Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX0253

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
28-06-2012
Datum publicatie
02-08-2012
Zaaknummer
AWB 11/3634
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WBR. NSW. 2008. Verkrijging van recht van opstal op gedeelte van een NSW-landgoed valt zelf niet onder de van heffing van overdrachtsbelasting vrijgestelde verkrijgingen omdat een opstalhouder geen eigenaar is. Vrijstelling is in casu door de rechtbank toch toegekend op grond van tot medio 2011 geldend begunstigend uitvoeringsbeleid van de Belastingdienst. Dat beleid is niet door de wijziging van de NSW op 1 juni 2007 vervallen, maar pas door publicatie van een beleidsbesluit op 29 juni 2011.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 11/3634

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 28 juni 2012

inzake

[X], wonende te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Enschede, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2008 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000]) overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van € 25.753.

Bij uitspraak op bezwaar van 28 juli 2011 heeft verweerder de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 5 september 2011, ontvangen door de rechtbank op 6 september 2011, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2012 te Arnhem.

Eiseres is daar vertegenwoordigd door ir. [gemachtigde], [A], ing. [B] en [C]. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [D].

Namens eiseres is ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan zijn overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2. Feiten

Bij notariële akte van 25 april 2008 heeft eiseres met ingang van 1 maart 2008 een recht van opstal verkregen op een perceel grond ten behoeve van de boerderij [E], een stenen schuur en een houten kapschuur gelegen aan de [A-straat 1] te [Z], uitmakende een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente Angerlo, sectie [F], groot 28.35 are.

In de overdrachtsakte is een beroep gedaan op toepassing van artikel 9a van de Natuurschoonwet 1928 (hierna: de NSW), zodat geen overdrachtsbelasting is voldaan.

Het perceel grond waarop het recht van opstal is gevestigd is eigendom van [G] B.V. te [Z] en maakt onderdeel uit van het landgoed [H], welk landgoed bij beschikking van 14 februari 2006 van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Financiën als landgoed onder de NSW is gerangschikt.

3. Geschil

In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting terecht aan eiseres heeft opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of verweerder eiseres op grond van artikel 9a van de NSW dan wel op grond van gevoerd beleid in aanmerking had moeten laten komen voor vrijstelling van overdrachtsbelasting over de verkrijging van het recht van opstal op een perceel grond, dat onderdeel uitmaakt van een onder de NSW gerangschikt landgoed.

Eiseres heeft primair gesteld dat de onroerende zaken die zij bij de vestiging van het recht van opstal in eigendom heeft verkregen, als (onderdeel van) een landgoed in de zin van de NSW kwalificeren, zodat zij voor vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 9a van de NSW in aanmerking komen.

Subsidiair heeft eiseres gesteld dat zij op grond van het door verweerder tot 8 juli 2011 gevoerde beleid als verkrijger van een recht van opstal kan “meeliften” op de rangschikking van het perceel waarop het opstalrecht is gevestigd als NSW-landgoed en delen in de NSW-faciliteiten van de eigenaar van het perceel, zoals de vrijstelling van overdrachtsbelasting.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres als verkrijger van een recht van opstal geen eigenaar is in de zin van de NSW, zodat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 9a van de NSW.

Verder heeft verweerder gesteld dat eiseres ook niet op grond van beleid voor vrijstelling van overdrachtsbelasting in aanmerking komt. Eiseres heeft het onderhavige recht van opstal verkregen nadat een einde is gekomen aan het beleid op grond waarvan de houder van een recht van opstal, die geen eigenaar is in de zin van de NSW, mede in aanmerking komt voor de faciliteiten van de NSW.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd.

4. Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder a, van de NSW wordt onder landgoed verstaan: een in Nederland gelegen, geheel of gedeeltelijk met natuurterreinen, bossen of andere houtopstanden bezette onroerende zaak – daaronder begrepen die waarop een buitenplaats of andere, bij het karakter van het landgoed passende opstallen voorkomen – voor zover het blijven voortbestaan van die onroerende zaak in zijn karakteristieke verschijningsvorm voor het behoud van het natuurschoon wenselijk is.

Ingevolge dit artikellid, onder b, wordt onder eigenaar verstaan:

1?. de eigenaar van een onroerende zaak die niet is bezwaard met het beperkt recht van vruchtgebruik of, behoudens in gevallen als bedoeld in het derde lid, dat van erfpacht;

2?. de vruchtgebruiker of, behoudens in gevallen als bedoeld in het derde lid, de erfpachter.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld inzake de voorwaarden waaraan een onroerende zaak moet voldoen om te kunnen worden aangemerkt als een landgoed en is opgenomen wat die voorwaarden betreffen.

Ingevolge artikel 9a van de NSW is ter zake van de verkrijging van een landgoed geen overdrachtsbelasting verschuldigd.

In artikel 2, eerste lid, van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928 (hierna: het Besluit) is bepaald dat een onroerende zaak, om als landgoed te kunnen worden aangemerkt, aan de volgende voorwaarden dient te voldoen:

a. de oppervlakte van de onroerende zaak bedraagt ten minste 5 hectare;

b. terreinen en wateren behorende tot de onroerende zaak vormen een aaneengesloten gebied;

c. de oppervlakte van de onroerende zaak is voor tenminste 30 percent bezet met houtopstanden of natuurterreinen en

d. het soort gebruik dat van de onroerende zaak wordt gemaakt, maakt geen inbreuk op het natuurschoon.

natuurschoon.

Vrijstelling op grond van artikel 9a van de NSW

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet voldoet aan de in de NSW gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor vrijstelling van overdrachtsbelasting op grond van artikel 9a van de NSW. Eiseres heeft met de vestiging van een recht van opstal op het onderhavige perceel grond namelijk niet een landgoed in de zin van de NSW verkregen, zodat eiseres niet als verkrijger van een landgoed als bedoeld in artikel 9a van de NSW kan worden aangemerkt. Het perceel grond waarop eiseres een recht van opstal heeft verkregen maakt weliswaar onderdeel uit van een perceel grond dat als landgoed onder de NSW is gerangschikt, maar is door eiseres niet in eigendom verkregen. Eiseres is als houder van een recht van opstal, gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid, onder b, van de NSW, ook geen eigenaar in de zin van de NSW. Afgezien daarvan kan het perceel grond ook niet zelfstandig als landgoed in de zin van de NSW worden aangemerkt, omdat het betreffende perceel, 28.35 are groot, niet aan de daarvoor ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit vereiste minimale oppervlakte van 5 hectare voldoet.

Vrijstelling op grond van beleid

De rechtbank stelt vast dat in de brieven van de Staatssecretaris van Financiën van 26 februari 1999 en 4 maart 1999 aan de Federatie Particulier Grondbezit alsmede in de wetsgeschiedenis van de NSW (TK, 2000-2001, 27 030, nr. 6, blz. 16) melding wordt gemaakt van beleid inhoudende dat de houder van een recht van opstal, die geen eigenaar is in de zin van de NSW, mede in aanmerking komt voor de faciliteiten van de NSW.

Verweerders gemachtigden hebben ter zitting verklaard dat overeenkomstig het in genoemde brieven van de Staatssecretaris van Financiën aangehaalde beleid is gehandeld, maar dat met de inwerkingtreding van de gewijzigde NSW op 1 juni 2007 een eind aan dit beleid is gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat genoemd beleid van verweerder moet worden beschouwd als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Het beleid houdt immers in dat een houder van een recht van opstal in aanmerking komt voor faciliteiten van de NSW, terwijl hij daar (zelfstandig) op grond van de NSW geen recht op heeft.

In geschil is of dit beleid met ingang van 1 juli 2007, zoals verweerder heeft gesteld, of eerst met ingang van 8 juli 2011, zoals eiseres heeft betoogd, is vervallen.

De rechtbank is van oordeel dat uit de op 1 juni 2007 gewijzigde NSW, het Besluit alsmede de wetsgeschiedenis van de NSW niet kan worden opgemaakt dat het betreffende beleid niet langer wordt gevolgd. Aan het enkele feit dat de NSW niet overeenkomstig het buitenwettelijk beleid is aangepast kan naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat dit beleid is vervallen. De positie van de houder van een recht van opstal is immers niet gewijzigd in de NSW.

De rechtbank stelt vast dat eerst uit het besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 29 juni 2011, Stcrt. 7 juli 2011, nr. 11993, blijkt dat het buitenwettelijk, begunstigend beleid voor de houder van een recht van opstal is vervallen. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat verweerder tot 8 juli 2011 gebonden moet worden geacht aan bedoeld beleid. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat blijkens de stukken het door verweerder langdurig gevoerde beleid bekend was voor de doelgroep, zodat van verweerder had mogen worden verwacht dat kenbaar zou zijn gemaakt wanneer dit beleid niet langer wordt gevolgd. Dit klemt te meer nu de Staatssecretaris van Financiën in de Nota Naar aanleiding van het Verslag van 5 oktober 2000 (TK, 2000-2001, 27 030, nr. 6, blz. 16) heeft opgemerkt voornemens te zijn het beleid met betrekking tot het recht van opstal nader te bezien. Met het uitblijven van een standpunt over de gevolgen van de gewijzigde NSW voor meergenoemd beleid heeft verweerder de verwachting gewekt dat het beleid vooralsnog wordt gehandhaafd.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiseres ten onrechte niet op grond van zijn beleid in aanmerking heeft laten komen voor vrijstelling van de overdrachtsbelasting.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

De rechtbank heeft de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting voor het jaar 2008;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 874;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 41 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzitter, mr.drs. L.B.M. Klein Tank en mr. A.I. van Amsterdam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L. van Benthem, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 28 juni 2012

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.