammen zijn aangebracht. Voorts heeft de fabrikant, op initiatief van eiseres naar aanleiding van een eerder incident in maart 2010, het beladingssysteem begin 2011 aangepast, waarom reeds in juni 2010 (dus vóór het ongeval) was verzocht, door het plaatsen van zogenaamde dekselvangers op de afvalperswagen die zorgen dat de containerklep wordt tegengehouden, zodat deze niet te hard naar beneden valt. Dat het beladingssysteem door voortschrijdend inzicht is aangepast, betekent niet automatisch dat de afvalperswagen ten tijde van het ongeval niet deugdelijk was. Voorts acht de rechtbank in dit verband van belang dat namens de fabrikant is aangegeven dat, ondanks deze aanpassing, nog steeds restrisico’s blijven bestaan die enkel kunnen worden voorkomen door voldoende discipline van de gebruiker bij het volgen van de veiligheidseisen en pictogrammen die door de constructeur zijn opgelegd. Verder blijkt uit de gedingstukken dat erkende instructeurs aan betrokken chauffeurs en laders – op basis van de handleiding van de afvalperswagen, de Arbocatalogus Afvalbranche alsmede de uitkomsten van risico-inventarisatie – duidelijke instructies geven, waarbij de functionaliteit en de veiligheidsaspecten worden uitgelegd aan de bedieners van het voertuig, zoals [naam 3], alsmede zogenaamde toolboxmeetings worden gehouden waaraan [naam 3] eveneens heeft deelgenomen. Tot slot heeft eiseres aan gebruikers speciale formulieren beschikbaar gesteld om incidenten te melden. Niet is gebleken dat een vergelijkbaar incident eerder aan eiseres is gemeld. Nu de bewegende delen van de afvalperswagen ten tijde van het ongeval van zodanige schermen waren voorzien dat het gevaar op dat moment zoveel mogelijk werd voorkomen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres aan de materiële voorschriften van artikel 7.7, eerste lid, van het Arbobesluit heeft voldaan, zodat geen sprake is van een overtreding van dit voorschrift en een grondslag voor het opleggen van een boete ontbreekt. Derhalve slaagt het primaire betoog van eiseres.

6. Het voorgaande betekent dat het subsidiaire standpunt van eiseres dat verweerder de opgelegde boete ten onrechte niet (volledig dan wel partieel) heeft gematigd, geen bespreking meer behoeft.

7. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb moet worden vernietigd. Omdat aan het primaire besluit van 4 april 2011 hetzelfde gebrek kleeft, ziet de rechtbank, mede gelet op artikel 8:72a van de Awb, aanleiding om dat besluit te herroepen.

8. Nu eiseres in bezwaar niet heeft verzocht om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten, is niet voldaan aan de in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb gestelde voorwaarden voor vergoeding van deze kosten. Daarbij is de rechtbank overigens niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank acht wel termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting x € 437). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

9. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 3 november 2011;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

herroept het primaire besluit van 4 april 2011;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 874;

bepaalt voorts dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 302 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Willems-Dijkstra, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink en mr. F.J. de Vries, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.

Verzonden op: