Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX2798

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
AWB 11/3602
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten; in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, als bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong. UWV heeft zich bij afwijzing arbeidsondersteuning gebaseerd op arbeidsverleden betrokkene.

De rechtbank overweegt dat de beoordeling van hetgeen iemand met arbeid kan verdienen

– de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling – in beginsel plaatsvindt aan de hand van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek. Uit de tekst van de Wet Wajong noch uit de Memorie van Toelichting bij deze wet blijkt dat de wetgever bij de vaststelling of de jonggehandicapte in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen heeft beoogd te breken met dit uitgangspunt.

Nu geen sprake was van de uitzonderingssituatie dat betrokkene jarenlang zonder noemenswaardige uitval heeft gefunctioneerd in arbeid en er geen contra-indicaties zijn dat deze arbeid geschikt is te achten voor betrokkene, heeft UWV dan ook ten onrechte afgezien van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht

registratienummer: AWB 11/3602

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van

inzake

[naam], eiser,

wonende te [woonplaats] vertegenwoordigd door mr. J.M. van Dongen,

tegen

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder van 27 juli 2011, uitgereikt door het UWV te Arnhem.

2. Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2011 heeft verweerder geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong).

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 26 juni 2012. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.M. van Dongen van Klaverblad Rechtsbijstand Stichting te Zoetermeer. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M. Diekema, werkzaam bij het UWV te Arnhem.

3. Overwegingen

3.1 Eiser is geboren op 25 januari 1980. Op 25 januari 1998 is hij 18 jaar geworden.

Eiser heeft een aanvraag ingevolge de Wet Wajong ingediend die door verweerder op 10 februari 2011 is ontvangen.

3.2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en deze afwijzing in het bestreden besluit gehandhaafd. De rechtbank merkt het besluit van 8 maart 2011 aan als een weigering om eiser arbeidsondersteuning toe te kennen op grond van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong, en het bestreden besluit als een besluit tot handhaving van het besluit van 8 maart 2011.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit, onder verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [naam 2] (hierna: adbb) van 9 juni 2011, ten grondslag gelegd dat eiser, ondanks zijn beperkingen, in staat is geweest een geruime periode, in ieder geval langer dan zes maanden, ten minste het wettelijk minimumloon te verdienen.

3.3 Eiser kan zich met de afwijzing van de Wet Wajong aanvraag niet verenigen en heeft het bestreden besluit gemotiveerd aangevochten. Voor zover nodig zal de rechtbank op de aangevoerde gronden ingaan.

3.4 Ingevolge artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong is jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk de ingezetene die aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen.

Ingevolge artikel 2:5, eerste lid, van de Wet Wajong wordt de beoordeling van wat iemand met arbeid kan verdienen, alsmede de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en voor zover nodig een arbeidskundig onderzoek.

In artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong is bepaald dat de jonggehandicapte op aanvraag recht heeft op arbeidsondersteuning, indien hij sinds de dag waarop hij jonggehandicapte werd niet in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.

In het tweede lid is bepaald dat het recht op arbeidsondersteuning niet eerder ontstaat dan zestien weken na de dag waarop de aanvraag om het recht op arbeidsondersteuning werd ingediend.

3.5 Het bepaalde in artikel 2:15, eerste en tweede lid, van de Wet Wajong brengt met zich dat eiser – er vanuit gaande dat hij als jonggehandicapte in de zin van de Wet Wajong moet worden aangemerkt – pas recht heeft op arbeidsondersteuning indien hij tot zestien weken ná de aanvraag een relevant verlies aan verdiencapaciteit heeft gehad. Indien met betrekking tot (een deel van) deze periode wordt vastgesteld dat eiser weer in staat was om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, is hij niet arbeidsongeschikt gebleven en heeft hij geen recht op arbeidsondersteuning.

3.6 De rechtbank overweegt dat de beoordeling van hetgeen iemand met arbeid kan verdienen – de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling – in beginsel plaatsvindt aan de hand van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en een arbeidskundig onderzoek. Dit uitgangspunt is sedert 2000 in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten neergelegd en geldt ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling bedoeld in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, de Wet Wajong en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ten aanzien van de aan de Wet Wajong voorafgaande Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten gold dit eveneens.

De wetgever heeft dit uitgangspunt thans ook neergelegd in artikel 2:5, eerste lid, van de Wet Wajong.

De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst van de Wet Wajong noch uit de Memorie van Toelichting bij deze wet (Kamerstukken 2008 – 2009, 31780, nr. 3) blijkt dat de wetgever bij de vaststelling of de jonggehandicapte in staat is gebleven meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, als bedoeld in artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong, heeft beoogd te breken met het in artikel 2:5, eerste lid, van de Wet Wajong vervatte uitgangspunt. Van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde afwijkende regels op grond van artikel 2:5, vijfde lid, van de Wet Wajong is niet gebleken.

3.7 Bij de vaststelling dat eiser in staat is geweest meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen heeft verweerder zich, in navolging van de adbb, gebaseerd op het arbeidsverleden van eiser en in het bijzonder op zijn functioneren gedurende de laatste twee dienstverbanden in de periode 2007 tot en met 2009. Ter zitting heeft verweerder erkend dat dit een arbeidskundige beoordeling betreft en geen medische beoordeling, en dat een verzekeringsgeneeskundig onderzoek terzake niet heeft plaatsgevonden.

In zoverre is het bestreden besluit dan ook in strijd met de Wet Wajong.

3.8 Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) komt naar voren dat van het uitgangspunt dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling plaatsvindt aan de hand van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek kan worden afgeweken in het geval dat een betrokkene jarenlang zonder noemenswaardige uitval heeft gefunctioneerd in arbeid en er geen contra-indicaties zijn dat deze arbeid geschikt is te achten voor de betrokkene. Indien deze situatie zich voordoet kan van een medisch onderzoek worden afgezien (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 14 april 2006, LJN: AW2017 en 3 september 2010, LJN: BN6074)

3.9 De adbb heeft aangegeven dat eiser bij UPC heeft gewerkt van april 2007 tot mei 2008, de eerste zes maanden via een uitzendbureau. Bij navraag bij de leidinggevende van UPC is naar voren gekomen dat eiser hier “naar behoren” heeft gefunctioneerd. Weliswaar bleven zijn commerciële activiteiten achter maar dat was geen reden om het functioneren als beneden de maat te beoordelen. Eiser heeft na een periode van zes maanden als uitzendkracht bij UPC, een vervolgcontract aangeboden gekregen. De laatste maanden, vanaf begin 2008 tot einde contract, waren de systemen waarmee gewerkt moest worden niet operationeel. Dit gaf wel stress bij eiser, hij was volgens de leidinggevende in die periode niet stabiel.

Van oktober 2008 tot en met september 2009 heeft eiser gewerkt bij InterNLnet. Die werkgever heeft desgevraagd de adbb medegedeeld dat er van goed functioneren geen sprake was.

Eiser heeft in bezwaar zowel als beroep gemotiveerd betwist dat de werkzaamheden bij UPC en InterNLnet passend waren. Hij heeft aangevoerd dat hij tot schade van zijn gezondheid heeft gewerkt en het werk slechts met heel veel moeite heeft volgehouden. Hij kon alleen functioneren met de hulp van vrienden en bekenden op het werk. Eiser heeft aangegeven dat hij vaak ziek is geweest en veel problemen heeft ondervonden in zijn werk. Hij heeft daarbij gewezen op informatie van zijn psycholoog drs. E. Ederveen van 9 december 2009 en 4 januari 2010. De klachten en beperkingen vloeiden voort uit de (laat gestelde diagnose) stoornis van Asperger.

De rechtbank is van oordeel dat uit het vorenstaande niet volgt dat de in 3.8 bedoelde situatie zich voordoet. Verweerder heeft dan ook ten onrechte afgezien van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

3.10 De rechtbank zal het beroep van eiser gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Gelet op het hiervoor overwogene zal verweerder opnieuw moeten beoordelen of eiser tot 16 weken na de datum van de aanvraag een relevant verlies aan verdiencapaciteit heeft gehad en in dat verband een medisch en een arbeidskundig onderzoek moeten verrichten. Vanwege de omvang van het door verweerder te verrichten onderzoek ziet de rechtbank geen aanleiding om een tussenuitspraak te doen.

3.11 De rechtbank acht voorts termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 437 aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (één punt voor de zitting). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.

4. Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 437;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 41 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, en mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op .

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Verzonden op: