Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX1610

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
16-07-2012
Datum publicatie
16-07-2012
Zaaknummer
820462
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het moet voor iedere werknemer duidelijk zijn dat het niet is toegestaan om privébestellingen te doen, waarbij de kosten ervan voor rekening van de werkgever en/of haar klanten komen of niet op een transparante manier worden afgewikkeld. Dit volgt (onder meer) uit de eisen van goed werknemerschap (art. 7:611 Burgerlijk Wetboek). Werknemer heeft in strijd met deze norm gehandeld. Bovendien heeft hij als leidinggevende onvoldoende toezicht gehouden. Daarom nietigheid van het ontslag op staande voet niet gehonoreerd in kort geding en ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voor zover vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0676
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ARNHEM

burgerlijk recht, sector kanton

Locatie Nijmegen

zaakgegevens 820462 \ VV EXPL 12-10083 \ 407 \ 23 rd

uitspraak van 16 juli 2012

vonnis in kort geding

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. V.E. Breedveld

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aan[gedaagde]kelijkheid [gedaagde]

gevestigd te [adres]

gedaagde partij

gemachtigden mrs. B.D. Nollen en J. Nigten

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 juni 2012 met producties

- de conclusie van antwoord met producties

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 19 juni 2012 mede inhoudende de pleitnotitie van de gemachtigde van [gedaagde].

1.2. De mondelinge behandeling heeft gelijktijdig plaatsgevonden met de mondelinge behandeling van het door [gedaagde] ingediend voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [eiser] (822414). De stukken in laatstgenoemde zaak maken – met instemming van beide partijen – ook deel uit van dit procesdossier. In die zaak wordt eveneens vandaag uitspraak gedaan.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] is een bedrijf dat gespecialiseerd is in de vervaardiging van transformatoren.

2.2. [eiser], geboren op [geboortedatum] en dus 38 jaar oud, is op 7 september 1992 bij [gedaagde] in dienst getreden. Hij vervulde laatstelijk de functie van Afdelingshoofd Voormontage tegen een salaris van € 4.399,60 bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag. In deze functie gaf hij leiding aan een groep controleurs, monteurs, lassers verspaners en een schilder (in totaal 16,1 FTE, plus 2,0 FTE extern).

2.3. In januari 2012 heeft de directie van [gedaagde] een anonieme brief ontvangen met de volgende inhoud:

“(…)

Ik zie en weet dingen van 2 medewerkers (2 broers [eiser]) van Uw bedrijf die voor mijn gevoel erg ver over de streep gaan.

Alles wat bij Uw bedrijf op voorraad ligt en wat in de auto past gaat richting [woonplaats], met name ijzer, verf ed..

Het meest gaat bij een van hen in de garage, alwaar er spullen voor de verkoop van worden gemaakt.

(…)”

2.4. [gedaagde] heeft naar aanleiding van voornoemde brief een intern onderzoek ingesteld en zich daarin laten bijstaan door [firma] (verder: [firma]). Deze heeft de beschuldigingen die in de hiervoor geciteerde brief zijn vermeld niet geconstateerd.

Vervolgens is een gericht digitaal onderzoek door [firma] uitgevoerd. Hieruit is naar voren gekomen dat er door [eiser] privébestellingen zijn gedaan bij een van de twee hoofdleveranciers van [gedaagde], te weten Novi. De contactpersoon bij Novi met betrekking tot deze bestellingen was de heer [betrokkene 1] (verder: [betrokkene 1]). Ook heeft [eiser] kopieën van e-mailberichten ontvangen aan [betrokkene 1] waarin privébestellingen werden gedaan door twee ondergeschikten van [eiser], de heren [betrokkene 2] (verder: [betrokkene 2]) en [betrokkene 3] (verder: [betrokkene 3]). In bedoelde e-mailberichten is het volgende te lezen:

• bericht van [betrokkene 2] aan [betrokkene 1] (kopie aan [eiser]) van 7 januari 2010:

“(…)

Mladen I have a question for you. (privately)

Can you make for me 10 mangers for pigs.

(…)

The material is stainless 2 mm.

Please let me now if you can make it, and what are the cost?

(…)”

• bericht van [betrokkene 2] aan [betrokkene 1] (kopie aan [eiser]) van 7 juni 2011:

“(…)

Here is the mail for 2 terrace heathers.

We need 2 terrace heather for 2 colleges of us. (…)

Please can you also divide the costs over some projects.

(…)”

• bericht van [eiser] aan [betrokkene 1] van 8 juni 2011:

“(…)

Pleas look at the attachment, is it possible to make a table for me it is for me garden.

(…)”

• bericht van [eiser] aan [betrokkene 3] van 5 augustus 2011:

“(…)

Zou jij bij Novi het volgende kunnen bestellen voor [betrokkene 4]rokkene 4],

Een RVS plaat van 2 mm dik afmeting moet zijn (…) het is namelijk voor de keuken van [betrokkene 4]. (…)”

en het hierop volgende bericht van [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] (kopie aan [eiser]) van dezelfde datum:

“(…)

Is it possible that you could make this inox plate for us.

That plate must be brushed. Thank you.

I’ve heard you’ve holiday, so you can make that plate by yourself in your own time and ring it over to our place, than we buy you a beer for it.

(…)”

• bericht van [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] (kopie aan [eiser]) van 22 augustus 2011:

“(…)

Could you make this protective cap for me.

It’s for private use.

Is it also possible that you could deliver that with that table for [eiser]

Only [eiser] and I know it for those two things.

(…)”

• bericht van [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] (kopie aan [eiser]) van 11 november 2011:

“(…)

That protective cap was perfect. Is it possible that you could make another one, with the same surface treatment (red as final color).

(…)”

2.5. [eiser] is naar aanleiding van deze bevindingen op 17 april 2012 door [firma] verhoord. Hiervan is een gespreksverslag opgemaakt dat door [eiser] is ondertekend. Aan het eind van voornoemd verhoor is [eiser] door [gedaagde] geschorst. [eiser] heeft hiertegen op 18 april 2012 bezwaar gemaakt, maar [gedaagde] heeft geen aanleiding gezien haar besluit tot schorsing in te trekken.

2.6. Op 23 april 2012 heeft [eiser] als reactie op het gespreksverslag een schriftelijke toelichting naar [gedaagde] en [firma] gestuurd. [gedaagde] heeft ook in deze door [eiser] verstrekte toelichting op het gespreksverslag geen reden gezien het gespreksverslag aan te passen respectievelijk het besluit tot schorsing van [eiser] te herzien.

2.7. Op 27 april 2012 is [eiser] op staande voet ontslagen. Bij brief van dezelfde datum heeft [betrokkene 5] namens [gedaagde] dit ontslag aan [eiser] bevestigd. Hij heeft onder meer het volgende geschreven:

“(…)

Middels deze brief bevestigen wij het gesprek dat op 27 april 2012 met u door mij is gevoerd in aanwezigheid van [betrokkene 6] (Personeelsfunctionaris). In dat gesprek hebben wij met u de resultaten van het interne onderzoek dat is uitgevoerd naar de privébestellingen die zijn gedaan bij onze leverancier Novi, en uw betrokkenheid daarbij, besproken. Uit het onderzoek is vast komen te staan dat door u, althans met uw medeweten, diverse privébestellingen zijn gedaan bij Novi in strijd met de bij u bekende gedragsrichtlijnen van [gedaagde]. Wij hebben u in dit verband nog gewezen op onze brief d.d. 12 februari 2008, die op 27 februari 2008 door u is ondertekend.

Daarnaast is vast komen te staan dat er in privé bestelde goederen door u, althans met uw medeweten of op uw instructie, zijn geboekt op niet-gerelateerde orders van [gedaagde].

Uw stelling dat voor deze bestellingen contant werd afgerekend bij de financiële afdeling hebben wij niet kunnen verifiëren. Het door u beweerdelijk bestaande systeem blijkt volgens onze informatie niet te bestaan. Wij houden het er dan ook op dat voor een groot aantal van de gedane privébestellingen niet is betaald door de betreffende ontvanger van de goederen, maar dat deze door [gedaagde] of in bepaalde gevallen zelfs door haar klanten zijn betaald.

Tijdens ons gesprek hebben wij u medegedeeld dat deze gedragingen op zichzelf alsmede in onderlinge samenhang voor ons onacceptabel zijn, en dat wij dan ook genoodzaakt zijn uw dienstverband met onmiddellijke ingang te beëindigen. (…)”

2.8. [betrokkene 3] en [betrokkene 2] zijn eveneens op staande voet ontslagen.

2.9. Op 2 mei 2012 heeft [eiser] de nietigheid van het ontslag op staande voet ingeroepen.

3. De vordering en het verweer

3.1. [eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde]:

a. zal gebieden om hem binnen 24 uur na betekening van het vonnis toe te laten tot de werkplek om de bedongen arbeid te verrichten op de gebruikelijke wijze en de gebruikelijke werktijden, op straffe van een in goede justitie te bepalen dwangsom voor elke dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan dit gebod te voldoen;

b. zal veroordelen om aan hem te betalen de achterstallige loontermijnen over de periode 27 april 2012 tot en met 11 juni 2012, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

c. zal veroordelen om aan hem te betalen het toekomstig opeisbaar loon ad € 4.399,60 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten, vanaf 1 juni 2012 tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

d. zal veroordelen in de proceskosten.

3.2. [eiser] baseert zijn vordering tegen de achtergrond van de vaststaande feiten op de volgende – zakelijk weergegeven – stellingen.

Het had voor (de directie van) [gedaagde] na ontvangst van de hiervoor onder 2.3. geciteerde anonieme brief, gelet op de goede staat van dienst van [eiser], duidelijk moeten zijn dat deze staat van dienst niet strookte met de in die brief gedane beweringen. Daarbij rijst voor [eiser] de vraag waarom een specifiek onderzoek naar zijn mailverkeer is gedaan, terwijl het volgens de anonieme brief zou gaan om het per auto vervoeren van eigendommen van [gedaagde]. Een onderzoek bij hem thuis, zijn garage of het inschakelen van de politie had dan meer voor de hand gelegen. Het onderzoek door [firma] heeft zich echter beperkt tot het doorzoeken van het zakelijke e-mailaccount van [eiser] en het verhoor door [firma]. Dit kan in de visie van [eiser] niet als een gedegen intern onderzoek worden aangemerkt. Daarbij komt dat het feit dat deze e-mailberichten zijn verzonden vanuit de zakelijke account, reeds voldoende aantoont dat [eiser] nooit heimelijk heeft gehandeld.

Het verhoor door [firma] was ook niet, zoals hem vooraf wel te kennen was gegeven, een algemeen onderzoek op basis van vrijwilligheid. Het was immers gericht op een specifieke verdenking tegen [eiser]. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om [eiser] hierover vooraf te informeren, waarbij hij ook geïnformeerd had moeten worden over het feit dat de uitkomst van het onderzoek mogelijk ernstige arbeidsrechtelijke gevolgen met zich kon brengen. Door hem niet juist te informeren en zelfs te misleiden heeft [gedaagde] zich niet gedragen zoals van een goed werkgever mag worden verwacht.

[eiser] is voorts van mening dat [gedaagde] met twee maten heeft gemeten waar het het verhoor door [firma] betreft. Hij is immer zonder vooraankondiging verhoord, terwijl de twee andere medewerkers vooraf op de hoogte zijn gesteld van een te houden verhoor en zich hebben kunnen laten bijstaan door een juridisch gemachtigde. [gedaagde] heeft hem duidelijk willen overrompelen. Dit is geen houding die van een goed werkgever mag worden verwacht. Daarnaast is aan de twee andere medewerkers toegezegd dat er van het verhoor een conceptrapportage zou worden opgesteld, op welk concept zij zouden kunnen reageren. Ook dit is bij [eiser] niet gebeurd.

3.3. [eiser] voert verder aan dat hem tijdens het verhoor door [firma] diverse mailberichten zijn voorgelegd, waarbij [firma] er vanuit ging dat dit allemaal privébestellingen betrof. Een aantal berichten had echter betrekking op spullen die ten behoeve van [gedaagde] zelf waren besteld, zoals spullen voor de interne verbouwing bij [gedaagde] en afscheidscadeaus voor personeel. [gedaagde] is zich na het verhoor gaan focussen op de berichten die wel gekoppeld konden worden aan privébestellingen van [eiser] en de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. [eiser] acht dit niet zuiver van [gedaagde].

Ten onrechte gaat [gedaagde] er voorts vanuit dat nu in de e-mailberichten niets wordt vermeld over de wijze van betaling van de bestellingen, er niet betaald is. Er is echter wel degelijk betaald en wel contant.

3.4. [gedaagde] heeft zich ten aanzien van het ontslag op staande voet van [eiser] verder op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zou zijn gebleken dat privébestellingen op orders van [gedaagde] geboekt werden en dat [eiser] zich hieraan schuldig had gemaakt, dit wist of daartoe instructie had gegeven. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] hebben dit echter nooit verklaard. Hun advocaten hebben zich hierover ook beklaagd bij [gedaagde]. Daarnaast is het ontslag op staande voet, zo hiervan al sprake zou kunnen zijn, niet onverwijld gegeven. [eiser] is immers al op 17 april 2012 verhoord door [firma]. Toen werd hij ook voor het eerst geconfronteerd met de vermoedens van [gedaagde]. De vermeende onregelmatigheden moeten dus al eerder zijn geconstateerd. Tussen de datum van de op non-actiefstelling en het ontslag op staande voet zijn 10 dagen gelegen, wat niet als onverwijld aangemerkt kan worden. Zo [gedaagde] zich zou willen beroepen op onderzoek na 17 april 2012, dan geldt dat niet kan worden vastgesteld dat in die periode het door [gedaagde] gestelde onderzoek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Verder is onduidelijk of dit onderzoek al was afgerond toen hij op staande voet werd ontslagen. Hij is immers op geen enkele wijze gekend in de uitkomst van een al dan niet afgerond onderzoek. Evenmin heeft hij een onderzoeksrapport daarvan gezien.

3.5. [eiser] voert voorts aan dat hij niet heeft gehandeld in strijd met gedragsrichtlijnen van [gedaagde]. Uit deze richtlijnen valt niet op te maken dat het plaatsen van privébestellingen bij leveranciers verboden is. Sterker nog, hiervoor bestaat een protocol. [gedaagde] interpreteert de gedragsrichtlijnen veel ruimer dan in de tekst staat en gaat hierdoor onzorgvuldig te werk. [gedaagde] moet alle omstandigheden meewegen. Dat heeft zij niet gedaan en dat is verwijtbaar. Daarbij komt dat er voor [gedaagde] meerdere sancties mogelijk waren, zoals het voeren van een disciplinair gesprek en het geven van een waarschuwing. Ten onrechte heeft zij echter direct naar het zwaarste middel van ontslag op staande voet gegrepen. Hiervoor was geen reden. De feiten zijn door [gedaagde] voor een belangrijk deel verkeerd weergegeven en zijn onterecht.

3.6. [gedaagde] voert gemotiveerd verweer dat – kort gezegd – neerkomt op het volgende.

De gedragingen/handelingen van [eiser] vormen, zowel op zichzelf beschouwd als in onderlinge samenhang bezien, een dringende reden voor ontslag. Zij is dan ook van mening dat zij [eiser] op terechte gronden op staande voet heeft ontslagen. Door [eiser] en een aantal van zijn ondergeschikten zijn immers privébestellingen gedaan bij een van haar vaste leveranciers. Dit is in strijd met de binnen [gedaagde] geldende gedragsrichtlijnen. Daarbij komt dat [eiser] geen duidelijkheid heeft kunnen geven over de financiële afwikkeling van die privébestellingen. [gedaagde] heeft de door [eiser] gegeven verklaringen dat contant zou zijn betaald aan Novi dan wel dat betaling zou zijn geschied via de financiële afdeling van [gedaagde] gecontroleerd. Deze verklaringen blijken niet te kloppen. [gedaagde] moet het er dan ook voor houden dat voor een groot aantal van de gedane privébestellingen of niet is betaald, of dat de kosten voor rekening van [gedaagde] dan wel haar klanten zijn gekomen. Dit is niet alleen onrechtmatig jegens [gedaagde], maar heeft [gedaagde] ook in een precaire positie gebracht ten opzichte van haar klanten en Novi. Zij hebben immers mogelijk betaald voor deze privébestellingen.

[gedaagde] is voorts van mening dat het ontslag op staande voet wel onverwijld is gegeven. Vanaf het moment van op non-actiefstelling tot het ontslag op staande voet heeft zij zich eerst een volledig beeld willen vormen. Daartoe was noodzakelijk dat ook [betrokkene 2] en [betrokkene 3] gehoord zouden worden. Daarnaast moest de verklaring van [eiser] ten aanzien van betalingen nog worden geverifieerd bij de financiële afdeling en moest bezien worden of de nadere toelichting van [eiser] nog tot andere conclusies zou moeten leiden. Dit proces was eerst op 26 april 2012 volledig afgerond. De dag daarop heeft zij [eiser] geconfronteerd met de uitkomst van het onderzoek en hem vervolgens op staande voet ontslagen.

3.7. [gedaagde] is dan ook van mening dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Van wedertewerkstelling kan onder de gegeven omstandigheden geen sprake zijn. Ook al zou in een bodemprocedure komen vast te staan dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, dan nog is er sprake van een onherstelbare vertrouwensbreuk die maakt dat terugkeer niet mogelijk is. Voor zover de kantonrechter van oordeel zou zijn dat een of meerdere vorderingen van [eiser] moeten worden toegewezen, meent [gedaagde] dat de loonvordering moet worden gematigd. De wettelijke verhoging zou moeten worden gematigd tot nihil, althans tot een door de kantonrechter te bepalen bedrag.

4. De beoordeling

4.1. Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vordering.

4.2. In deze procedure moet worden beoordeeld of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevraagde voorziening gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kort gedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten noch is er plaats voor nadere bewijsvoering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De kantonrechter baseert de beslissing daarom op stellingen die erkend of niet (voldoende) weersproken zijn of die anderszins aannemelijk zijn geworden.

4.3. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is vast komen te staan dat binnen [gedaagde] geen geschreven gedragsregels bestaan voor het doen van privéaankopen bij buitenlandse relaties van [gedaagde]. Tussen partijen staat echter wel vast dat er (ongeschreven) regels zijn ten aanzien van privéaankopen bij relaties van [gedaagde] binnen Nederland. Deze regels komen erop neer dat bestellingen aldaar, onder voorwaarden, zijn toegestaan en dat deze bestellingen volgens bepaalde procedureregels van het bedrijfsterrein kunnen worden meegenomen. Daarnaast moet het voor iedere werknemer van [gedaagde] duidelijk zijn dat het niet is toegestaan om privébestellingen te doen, waarbij de kosten ervan voor rekening van [gedaagde] en/of haar klanten komen of die niet op een transparante manier worden afgewikkeld. Dit volgt (onder meer) uit de eisen van goed werknemerschap (art. 7:611 Burgerlijk Wetboek).

4.4. Uit de hiervoor weergegeven e-mailberichten blijkt dat [eiser] zelf tweemaal een bestelling voor privédoeleinden bij een buitenlandse relatie van [gedaagde] heeft gedaan of heeft laten doen, namelijk voor een tuintafel en voor een keukenblad. Verder blijkt dat hij op de hoogte was van enkele privébestellingen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2]. Uit de e-mailberichten blijkt niet hoe de betaling van de bestellingen geregeld was.

4.5. [gedaagde] heeft aangevoerd dat er hetzij niet is betaald, indien [betrokkene 1] de zaken voor niets aan [eiser] geleverd zou hebben, hetzij dat [eiser] aan de verkeerde heeft betaald, namelijk als hij aan [betrokkene 1] betaalde die het geld dan in zijn eigen zak stak, hetzij dat er door de verkeerde zou zijn betaald, namelijk door [gedaagde] of haar klanten indien de kosten op orders zijn bijgeschreven. In reactie hierop heeft [eiser] toegelicht dat de privébestellingen altijd contant of via de financiële afdeling van [gedaagde] werden afgerekend en dat hij nooit door iemand is aangesproken, omdat betalingen niet zouden zijn gedaan. Dat laatste heeft [gedaagde] niet ontkend. Zij heeft echter navraag gedaan bij haar financiële afdeling en daar was de werkwijze zoals [eiser] die beschrijft niet bekend. Verder heeft zij van Novi bericht ontvangen inhoudend (vertaald) dat daar op de boekhoudafdeling (kas) geen schriftelijk bewijs is gevonden met betrekking tot eventuele betalingen van medewerkers van [gedaagde].

4.6. Van belang is dat [eiser] als leidinggevende een voorbeeldfunctie heeft. Om die reden moet juist hij de regels zorgvuldig in acht nemen. Daarbij past niet dat hij privébestellingen doet of laat doen, zonder transparant te zijn over de (financiële) afwikkeling ervan. Daarnaast is het de taak van [eiser] te bewaken dat de medewerkers die op zijn afdeling werken zich aan de regels houden. Dat betekent dat van hem verwacht mag worden dat hij kennis neemt van e-mailberichten die hem in kopie worden toegezonden en dat hij navraag of zonodig onderzoek doet om er zeker van te zijn dat zaken correct worden afgehandeld zodat de reputatie van [gedaagde] niet in het geding komt. Een zin als “please can you divide the costs over some projects” had hem moeten alarmeren. Ook een zinnetje als “only [eiser] and I know it for those two things”, dat minst genomen de indruk wekt dat er iets te verbergen valt, zou bij hem vraagtekens moeten oproepen. Dat is echter niet gebeurd. [eiser] heeft geen onderzoek gedaan naar daadwerkelijke betaling van bestelde materialen. Hij heeft ook geen betalingsbewijzen gevraagd. Uit de verklaring van Novi blijkt in ieder geval dat zij er niet over beschikt. [eiser] heeft het dus gewoon “laten gebeuren”. [eiser] heeft tijdens het verhoor door [firma] zelfs verklaard dat hij niet al zijn e-mails nauwkeurig bekijkt. Hierdoor heeft hij eraan bijgedragen dat binnen het bedrijf een sfeer kon ontstaan waarin privébestellingen die niet op een transparante manier worden afgewikkeld, als normaal werden beschouwd.

4.7. Gelet op al het voorgaande kan in het kader van deze procedure niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dat het inroepen van de nietigheid van het ontslag op staande voet in een eventuele bodemprocedure stand zal houden. Daarom wordt de vordering van [eiser] afgewezen. [eiser] heeft ook geen belang bij wedertewerkstelling omdat bij beschikking van heden de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst, voor zover nog vereist, per 1 augustus 2012 wordt uitgesproken op grond van een verandering van omstandigheden die is gelegen in een verstoorde arbeidsverhouding.

4.8. [eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde] begroot op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. A.E.M. Overkamp en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2012