Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX3418

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
10-07-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
AWB 11/5567
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand aan vreemdeling. Eiseres heeft de Venezolaanse nationaliteit en is moeder van een dochter met de Nederlandse nationaliteit. De Nederlandse vader onttrekt zich aan de zorg van de dochter. Eiseres heeft een bijstandsuitkering aangevraagd voor haar en haar dochter, die de gemeente Arnhem voor de dochter heeft toegewezen, maar voor haar heeft afgewezen. Deze beslissing heeft de rechtbank vernietigd. Uit het Zambrano-arrest volgt dat aan de dochter het effectieve genot van haar Unieburgerschap moet worden geboden en dat dit onder meer inhoudt dat zij over voldoende middelen moet beschikken om in het onderhoud van haar en haar gezin te kunnen voorzien. Voor dit geval betekent dit dat aan eiseres een bijstandsuitkering moet worden uitgekeerd naar de norm van een alleenstaande ouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/5567

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[naam], eiseres,

wonende te Arnhem, vertegenwoordigd door mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 8 december 2011.

2. Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) geweigerd.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overi-ge door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 11 mei 2012. Eiseres is aldaar verschenen, vertegenwoordigd door haar gemachtigde en bijgestaan door de tolk A.M. van den Berg-Barrio. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door L.M.P. Servais.

3. Overwegingen

1. Eiseres heeft de Venezolaanse nationaliteit. Omstreeks 2008 is zij op een toeristenvisum naar Nederland gekomen om een man met de achternaam [naam 2] te ontmoeten die zij had leren kennen via internet. Zij heb-ben een affectieve relatie gehad. Op 30 maart 2009 is zij in Venezuela bevallen van hun dochter [naam 3] die door [naam 2] is erkend. Daardoor heeft [naam 3] de Nederlandse nationaliteit. In september 2009 is eiseres met haar dochter teruggekeerd naar Nederland. Zij hebben met [naam 2] tot eind juni 2011 op wisse-lende adressen in [land] gewoond. Eind juni 2011 heeft [naam 2] eiseres en haar dochter volgens eiseres weggestuurd uit hun huis in [verblijfplaats], [land], waarop eiseres zich met haar dochter heeft gemeld bij de crisisopvang te Arnhem. De kosten van crisisopvang heeft verweerder aan eiseres vergoed op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo).

2. Op 7 juli 2011 heeft eiseres een aanvraag voor bijstand voor haar en haar dochter gedaan. Bij besluit van 20 juli 2011 heeft verweerder aan [naam 3] een bijstandsuitkering verstrekt op basis van het verschil tussen een uitkering voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder, aangevuld met het bedrag dat eiseres zou ont-vangen aan kinderbijslag, als zij daarop recht zou hebben (€ 459,96 per maand). Verweerder heeft bij besluit van 1 augustus 2011, het primaire besluit in deze procedure, de aanvraag, voor zover betrekking hebbend op eiseres, afgewezen, omdat zij geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland. Op grond van de artikelen 11 en 16 van de Wwb komt zij daarom volgens verweerder niet in aanmerking voor bijstand. Deze beslissing is in het bestreden besluit gehandhaafd.

3. De Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de IND) heeft bij besluit van 13 februari 2012 de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning afgewezen. De IND heeft bij besluit van 25 april 2012 het bezwaarschrift daartegen ongegrond verklaard. Op grond van dit besluit moet eiseres binnen 28 dagen Neder-land hebben verlaten. De IND heeft in die beslissing onder meer het volgende overwogen:

“Het voorts in bezwaar gedane beroep op het arrest Ruiz Zambrano van het Europese Hof van Justitie van 8 maart 2011 (C-34/09) kan evenmin doel treffen, nu niet is onderbouwd dat de omstandigheden die in dat arrest aan de orde waren gelijk zijn aan de omstandigheden van betrokkene. De minister neemt in aanmerking dat het kind van betrokkene, anders dan in het voornoemde arrest, niet verplicht wordt het grondgebied van de Unie te verlaten, nu zij bij haar Nederlandse vader kan verblijven. Weliswaar is gesteld dat de vader op geen enkele wijze een bijdrage levert aan de verzorging en op-voeding van de dochter, doch deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd. Voor zover de gemach-tigde van betrokkene heeft willen betogen dat het voor de vader praktisch onmogelijk zou zijn voor zijn dochter, die inmiddels drie jaar oud is, opvang dan wel oppas te regelen, overweegt de minister dat ook deze stelling niet is onderbouwd en evenmin valt in te zien waarom hij geen beroep kan doen op de in Nederland dan wel in [land] aanwezige instanties voor kinderopvang.”

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep bij de rechtbank Den Haag ingesteld.

4. Het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COA) heeft bij besluit van 29 februari 2012 aan eiseres een uitkering op grond van de Regeling verstrekkingen categorieën vreemdelingen (hierna: de Rvb) toegekend met ingang van 19 december 2011 (€ 388,04 per maand en een ziektekostenverzeke-ring). Uit het dossier blijkt dat deze uitkering is verstrekt tot in ieder geval 25 april 2012.

5. Op 22 december 2011 heeft eiseres een nieuwe aanvraag voor een uitkering op grond van de Wwb ge-daan. Bij besluit van 13 februari 2012 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het daartegen gerichte be-zwaarschrift heeft verweerder bij besluit van 27 april 2012 ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen geen beroep ingesteld.

6. Over [naam 2] is in een rapport van verweerder van 19 juli 2011 het volgende opgemerkt: “Het kind is erkend door de vader, maar deze is uit beeld. Hij heeft mevr. [naam] mishandeld en heeft ook geen geld. De financiën waren telkens een heikel punt in de relatie. Hij heeft aangeboden evt. enkele dagen jeugdherberg te betalen maar alleen onder allerhande voorwaarden waaraan mevr. [naam] zou moeten voldoen. Van zijn kant kan niets worden verwacht.” Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 2] zich onttrekt aan de zorg voor [naam 3].

7. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft zich in de kern genomen op het stand-punt gesteld dat zij voor een effectieve uitoefening van het Unieburgerschap van haar dochter een uitkering nodig heeft die ligt op het niveau van het sociaal minimum. Deze beroepsgrond treft doel, zoals hieronder zal worden toegelicht.

8. Aan [naam 3] komen op grond van haar Nederlandse nationaliteit de rechten van het burgerschap van de Unie toe, waaronder het recht vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten (artikelen 20, tweede lid en 21, eerste lid, van het Verdrag betreffende werking van de Europese Unie, hierna: VWEU). Nati-onale maatregelen die tot gevolg hebben dat aan een Unieburger het effectieve genot wordt ontzegd van de be-langrijkste aan hun status van Unieburger ontleende rechten zijn strijdig met artikel 20 van het VWEU. Dat is onder meer aan de orde als een kind, burger van de Unie, het risico loopt niet over voldoende bestaansmiddelen te beschikken om te voorzien in zijn eigen onderhoud en dat van zijn gezin. In die omstandigheid zal zo’n kind in de feitelijke onmogelijkheid verkeren de belangrijkste aan zijn status van burger van de Unie ontleende rech-ten uit te oefenen (Hof van Justitie van de Europese Unie, hierna: HvJ, 8 maart 2011, LJN: BP9130, NJ 2011, 488, Zambrano).

9. Eiseres is Venezolaanse en houdt geen rechtmatig verblijf in Nederland. Haar aanvraag voor een ver-blijfsvergunning is bij beslissing op bezwaar van 25 april 2012 door de IND afgewezen. Hoewel deze beslissing door het aanhangige beroep niet onaantastbaar is, moet er van worden uitgegaan dat eiseres, geabstraheerd van de omstandigheid dat haar dochter de Nederlandse nationaliteit heeft, een vreemdeling is, die niet behoort tot de kring van gerechtigden op grond van de Wwb (artikelen 11 en 16, tweede lid, van de Wwb). Volgens recente rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) is zij daarom aangewezen op de voorzieningen voor vreemdelingen die worden verstrekt door de daarmee belaste bestuursorganen, met name het COA, ook in gevallen waarin het gaat om bescherming van het recht op respect voor het privé- en gezinsleven, zoals gewaar-borgd door artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: het EVRM) (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 april 2012, LJN: BW3242).

10. Eiseres heeft verder vanaf 19 december 2011 een uitkering krachtens de Rvb ontvangen, waarvan de CRvB heeft geoordeeld dat het een voorliggende, toereikende en passende voorziening ten opzichte van de Wwb is (uitspraak van 10 januari 2012, LJN: BV0591). Eiseres gaat er zelf blijkens haar berusting in het besluit van 27 april 2012 (zie 5, hierboven) ook vanuit dat zij over de periode, waarin zij een Rvb-uitkering ontvangt, geen aanspraak op bijstand heeft.

10. De rechtbank is van oordeel dat uit de uitleg door het Hof van Justitie van artikel 20 van het VWEU in het Zambrano-arrest volgt dat aan eiseres en haar dochter tezamen een zodanige uitkering moet worden ver-strekt dat zij over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorzien in hun eigen onderhoud. Alleen dan wordt aan [naam 3] het effectieve genot van haar Unieburgerschap geëffectueerd. Nu ook verweerder ervan uitgaat dat van [naam 2] niets kan worden verwacht wat de kosten van levensonderhoud voor [naam 3] betreft, dient de Nederlandse overheid ervoor te zorgen dat aan eiseres en [naam 3] een uitkering wordt verstrekt. Om-dat enerzijds [naam 3] niet is onderworpen aan de regelgeving zoals deze geldt voor opvang en financiële on-dersteuning van vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel en anderzijds deze regelgeving niet in de eerste plaats is afgestemd op verstrekking van een vergoeding waardoor de gerechtigde over voldoende bestaansmid-delen beschikt om in zijn eigen onderhoud te voorzien, brengt een op dit geval afgestemde wetstoepassing mee dat eiseres als moeder van [naam 3] gelijk wordt gesteld met een vreemdeling, als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wwb, zodat artikel 16, eerste lid, van de Wwb ook op haar van toepassing is.

11. Het voorgaande betekent dat verweerder aan eiseres in aanvulling op de bijstand voor [naam 3] vanaf 7 juli 2011 bijstand had behoren te verstrekken tot aan de norm voor een alleenstaande ouder. Daarbij was ver-weerder wel bevoegd rekening te houden met het feit dat aan eiseres maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt verstrekt. Dit heeft verweerder miskend.

12. Nu het bestreden besluit genomen is in strijd met artikel 20 van het VWEU, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, zoals bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder c, van de Awb en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank zal het besluit van 1 augustus 2011 herroepen en aan eise-res met ingang van 7 juli 2011 een uitkering krachtens de Wwb naar de norm van alleenstaande ouder toekennen waarbij in aanmerking wordt genomen dat voorzien wordt in maatschappelijke opvang voor eiseres en haar kind.

13. Eiseres heeft verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door haar gelden schade. De rechtbank zal die vordering aldus toewijzen dat verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de ten onrechte niet betaalde bijstand te rekenen vanaf de laatste dag van maand volgende op die waarin de bijstand had moeten worden verstrekt.

14. Conform haar verzoek zal de rechtbank verweerder veroordelen in de proceskosten in bezwaar die wor-den vastgesteld op € 874 (één punt voor het bezwaarschrift en één punt voor de hoorzitting).

15. De rechtbank zal verweerder verder veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand (één punt voor het beroepschrift en één punt voor de hoorzitting). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken. De genoemde in be-roep gemaakte kosten dienen, aangezien eiseres in beroep met een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbij-stand heeft geprocedeerd, ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden voldaan door betaling aan de griffier van deze rechtbank.

16. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het besluit van 1 augustus 2011;

bepaalt dat aan eiseres met ingang van 7 juli 2011 een uitkering krachtens de Wwb naar de norm van alleen-staande ouder wordt toegekend waar in aanmerking worden genomen de door eiseres genoten maatschappelijke opvang en de door eiseres anderszins ontvangen middelen;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder tot betaling van de wettelijke rente over de ten onrechte niet betaalde bijstand te rekenen vanaf de laatste dag van maand volgende op die waarin de bijstand had moeten worden verstrekt;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar ten bedrage van € 874;

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in beroep ten bedrage van € 874; bepaalt dat de betaling van dit laatste bedrag dient te worden gedaan aan de griffier van de rechtbank Arnhem, waarvoor verweerder een nota zal worden toegestuurd;

bepaalt voorts dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan haar vergoedt.

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.J. de Vries, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.A. van Schagen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Westerdijk, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: