Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX2810

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
06-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
AWB 12/168 (bij de rechtbank Arnhem geregistreerd onder AWB 12/2305)
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo. Afwijzing aanvraag woonvoorziening in de vorm van een traplift. Het medisch advies is inhoudelijk niet concludent. Artikel 4.7, aanhef en onder d, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Hengelo, dat bepaalt dat de aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 4.3 wordt geweigerd indien de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak, dient wegens strijd met artikel 4, tweede lid, van de Wmo buiten toepassing te blijven. Zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat verweerder aan eisers een traplift toekent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/168 (bij de rechtbank Arnhem geregistreerd onder AWB 12/2305)

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 6 juli 2012 in de zaak tussen

[naam 1] en [naam 2], eisers, te Hengelo,

(gemachtigde: dr. T. de Jonge),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo, verweerder.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 3 januari 2012;

herroept het primaire besluit van 25 augustus 2011;

bepaalt dat verweerder aan eisers een woonvoorziening in de vorm van een traplift toekent;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 42 aan hen vergoedt.

Gronden van de beslissing

1. De rechtbank gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten. Eiser, 68 jaar, is bekend met een chronische longaandoening waardoor hij bij zwaardere fysieke inspanning benauwd wordt. Eiseres, 61 jaar, is bekend met een chronische aandoening van het steun- en bewegingsapparaat. Op 9 mei 2011 hebben eisers ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een woonvoorziening in de vorm van een traplift aangevraagd. Bij besluit van 25 augustus 2011 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het daartegen door eisers gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 3 januari 2012 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld. De zaak is ter behandeling doorgezonden naar de rechtbank Arnhem.

2. Verweerder betoogt primair dat de aangevraagde woonvoorziening niet noodzakelijk is als bedoeld in artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Hengelo (hierna: de Verordening). Daarbij heeft verweerder zich gebaseerd op het advies van Argonaut Advies B.V. (hierna: Argonaut) van 18 juli 2011. Daarin is onder meer neergelegd dat er problemen zijn met het traplopen. Geconcludeerd wordt dat beide echtelieden in staat zijn om in een rustig tempo in een keer een trap te bestijgen dan wel af te dalen. Zij zijn niet in staat te achten om de trap in een keer op en af te nemen. Tussendoor zullen zij moeten rusten. Een gelijkvloerse woning zou aan te bevelen zijn, desalniettemin acht de medische adviseur beide echtelieden wel in staat om in beperkte mate zonder hulp van een traplift de trap te gebruiken. Geconcludeerd is dat er vanuit medisch oogpunt geen indicatie is voor een voorziening met betrekking tot het verplaatsen in de woning, zoals aangevraagd (traplift).

2.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn besluit om geen woonvoorziening te verstrekken niet op voormeld advies heeft kunnen baseren. Uit het advies volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eisers worden beperkt in een normaal gebruik van de woning, omdat zij maar beperkt kunnen traplopen en dus niet naar believen gebruik kunnen maken van de bovenverdieping van hun woning. De conclusie van het advies, dat er geen indicatie is voor een traplift, wordt dus niet gedragen door de bevindingen zodat het advies inhoudelijk niet concludent is.

3. Verweerder stelt zich subsidiair op het standpunt dat de woonvoorziening is aangevraagd op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak, zodat de aanvraag op grond van artikel 4.7, aanhef en onder d, van de Verordening terecht is geweigerd.

3.1. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht de aanvraag van eisers op grond van artikel 4.7, aanhef en onder d, van de Verordening heeft afgewezen. De rechtbank dient daarbij allereerst de vraag te beantwoorden of deze bepaling zich verdraagt met de in artikel 4, tweede lid, van de Wmo vervatte opdracht aan het gemeentebestuur.

De rechtbank stelt in dit verband vast dat artikel 4, tweede lid, van de Wmo per 1 januari 2010 is gewijzigd in die zin dat na ‘de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen’ de zinsnede ‘waaronder verandering van woning in verband met wijziging van leefsituatie’ is toegevoegd. Blijkens de wetsgeschiedenis (TK 2008-2009, 31 795, nr. 12) is deze wijziging bedoeld als een verduidelijking van het artikel, ingegeven door de omstandigheid dat gemeenten in het verleden niet altijd op een juiste manier toepassing hebben gegeven aan de compensatieplicht. Uit de toelichting blijkt dat een vergoeding wenselijk kan zijn vanwege een veranderde gezinssituatie of leefsituatie, waarbij gedacht moet worden aan situaties dat mensen moeten verhuizen omdat het huis vanwege gezinsuitbreiding te klein wordt, of juist te groot, bijvoorbeeld bij oudere mensen. Rekening moet worden gehouden met het verloop van een normale wooncarrière.

3.2. Aldus ziet de in artikel 4, tweede lid, van de Wmo vervatte compensatieplicht blijkens deze toelichting uitdrukkelijk ook op situaties waarin de noodzaak van een woonvoorziening louter verband houdt met een normale wooncarrière.

Verweerders standpunt dat personen als eisers zelf voor de gevraagde woonvoorziening dienen te reserveren, omdat gelet op de leeftijd van eisers redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de noodzaak tot een woonvoorziening voor hun voorzienbaar was, berust derhalve op een niet in de Wmo genoemde uitsluitingsgrond. Deze uitsluitingsgrond leidt tot een niet door de wetgever beoogde generieke uitsluiting van personen als eisers van de compensatieplicht van artikel 4, tweede lid, van de Wmo.

3.3. Naar het oordeel van de rechtbank is het bepaalde in artikel 4.7, aanhef en onder d, van de Verordening, in zoverre dit artikel dwingend voorschrijft dat een - op zich noodzakelijke - woonvoorziening door verweerder wordt geweigerd indien deze voorziening op basis van leeftijd voorzienbaar was, daarom in strijd met de in artikel 4, tweede lid, van de Wmo aan het gemeentebestuur gegeven opdracht, en dient eerstbedoeld artikel in zoverre buiten toepassing te blijven. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 9 mei 2012, LJN: BW6548 en 15 november 2010, LJN: BO8856, waarin de toepassing van een vergelijkbare verordeningsbepaling aan de orde was en waarin werd geoordeeld dat die bepaling berust op een niet in de wet genoemde uitsluitingsgrond en leidt tot een niet door de wetgever beoogde generieke uitsluiting van personen als eisers van de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo.

4. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de aangevraagde woonvoorziening in de vorm van een traplift in strijd met de wet heeft geweigerd, zodat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 25 augustus 2011 te herroepen en door te bepalen dat eisers in aanmerking komen voor een traplift. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder het in artikel 4.4 van de Verordening neergelegde primaat van de verhuizing niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd.

5. De rechtbank is niet gebleken van door eisers gemaakte proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De uitspraak is ter openbare zitting van 6 juli 2012 gegeven door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier.

Waarvan proces-verbaal,

De griffier, De rechter,

Afschrift verzonden op: