Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX0638

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
06-07-2012
Zaaknummer
202369
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN BP1097 en BQ0670. Verkeersongeval.

Na deskundigenbericht over de botspositie van de auto van verzekerde oordeelt de rechtbank dat het voorshands geleverde bewijs, dat verzekerde ten tijde van de aanrijding op de eigen weghelft reed, onvoldoende is ontkracht. Verklaring voor recht dat gedaagde aansprakelijk is gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 202369 / HA ZA 10-1259

Vonnis van 27 juni 2012

in de zaak van

naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.J. Schoonen te Apeldoorn,

tegen

[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J. van Rhijn te Alkmaar.

Partijen zullen hierna Achmea en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 maart 2011

- het deskundigenbericht van 10 januari 2012

- de conclusie na deskundigenbericht van Achmea

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie en reconventie

2.1. De rechtbank blijft bij hetgeen is overwogen in de tussenvonnissen van 22 december 2010 en 23 maart 2011.

2.2. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 22 december 2010 onder 4.5 overwogen dat op Achmea de bewijslast rust van de stelling dat [betrokkene 1] op haar eigen rijbaan reed, alsmede onder 4.6 dat op [gedaagde] de bewijslast rust van de stelling dat [betrokkene 1] een verkeersfout heeft gemaakt. Voorts heeft de rechtbank onder 4.21 overwogen dat voorshands aannemelijk is dat [betrokkene 1] op het moment van de aanrijding op haar eigen weghelft reed. Vervolgens is onder 4.22 overwogen dat een deskundige zal worden benoemd. Bij tussenvonnis van 23 maart 2011 is de heer ing. [betrokkene 4] van Ongevallen Analyse Nederland te ’s-Hertogenbosch als deskundige benoemd ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Is de botspositie van de Hyundai ten opzichte van de weg-as achteraf nog vast te stellen, althans is daaromtrent meer duidelijkheid te verkrijgen?

2. Zo, ja wat is de botspositie van de Hyundai geweest?

3. Welke posities van de Hyundai voorafgaand aan de botsing kunnen daaruit afgeleid worden?

4. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

2.3. De deskundige heeft in zijn rapport van 10 januari 2012 onderzoek gedaan en antwoord gegeven op de bovengenoemde vragen. Hij heeft zich bij zijn onderzoek gebaseerd op het procesdossier, alsmede op nader opgevraagde rapportages van Meuwissen en Bosscha, het door de politie opgemaakte VOA proces-verbaal, en alle overige beschikbare foto’s. Aan de hand van de sporen, schadebeelden en eindposities van de voertuigen heeft hij getracht de toedracht van de botsing te herleiden. Daarbij is hij uitgegaan van de door de politie vastgestelde eindposities van de voertuigen. Hij heeft voorts de door de politie, Meuwissen en Bosscha aan de hand van de schadebeelden vastgestelde verschillende wijzen waarop de voertuigen tegen elkaar zijn gebotst (de botsconfiguraties) geanalyseerd. Volgens hem is de door Meuwissen gehanteerde botsoverlap (de mate waarin de voorzijden van de voertuigen elkaar hebben geraakt) de minimale overlap. Daarnaast is de door Bosscha voorgestelde hoek waaronder de voertuigen elkaar geraakt hebben volgens hem een reëel maximum.

2.4. Vervolgens heeft hij de reële grenzen van de botsconfiguratie vastgelegd. Daaropvolgend heeft de deskundige de precieze knik in de schakelstang van de Honda bepaald om in samenhang met het door de schakelstang veroorzaakte krasspoor op het wegdek de botsbeweging van de voertuigen te herleiden. Ten slotte heeft hij de mogelijke botsposities vastgesteld. In figuur 3 (op blz. 11 van het rapport) heeft hij het voor [gedaagde] meest gunstige scenario weergegeven. De Honda staat daarin parallel aan de weg-as opgesteld en de Hyundai bevindt zich met de voorzijde geheel op de eigen weghelft en met de linker achterzijde een klein stuk (ongeveer een bandbreedte) over de weg-as en dus op de andere weghelft. In figuur 4 (blz. 12 van het rapport) heeft de deskundige het voor Achmea meest gunstige scenario aangegeven. Daarin staat de Honda met de voorzijde enigszins naar de buitenbocht gericht en bevindt zich de Hyundai geheel op de eigen weghelft met de voorzijde enigszins gericht naar de binnenbocht. Wat betreft de mogelijke banen van de Hyundai heeft hij aangegeven dat gelet op spreiding van de botsposities geen eenduidige conclusie langs puur technische weg getrokken kan worden.

2.5. Voorts heeft de deskundige nog een aantal overige opmerkingen gemaakt. De deskundige onderschrijft de redenering van Bosscha, dat [gedaagde] ten minste 3 tot 4 seconden voor de botsing moet hebben waargenomen dat de Hyundai zich op de verkeerde weghelft bevond om de door hem beschreven manoeuvre te kunnen verklaren, niet. Volgens hem is het in geval van een abrupte c.q. reflexmatige (paniek)manoeuvre wel mogelijk, ondanks de situering van de bocht, om de positie van de Hyundai ten opzichte van de weg-as waar te nemen. Voorts merkt hij op dat de lezing van [gedaagde], waarin deze ten tijde van de botsing nagenoeg parallel aan de weg-as moet hebben gereden, impliceert dat [gedaagde] na het uitwijken (naar links) ook weer naar rechts heeft gestuurd. Dit weer naar rechts sturen zou enige tijd voor de botsing moeten zijn ingezet. Uit het blauwe model in figuur 3 leidt de deskundige af dat de Hyundai zich op dat moment rechts van de Honda bevond. Dat zou betekenen dat [gedaagde] juist in de richting van de Hyundai zou hebben gestuurd. Een dergelijke gang van zaken acht de deskundige zeer onwaarschijnlijk. Volgens hem is er in geval van uitwijken naar links (door [gedaagde]) ter voorkoming van een ongeval een veel schuinere stand (richting de buitenbocht) van de Honda te verwachten. Uit de figuren 3 en 4 blijkt dat daar geen sprake van is geweest. Onder meer om die reden acht de deskundige de lezing van [gedaagde] onwaarschijnlijk.

2.6. Voorts overweegt de deskundige dat een nadere beschouwing van figuur 4 leert dat de inrijdhoek van de Honda erg goed past bij het missen van de bocht zoals is omschreven in het VOA proces-verbaal. Daarnaast geeft hij een verklaring voor het door [betrokkene 2] omschreven lichteffect. Omdat de politie heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] kort voor de botsing heeft geremd, is het ook mogelijk dat zij in een reflex naar links heeft gestuurd. Wat betreft de botsposities van de Hyundai in figuur 5 (blz. 12 van het rapport) geeft de deskundige nog aan dat het statistisch het meest aannemelijk is dat de Hyundai min of meer rechtuit, althans de bocht volgend en volledig op de eigen weghelft in botsing is gekomen met de Honda. Daarbij geldt verder dat de Hyundai zeer dicht bij de weg-as heeft gereden en dus niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden.

2.7. Vervolgens heeft de deskundige op de eerste vraag geantwoord:

De botspositie van de Hyundai ten opzichte van de weg-as, is op basis van de beschikbare feitelijke informatie niet eenduidig vast te stellen. Het is wel mogelijk gebleken om, op basis van de beschikbare feitelijke informatie, meer duidelijkheid te verkrijgen over de mogelijke posities van dit voertuig op dat moment.

2.8. Als antwoord op de tweede vraag heeft de deskundige aangegeven dat de botspositie van de Hyundai tussen de aangegeven groen en blauw weergegeven uitersten is gelegen. Groen duidt daarbij op het voor Achmea meest gunstige scenario, blauw betreft het voor [gedaagde] meest gunstige scenario, zoals hierboven onder 2.4 omschreven.

2.9. Op de derde vraag heeft de deskundige geantwoord dat ten aanzien van de baan van de Hyundai voorafgaand aan de botsing geen eenduidige conclusies kunnen worden getrokken, althans niet langs puur technische weg. Volgens de deskundige behoort de lezing van [betrokkene 3] (Achmea/Hyundai/[betrokkene 1]) alsook die van [gedaagde] zuiver technisch gezien tot de mogelijkheden.

2.10. Op de slotvraag heeft de deskundige geantwoord:

De lezing van [betrokkene 3] behoort onvoorwaardelijk tot de mogelijkheden terwijl bij de lezing van [gedaagde] om meerdere redenen vraagtekens kunnen worden geplaatst. Alles overwegend moet het zeer waarschijnlijk worden geacht dat de Hyundai:

- zich ten tijde van de botsing volledig op de eigen weghelft bevond;

- bij nadering van de botsplaats de bocht normaal volgde maar daarbij wel zeer dicht tegen de as van de weg reed.

2.11. [gedaagde] heeft bij antwoordconclusie na deskundigenbericht diverse opmerkingen gemaakt over het deskundigenrapport. Dezelfde opmerkingen waren reeds gemaakt door Meuwissen op het conceptrapport van de deskundige. In het definitieve rapport is de deskundige uitgebreid hier op ingegaan. De opmerkingen waren voor hem geen reden om de conclusies in zijn rapport aan te passen. De rechtbank merkt op dat te verwachten valt dat het standpunt van de partij(deskundige) anders is dan dat van de door de rechtbank benoemde deskundige. Waar door [gedaagde] niet gemotiveerd wordt gesteld dat de door de rechtbank benoemde deskundige in redelijkheid niet tot zijn conclusie heeft kunnen komen, staat dit verschil in standpunten niet in de weg aan het volgen van de door de rechtbank benoemde deskundige. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de conclusies van de deskundige niet over te kunnen nemen en maakt deze dan ook tot de hare.

2.12. Ondanks dat de deskundige de redenering van Bosscha zoals die door de rechtbank in het tussenvonnis van 22 december 2010 onder 4.13 is gevolgd, niet onderschrijft, heeft hij meerdere redenen om vraagtekens bij de lezing en verklaringen van [gedaagde] te plaatsen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om haar conclusie in het tussenvonnis van 22 december 2010 onder 4.21 dat voorshands aannemelijk is dat [betrokkene 1] op het moment van de aanrijding op haar eigen weghelft reed, te herzien. [gedaagde] is vervolgens toegelaten tot tegenbewijs. De vraag is of het voorshands geleverde bewijs met het deskundigenbericht voldoende is ontkracht. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. De door [gedaagde] gestelde lezing is volgens de deskundige weliswaar puur technisch mogelijk, doch hierbij dienen om meerdere redenen vraagtekens te worden geplaatst. De rechtbank komt dan ook met de deskundige tot de conclusie dat de Hyundai zich ten tijde van de botsing volledig op de eigen weghelft bevond en bij nadering van de botsplaats de bocht normaal volgde maar daarbij wel zeer dicht tegen de as van de weg reed.

2.13. Dit leidt ertoe dat Achmea in conventie in het bewijs van de stelling dat [betrokkene 1] op haar eigen weghelft reed is geslaagd, alsmede dat [gedaagde] in reconventie in het bewijs van de stelling dat [betrokkene 1] een verkeersfout heeft gemaakt, door niet zoveel mogelijk rechts te houden en/of hem te hinderen op zijn rijstrook, niet is geslaagd. Het enkele feit dat [betrokkene 1] omdat zij op haar eigen weghelft reed dicht tegen de weg-as aan, wellicht meer naar rechts had kunnen rijden, betekent nog niet dat zij in strijd met een veiligheidsnorm (artikel 3 lid 1 RVV) handelde, nu [gedaagde] door dit rijgedrag op zich niet gehinderd werd. Gesteld noch gebleken is immers dat hij niet onbelemmerd doorgang op zijn eigen weghelft had.

2.14. Nu het bewijs in conventie is geleverd, betekent dit, gelet op hetgeen in het tussenvonnis van 22 december 2010 onder 4.26 en 4.27 is overwogen, dat de primair gevorderde verklaring voor recht van Achmea zal worden toegewezen. Nu het bewijs in reconventie niet is geleverd, betekent dit dat de vordering van [gedaagde] wordt afgewezen.

2.15. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op:

- dagvaarding € 87,93

- griffierecht 263,00

- deskundigen 0,00 (door [gedaagde] voldaan)

- salaris advocaat 1.356,00 (3,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.706,93

2.16. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op nihil.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het op 15 december 2005 omstreeks 20.04 uur op de Thornsestraat te Persingen in de gemeente Ubbergen ontstane ongeval,

3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 1.706,93,

3.3. verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de onder 3.2 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

3.4. wijst de vorderingen af,

3.5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.P.T. Blokhuis en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2012.