Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX0176

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
26-06-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
AWB 11/2496 t/m 11/2509
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De belasting zware motorrijtuigen (BZM) is vóór de aanvang van het gebruik van de autosnelweg niet op aangifte voldaan. Vrijstelling in Duitsland van Maut is niet van belang. Maut is geen gemeenschappelijk gebruiksrecht als bedoeld in het verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens. Beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de controles niet zien op BZM. Boetes van elk € 160 zijn niet in strijd met evenredigheidsbeginsel. Telefonisch verzoek is aangemerkt als bezwaarschrift. Behoorlijke taakvervulling brengt mee dat het bestuursorgaan erop wijst dat schriftelijk bezwaar moet worden gemaakt. Bij achterwege blijven, kan belastingplichtige in haar bezwaar worden ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1645
V-N 2012/45.21.27
FutD 2012-1805
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummers: AWB 11/2496 t/m 11/2509

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 26 juni 2012

inzake

[X] BV, gevestigd te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale Administratie te Apeldoorn, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres de volgende naheffingsaanslagen belasting zware motorrijtuigen (hierna: BZM) en verzuimboetes (hierna: boetes) opgelegd:

- met dagtekening 31 mei 2011 (boetebeschikkingnummer [000].Z.10002.8) een bedrag aan naheffing van

€ 8 en een boete van € 246;

- met dagtekening 31 mei 2011 (boetebeschikkingnummer [000].Z.10003.8) een bedrag aan naheffing van

€ 8 en een boete van € 246;

- met dagtekening 31 mei 2011 (boetebeschikkingnummer [000].Z.10004.8) een bedrag aan naheffing van

€ 8 en een boete van € 246;

- met dagtekening 31 mei 2011 (boetebeschikkingnummer [000].Z.10005.8) een bedrag aan naheffing van

€ 8 en een boete van € 246;

- met dagtekening 31 mei 2011 (boetebeschikkingnummer [000].Z.10006.8) een bedrag aan naheffing van

€ 8 en een boete van € 246;

- met dagtekening 31 mei 2011 (boetebeschikkingnummer [000].Z.10007.8) een bedrag aan naheffing van

€ 8 en een boete van € 246;

- met dagtekening 31 mei 2011 (boetebeschikkingnummer [000].Z.10008.8) een bedrag aan naheffing van

€ 8 en een boete van € 246;

- met dagtekening 31 mei 2011 (boetebeschikkingnummer [000].Z.10009.8) een bedrag aan naheffing van

€ 8 en een boete van € 246;

- met dagtekening 31 mei 2011 (boetebeschikkingnummer [000].Z.10010.8) een bedrag aan naheffing van

€ 8 en een boete van € 246;

- met dagtekening 31 mei 2011 (boetebeschikkingnummer [000].Z.10011.8) een bedrag aan naheffing van

€ 8 en een boete van € 246;

- met dagtekening 31 mei 2011 (boetebeschikkingnummer [000].Z.10012.8) een bedrag aan naheffing van

€ 8 en een boete van € 246;

- met dagtekening 31 mei 2011 (boetebeschikkingnummer [000].Z.10013.8) een bedrag aan naheffing van

€ 8 en een boete van € 246;

- met dagtekening 31 mei 2011 (boetebeschikkingnummer [000].Z.10014.8) een bedrag aan naheffing van

€ 8 en een boete van € 246;

- met dagtekening 31 mei 2011 (boetebeschikkingnummer [000].Z.10015.8) een bedrag aan naheffing van

€ 8 en een boete van € 246.

Eiseres heeft op 7 juni 2011 telefonisch verzocht om informatie en bewijsstukken (foto’s) inzake de aan haar opgelegde naheffingsaanslagen.

Verweerder heeft dit verzoek aangemerkt als bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen. Bij uitspraken op bezwaar van 4 juli 2011 heeft verweerder de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd. Tegelijkertijd heeft verweerder de door eiseres gevraagde foto’s overgelegd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 27 juni 2011, ontvangen door de rechtbank op 29 juni 2011, beroep ingesteld.

Eiseres heeft bij brieven van 30 juni 2011, ontvangen door verweerder op 1 juli 2011, bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen met de nummers [000].Z.10002.8 tot en met [000].Z.10009.8.

Op 17 augustus 2011 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 30 augustus 2011 de naheffingsaanslagen gehandhaafd. De boetebeschikkingen zijn door verweerder verminderd tot elk € 160.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2012 te Arnhem. Namens eiseres is daar verschenen [gemachtigde], tot bijstand vergezeld van zijn echtgenote [A]. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde].

2. Feiten

De activiteiten van eiseres bestaan onder meer uit het transport van (kippen-)mest vanuit Nederland naar Duitsland.

Eiseres heeft in de periode van 12 maart 2011 tot en met 30 maart 2011 met verschillende vrachtauto's, waarvan eiseres op dat moment volgens de kentekenregistratie houder was, in Nederland gebruik gemaakt van de autosnelweg en wel over een lengte van ongeveer één kilometer. Eiseres heeft niet vóór de aanvang van het gebruik van de autosnelweg de BZM op aangifte voldaan.

In verband daarmee zijn aan eiseres voormelde naheffingsaanslagen opgelegd. Tegelijkertijd zijn op de voet van artikel 13 van de Wet belasting zware motorrijtuigen (hierna: Wet BZM) in verbinding met paragraaf 36 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) boetes aan eiseres opgelegd van elk € 246 wegens het niet betalen van de verschuldigde belasting.

3. Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslagen en de boetes terecht aan eiseres zijn opgelegd.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrachtauto’s waarvan eiseres de houder is, voldoen aan de definitie van een zwaar motorrijtuig als bedoeld in artikel 3, letter a, van de Wet BZM.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf

Verweerder heeft het telefonisch verzoek van eiseres op 7 juni 2011 om informatie en bewijsstukken aangemerkt als bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 4 juli 2011 de bezwaren van eiseres tegen de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen ongegrond verklaard. De rechtbank realiseert zich dat op grond van artikel 6:4, lid 1, van de Awb, het maken van bezwaar slechts langs schriftelijke weg kan geschieden, welke eis ertoe bijdraagt bewijsrechtelijke discussies te vermijden (HR 26 maart 2010, nr. 09/01089, LJN BL8875, BNB 2010/180). Een behoorlijke taakvervulling brengt in beginsel mee dat het bestuursorgaan de belastingplichtige erop wijst dat het nodig is dat schriftelijk bezwaar wordt gemaakt. Aangezien dit laatste niet is gebeurd, kon eiseres – zoals ook daadwerkelijk is gebeurd – in haar bezwaar worden ontvangen.

Tussen partijen is terecht niet in geschil dat verweerder op 4 juli 2011 uitspraken op bezwaar heeft gedaan. Eiseres heeft bij brieven van 30 juni 2011 bezwaar gemaakt, waarop verweerder op 30 augustus 2011 een tweede reeks uitspraken op bezwaar heeft gedaan. In het arrest van 20 januari 2012, nr. 10/02678, LJN: BT1516, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, meebrengen dat met het doen van uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt, hetgeen betekent dat een nadere beslissing die de inspecteur - zonder tussenkomst van de rechter - neemt met betrekking tot de belastingaanslag waartegen bezwaar is gemaakt, niet is aan te merken als een beslissing waartegen op grond van artikel 7:1, lid 2, van de Awb beroep kan worden ingesteld. Dit arrest betekent naar het oordeel van de rechtbank voor het onderhavige geval dat uitsluitend beroep kan worden ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van 4 juli 2011 en brengt mee dat verweerder op grond van artikel 6:15, lid 2, van de Awb, de brieven van 30 juni 2011 als (een aanvulling op de) beroepschriften had moeten doorzenden naar de rechtbank.

Naheffingsaanslagen

Ingevolge artikel 2 van de Wet BZM wordt – voor zover van belang – in Nederland BZM geheven ter zake van het gebruik van de autosnelweg met een zwaar motorrijtuig.

Ingevolge artikel 11, leden 1 en 2, van de Wet BZM moet de belasting op aangifte worden voldaan en moet de belasting, in afwijking van artikel 19 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), worden betaald vóór de aanvang van het gebruik van de autosnelweg.

Op grond van artikel 20, lid 1, van de Wet BZM, blijft heffing in Nederland achterwege voor zover het gemeenschappelijke gebruiksrecht, als bedoeld in het op 9 februari 1994 tot stand gekomen verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens (hierna: het verdrag), buiten Nederland is voldaan vóór aanvang van het gebruik van de autosnelweg in Nederland.

Vaststaat dat met de vrachtauto’s in Nederland gebruik van de autosnelweg is gemaakt. Hierdoor is aan het belastbaar feit, zoals dat is opgenomen in artikel 2 van de Wet BZM, voldaan en is dientengevolge BZM verschuldigd. Hieraan doet niet af dat, zoals eiseres stelt, de foto’s van de kentekenplaten van bedoelde vrachtauto’s die door verweerder zijn overgelegd, door camera’s zijn gemaakt die ter hoogte van de grensovergang hangen, maar gericht zijn op de Duitse autosnelweg.

Het betoog van eiseres dat zij de BZM niet op aangifte heeft kunnen voldoen, faalt omdat dit niet aannemelijk is gemaakt. De rechtbank merkt nog op dat aangifte, naast via internet, mogelijk was bij een tankstation in de buurt van de door de vrachtauto’s gebruikte afslag van de autosnelweg.

Eiseres verwijst verder nog naar de volgens haar geldende vrijstelling in Duitsland van Maut voor het eerste gedeelte van de Duitse autosnelweg vanaf de grens. Dit betoog faalt reeds omdat in het onderhavige geval de Nederlandse wet – in casu de Wet BZM – dient te worden getoetst. Hierbij merkt de rechtbank nog op dat de vrijstelling van artikel 20, lid 1, van de Wet BZM niet van toepassing is omdat Duitsland in het onderhavige jaar geen gemeenschappelijk gebruiksrecht als bedoeld in het verdrag heft. Maut – door Duitsland ingevoerd per 1 september 2003 – is geen gemeenschappelijk gebruiksrecht als bedoeld in het verdrag.

Eiseres betoogt verder dat bij controles aan de grens nooit een opmerking is gemaakt over de verschuldigdheid van BZM. Dit beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet omdat eiseres, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder, niet aannemelijk heeft gemaakt dat bedoelde controles (mede) zien op de verschuldigdheid van BZM.

De rechtbank merkt nog op dat geen enkele wettelijke bepaling verweerder ertoe dwingt om binnen één week ná het zich voordoen van het belastbaar feit de naheffingsaanslag op te leggen.

Boetes

Ingevolge artikel 13, lid 1, van de Wet BZM kan de inspecteur, indien wordt geconstateerd dat de verschuldigde belasting niet, niet tijdig of niet geheel is betaald, in afwijking van de artikelen 67b, 67c en 67f van de AWR, een bestuurlijke boete van ten hoogste € 4.920 opleggen aan de houder.

Paragraaf 36, lid 3, van het BBBB, bepaalt dat indien wordt geconstateerd dat de verschuldigde belasting inzake de Wet BZM niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn is betaald, dit een verzuim vormt ter zake waarvan de inspecteur een verzuimboete kan opleggen van 5 procent van het wettelijk maximum van artikel 13 van de Wet BZM (€ 246).

Eiseres stelt dat de verhouding tussen de hoogte van de naheffingsaanslagen en de hoogte van de boetes onevenredig is.

Voor het opleggen van de onderhavige boetes is niet vereist dat sprake is van schuld of opzet bij eiseres. De enkele constatering van het verzuim om de verschuldigde belasting te betalen, is voldoende. Dat is slechts anders indien sprake is van een pleitbaar standpunt of bij afwezigheid van alle schuld (paragraaf 4 van het BBBB). Naar het oordeel van de rechtbank is van beide gevallen geen sprake. Eiseres mag als transportondernemer bekend worden verondersteld met (het systeem van heffing van) de BZM. Desondanks heeft zij verzuimd de verschuldigde belasting op aangifte te voldoen. Dat, zoals eiseres stelt, de verschuldigde BZM niet op aangifte kon worden voldaan, is – zoals hiervoor is overwogen – niet aannemelijk geworden. De boetes zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht aan eiseres opgelegd.

De rechtbank zal evenwel moeten beoordelen of de boetes passend en geboden zijn en of sprake is van omstandigheden die dienen te leiden tot matiging van de boetes.

Gelet op de expliciete keuze van de wetgever voor een gering tarief per dag en de mogelijkheid om per dag te betalen, is een relatief hoge boete gerechtvaardigd om nakoming af te dwingen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van boetes van € 246 per verzuim en na (ambtshalve) vermindering door verweerder van de boete-beschikkingen met de nummers [000].Z.10002.8 tot en met [000].Z.10009.8 tot € 160 per verzuim, niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Tengevolge hiervan dienen naar het oordeel van de rechtbank de boetebeschikkingen met de nummers [000].Z.10010.8 tot en met [000].Z.10015.8 ook te worden verminderd tot € 160 per verzuim.

Aan het voorgaande doet niet af dat de boetes ná twee maanden na het belastbaar feit zijn opgelegd. BZM is een belasting die eiseres op eigen initiatief dient aan te geven en te betalen. Er is geen enkele wettelijke bepaling die verweerder ertoe dwingt om binnen één week ná het zich voordoen van het belastbaar feit de boete op te leggen.

Eiseres heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven om de boetes te matigen. De rechtbank acht boetes van elk € 160 passend en geboden.

Slotsom

Gelet op het voorgaande dienen de beroepen tegen de naheffingsaanslagen ongegrond te worden verklaard. De beroepen tegen de boetebeschikkingen moeten gegrond worden verklaard en de boetes worden verminderd tot elk € 160.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of gebleken dat eiseres kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen inzake de naheffingsaanslagen ongegrond;

- verklaart de beroepen inzake de boetebeschikkingen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de boetebeschikkingen;

- vermindert de boetebeschikkingen tot elk € 160;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 302 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. M.C.G.J. van Well en mr. P.J. Tikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 26 juni 2012

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.