Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX0131

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
206472
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BQ 3097.

Na bewijslevering oordeelt de rechtbank dat tussen partijen is overeengekomen dat eiseres nadere werkzaamheden zou verrichten voor Landgoed Rhederhof, dat op de eerdere overeenkomst zou worden voortgeborduurd en dat op de nadere overeenkomst dus dezelfde voorwaarden en tarieven van toepassing zouden zijn als op de eerste opdracht. Vordering tot betaling facturen toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 206472 / HA ZA 10-1977

Vonnis van 13 juni 2012

in de zaak van

[eiseres]

eiseres,

advocaat mr. T.J.C. Bueters te Wijchen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LANDGOED RHEDERHOF B.V.,

gevestigd te Laren,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BC PROJECT B.V.,

gevestigd te Laren,

gedaagden,

advocaat mr. F.J.M. Kobossen te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Rhederhof en BC genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 8 juni 2011

- de akte houdende overleggen producties van [eiseres] van 5 oktober 2011

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 oktober 2011

- het proces-verbaal van tegenverhoor van 17 februari 2012

- de conclusie na getuigenverhoor van [eiseres]

- de antwoordconclusie na getuigenverhoor van Rhederhof en BC.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. In hun antwoordconclusie na getuigenverhoor verzoeken Rhederhof en BC de rechtbank terug te komen van enkele door de rechtbank in het tussenvonnis van 20 april 2011 genomen beslissingen. In de eerste plaats zou de rechtbank ten onrechte hebben geoordeeld dat Rhederhof en BC hoofdelijk aansprakelijk zijn voor betaling van een bedrag van € 8.094,00 (het restant van de facturen van 4 mei 2010), omdat [eiseres] op

23 september 2011 in een andere zaak onder ede heeft verklaard, kort gezegd, dat zij nimmer met Rhederhof heeft gecontracteerd. De vordering tegen Rhederhof dient daarom alsnog te worden afgewezen. In de tweede plaats zou de rechtbank ten onrechte ervan uit zijn gegaan dat de contractsduur liep van 8 februari 2010 tot en met 14 mei 2010. Dit volgt volgens Rhederhof en BC uit een nadere beschouwing van het contract in relatie tot de afgelegde getuigenverklaringen en de in het geding gebrachte stukken. Het ligt aldus in de rede dat de rechtbank (deels) van de overwegingen uit het tussenvonnis van 20 april 2011 terugkomt.

2.2. De beslissingen van de rechtbank in het tussenvonnis van 20 april 2011 met betrekking tot de hiervoor genoemde punten zijn aan te merken als eindbeslissingen, omdat uit de door de rechtbank gekozen bewoordingen blijkt dat de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist. De leer van de bindende eindbeslissing houdt in dat de rechter in beginsel in dezelfde instantie niet meer kan terugkomen van door hem gegeven eindbeslissingen. De eisen van een goede procesorde brengen echter mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (Hoge Raad 25 april 2008, LJN: BC2800).

2.3. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om terug te komen van de eindbeslissing dat Rhederhof en BC hoofdelijk aansprakelijk zijn voor betaling van een bedrag van € 8.094,00. Immers, wat er verder inhoudelijk ook zij van de op 23 september 2011 door [eiseres] onder ede afgelegde verklaring, deze doet niets af aan hetgeen onder rechtsoverweging 4.8 van het tussenvonnis van 20 april 2011 is overwogen:

[eiseres] stelt dat zowel BC als Rhederhof gehouden zijn tot nakoming van de overeenkomst. De overeenkomst is gesloten met BC en Rhederhof is op grond van schuldoverneming naast BC aansprakelijk voor betaling. Volgens haar is BC aansprakelijk gebleven omdat [eiseres] niet heeft ingestemd met schuldoverneming door Rhederhof in plaats van BC. Nu Rhederhof en BC dit standpunt niet bestrijden, zijn zij beiden hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van het toe te wijzen bedrag.

2.4. Wat betreft de beslissing over de contractsduur overweegt de rechtbank het volgende. Het is gelet op de hiervoor onder 2.2 weergegeven rechtspraak nog steeds zo dat de rechter bevoegd is aan een verzoek terug te komen van een bindende eindbeslissing voorbij te gaan, indien dat verzoek is gestoeld op feiten en stellingen die reeds eerder in de procedure ter kennis van de rechtbank en de wederpartij zijn gebracht of, gelet op het partijdebat, ter kennis van de rechtbank en de wederpartij hadden moeten zijn gebracht (Hof Arnhem 6 april 2010, LJN: BM 1182).

2.5. In het onderhavige geval motiveren Rhederhof en BC hun stelling dat het uitgangspunt van de rechtbank, dat de contractsduur liep van 8 februari 2010 tot en met 14 mei 2010, geen stand kan houden aan de hand van een nadere beschouwing van (de inhoud van) de overeenkomst en de daarin opgenomen contractsperiode in relatie tot de facturering door [eiseres] (onder het kopje ‘Overeenkomst en contractsperiode in relatie tot facturering’ van de antwoordconclusie na getuigenverhoor). Naar het oordeel van de rechtbank valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat Rhederhof en BC deze nadere beschouwing niet veel eerder in het geding hadden kunnen (en dus moeten) doen, nu het een centrale kwestie van het partijdebat was. Dat de afgelegde getuigenverklaringen hierin een belangrijke rol hebben gespeeld en dat bedoelde beschouwing dus niet eerder had kunnen plaatsvinden, vermag de rechtbank niet in te zien, nu de getuigen zijn gehoord ter uitvoering van een bewijsopdracht aan de zijde van [eiseres] met betrekking tot een geheel andere kwestie, te weten de vraag of partijen zijn overeengekomen dat [eiseres] nadere werkzaamheden zou verrichten ten behoeve van Landgoed Rhederhof en wat de verdere inhoud van de overeenkomst is (zie hiervoor rechtsoverweging 2.7 e.v.). De getuigen verklaren inhoudelijk ook niets over de oorspronkelijke overeenkomst en de daarin opgenomen contractsperiode in relatie tot de facturering door [eiseres]. Een en ander leidt tot de conclusie dat er voor een heroverweging op dit onderdeel geen plaats is.

2.6. Gebleven wordt derhalve bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenvonnissen van 20 april en 8 juni 2011.

2.7. In het tussenvonnis van 8 juni 2011 is [eiseres] opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt dat tussen partijen is overeengekomen dat [eiseres] nadere werkzaamheden zou verrichten ten behoeve van Landgoed Rhederhof en wat de verdere inhoud van de overeenkomst is.

2.8. Ter uitvoering van deze bewijsopdracht heeft [eiseres] bij akte van 5 oktober 2011 verschillende bewijsstukken in het geding gebracht, bestaande uit e-mailberichten (producties 12 tot en met 18 en 20) en een overzicht van de diverse besprekingen tussen [eiseres] en de heer [ ] [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), directeur van Rhederhof en BC, en de volgens [eiseres] tijdens die besprekingen gemaakte afspraken (productie 19). Voorts heeft [eiseres] zichzelf als getuige doen horen, alsmede mevrouw [ ] [getuige 2] (hierna: [getuige 2]). In contra-enquête hebben Rhederhof en BC als getuigen doen horen de heren [getuige 1] en [getuige 3] (hierna: [getuige 3]).

2.9. De verklaring van [eiseres] moet als een partijgetuigenverklaring worden beschouwd (HR 22 december 1995, NJ 1997, 22 en 23) en is daarom onderworpen aan de beperking van artikel 164 lid 2 Rv. Volgens dit artikel kan de verklaring van een partijgetuige omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Volgens vaste jurisprudentie is hiervan alleen sprake indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, NJ 1997, 592). De verklaring van [eiseres] kan op grond van het voorgaande dus geen bewijs in het voordeel van [eiseres] opleveren, tenzij de verklaring een aanvulling vormt op onvolledig bewijs. Aangezien op Rhederhof en BC niet de bewijslast rust, is de verklaring van hun directeur [getuige 1] niet onderworpen aan de beperking van artikel 164 lid 2 Rv (HR 7 april 2000, NJ 2001, 32).

2.10. Voor zover thans van belang hebben de diverse getuigen de volgende verklaringen afgelegd.

[eiseres]:

Het klopt dat de factuur van 26 juli 2010 betrekking heeft op extra werkzaamheden. [getuige 1] heeft hiervoor mondeling opdracht gegeven. Bij [getuige 1] was het altijd onduidelijk namens wie hij optrad. De eerdere overeenkomst is gesloten met BC Project. Voor mij was duidelijk dat deze nadere opdracht voortbouwde op deze eerdere opdracht en dat dus BC Project opdrachtgever was van de nadere opdracht.

Op woensdag 14 april 2010 is de winst behaald. Daarna is een telefonische afspraak gemaakt voor 22 april 2010. Toen ben ik naar het huis van [getuige 1] in Laren gegaan. Ik heb daar gesproken met [getuige 1] over wat er verder moest gebeuren. (…) Ik heb hem geadviseerd over hoe hij de communicatie moest aanpakken. Hij heeft mij toen gevraagd de communicatie voor de achterban te verzorgen en de informatie op de website aan te passen. Eerder had ik al een filmpje gemaakt van een aflevering. Daar had ik het stukje wat betrekking had op het Landgoed Rhederhof uitgeknipt. Dit filmpje is onder de eerdere opdracht gefactureerd. Hij vond dit filmpje erg mooi en wilde graag per aflevering zo’n filmpje. (…) Ik heb hem gewaarschuwd dat het maken van deze filmpjes veel tijd zou kosten, omdat hij niet alleen wilde dat ik er stukjes uitknipte maar dat ik ze ook monteerde. De filmpjes staan inmiddels allemaal op de website.

Een maand later ben ik weer bij [getuige 1] geweest. Ik heb hem toen uitgelegd hoe hij zelf stukjes op de website kon plaatsen. Hij vond dit echter te ingewikkeld en wilde dat ik het bleef doen. Hij vroeg mij om een offerte en die heb ik toen gemaakt en opgestuurd. Daarop heeft hij gereageerd met: denk er maar eens over na, we komen er wel uit.

De nadere overeenkomst is niet op schrift gesteld omdat alles op dat moment in goed vertrouwen ging. De band was erg goed en we waren euforisch over de winst. Op 22 april 2010 zijn mijn uurtarief en de algemene voorwaarden niet besproken. [getuige 1] wist echter op basis van de eerdere overeenkomst dat mijn normale uurtarief € 75,00 ex. btw bedroeg en wat mijn algemene voorwaarden waren. Ik heb er op vertrouwd dat ik op basis van die afspraken nadere werkzaamheden heb verricht.

U vraagt mij wie er bij waren op 22 april 2010. Mevrouw [getuige 2] was er bij en ook [getuige 3].

[getuige 2]:

Over het contact met [eiseres] na 14 april 2010 kan ik het volgende zeggen. Zij is twee keer bij ons thuis geweest. Ik weet de datum van de eerste keer niet, maar het zal ergens in mei geweest zijn omdat het na 14 april is geweest. (…) Ik weet dat ik op die ochtend met [eiseres] achter de computer heb gezeten op het kantoor van [getuige 1]. Zij heeft mij toen uitgelegd hoe je websites kunt onderhouden, maar dit bleek te moeilijk voor mij. (…) Na de computerles van [eiseres] heb ik het onderhoud van de website niet overgenomen. De website is daarna nog wel aangepast. Er zijn nog reacties op geplaatst. Ook is er informatie op geplaatst over hoe we verder aan de slag zouden gaan. Dat deed [eiseres].

[getuige 1]:

Op 14 april 2010 heeft Landgoed Rhederhof een prijs gewonnen. Het klopt dat [eiseres] daarna bij mij langs is geweest om de voortzetting van de website te bespreken. Zij heeft een instructie gegeven over hoe wij het onderhoud van de website zelf konden doen. We hebben het alleen over de digitale media-activiteiten gehad. [eiseres] heeft uitgelegd hoe je als accountmanager de website kan aanpassen. Na het winnen van de prijs was het een hectische tijd. Na de winst heeft niemand de website meer onderhouden. Direct na de winst is er nog iets toegevoegd maar daarna niet meer. Ik weet niet of er nieuwsbrieven zijn toegevoegd aan de website. Na de winst zijn er nog wel filmpjes van de finale op de website gezet. Ook van een aantal afleveringen zijn een aantal filmpjes op de site gezet. Dit waren delen van afleveringen. Het waren gemonteerde stukjes uit afleveringen. De montage is door [eiseres] gedaan. Dit is na de finale gedaan. We hebben gesproken over de filmpjes met [eiseres]. Zij had ook al filmpjes gemaakt van eerdere afleveringen. Ik weet niet precies wat we toen hebben besproken maar er is geen concrete afspraak gemaakt over het op de site zetten van filmpjes. Er is wel een voorstel door [eiseres] gedaan om het laatste deel van de filmpjes, de afleveringen, op de website te zetten. Het verhaal over de filmpjes is heel kort besproken, in drie zinnen. Zij deed toen een prijsvoorstel wat zij verder voor onze website zou kunnen doen. Ik ben daar eigenlijk niet op in gegaan omdat het budget er niet voor was. Ik heb gezegd dat ik niet akkoord ging. Hoe en wanneer ik dat gezegd heb, weet ik niet. (…)

U houdt mij voor productie 12, een nieuwsbrief van 21 mei 2010. Ik weet niet wat ik bedoel met mijn reactie “hij komt nog niet goed over”. (…) Ik denk dat het inhoudelijk met de tekst te maken heeft. Het gaat hier om een onderdeel van wat [eiseres] aanlevert. Ik denk dat ik met mijn reactie bedoel dat het met de inhoudelijke tekst te maken had. (…)

U houdt mij voor productie 13 die begint met een nieuwsbrief en op de tweede pagina staat een mail van mij van 19 mei 2010. Ik denk dat deze mail gaat over het aanpassen van de inhoudelijke tekst op de website. De mailwisseling na de winst is een vervolg van de mails vóór de winst. Ze gaan allemaal over werkzaamheden die [eiseres] voor ons heeft verricht.

U houdt mij voor productie 17 met daarin een krantenartikel en op de tweede pagina een mail van 30 april 2010 waarin staat dat ik aan [eiseres] vraag om krantenknipsels uit De Gelderlander op de website te zetten. Dit gaat om werkzaamheden die [eiseres] destijds voor ons verricht heeft. (…) Dit zijn allemaal werkzaamheden die voortvloeien uit de opdracht die zij in het begin heeft aangenomen. (…) Ik ben van mening dat ik na de finale in reactie op de mailtjes van [eiseres] geen opdracht heb gegeven voor werkzaamheden. Het ging om afronding van de werkzaamheden. (…) Ik ging ervan uit dat de werkzaamheden na de finale nog vielen binnen voornoemde uren die wij toen als maximum hadden afgesproken of dat zij het vrijwillig deed, dus voor eigen rekening. (…) Na de winst zijn geen andersluidende afspraken gemaakt over de werkzaamheden, facturering enzovoorts. Ik verwachtte geen rekening meer. Als zij mij had gezegd dat haar uren op waren hadden wij kunnen spreken over een nieuwe opdracht, maar dat is dus niet gebeurd.

Productie 18 begint met een e-mail van [eiseres] en vervolgens met een reactie van mij. U vraagt mij naar de derde pagina en de vijfde pagina. (…) Deze e-mail is tijdens een onderhandeling over eventueel meerwerk verstuurd. Daar zijn we niet uitgekomen. De mail van 16 juni 2010 gaat over het aantal uren. Ik weet niet uit mijn hoofd hoeveel uren overeen waren gekomen. Dit staat wel in het contract. U vraagt mij naar de zinsnede: “de reden hiervan is deels door meerwerk”. Ik heb geen opdracht voor meerwerk gegeven, maar dit meerwerk heeft [eiseres] zelf gecreëerd in haar eigen belang.

[getuige 3]:

Ik kan mij de finale nog herinneren. Daarna had ik mijn eigen werkzaamheden weer. We hebben daarna nog een keer geluncht en ik ben verder niet meer bezig geweest met Landgoed Rhederhof, het was een afgesloten stuk na de finale. Ik ben niet op de hoogte geweest van e-mailverkeer tussen [getuige 1] en [eiseres]. Ik heb ook geen CC’tjes of BCC’tjes ontvangen. (…) Ik was niet bij de contractsbesprekingen met [eiseres] betrokken.

2.11. De rechtbank komt bij de waardering van de afgelegde getuigenverklaringen tot de volgende bevindingen. Vast staat dat er na de finale op 14 april 2010 nog werkzaamheden zijn verricht door [eiseres]. Dit volgt niet alleen uit de verklaring van [eiseres] zelf, maar ook uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1]. [eiseres] verklaart dat [getuige 1] mondeling opdracht heeft gegeven voor extra werkzaamheden. Hij heeft haar tijdens een bespreking op 22 april 2010 gevraagd de communicatie voor de achterban te verzorgen en de informatie op de website aan te passen. Ook wilde [getuige 1] per aflevering een gemonteerd filmpje. Deze filmpjes staan inmiddels allemaal op de website. Een maand later heeft [eiseres], zo verklaart zij, aan [getuige 1] uitleg gegeven hoe hij zelf stukjes op de website kan plaatsen. [getuige 2] was daarbij ook aanwezig. [getuige 1] vond dit echter te ingewikkeld en wilde dat [eiseres] het bleef doen. [getuige 2] en [getuige 1] bevestigen dit verhaal van [eiseres] in zoverre, dat er tijdens een bespreking bij [getuige 1] thuis, die in ieder geval na de finale op 14 april 2010 heeft plaatsgevonden, is gesproken over het onderhoud van de website van Landgoed Rhederhof. [getuige 2] verklaart in dit verband dat [eiseres] haar heeft uitgelegd hoe je websites kunt onderhouden en dat zij dit onderhoud niet heeft overgenomen, omdat dit voor haar te moeilijk bleek te zijn. Volgens [getuige 2] is de website daarna nog wel aangepast: er zijn reacties op geplaatst, evenals informatie over hoe men verder aan de slag zou gaan. [getuige 2] verklaart dat [eiseres] dit heeft gedaan. [getuige 1] verklaart op zijn beurt dat [eiseres] na de finale op 14 april 2010 bij hem thuis een instructie heeft gegeven over hoe zij het onderhoud van de website zelf konden doen. Verder verklaart hij dat er na de finale nog wel filmpjes van de finale op de website zijn gezet. Ook zijn er volgens hem na die tijd nog een aantal door [eiseres] gemonteerde stukjes uit afleveringen op de website gezet.

2.12. Uit de overgelegde bewijsstukken komt het beeld naar voren dat [eiseres] en [getuige 1] na 14 april 2010 nog geregeld per e-mail met elkaar hebben gecorrespondeerd over zaken die de website betreffen. Zo mailt [eiseres] op 19 mei 2010 een ‘Landgoed Rhederhof nieuwsbrief’ aan [getuige 1], die daarop nog dezelfde dag met inhoudelijk commentaar reageert. Vervolgens gaat de nieuwsbrief op 19 mei 2010 nog een paar keer heen en weer (productie 13). Op 21 mei 2010 mailt [eiseres] diezelfde nieuwsbrief nogmaals aan [getuige 1], die wederom dezelfde dag reageert met de mededeling: “Hij komt nog niet goed over” (productie 12). [getuige 1] heeft tijdens het getuigenverhoor geen goede verklaring kunnen geven voor deze opmerking (“Ik weet niet wat ik bedoel met mijn reactie”).

2.13. Productie 18 betreft een andere e-mailwisseling tussen [eiseres] en [getuige 1]. In de eerste e-mail bericht [eiseres] op 19 mei 2010 onder meer het volgende aan [getuige 1]:

Bij deze doe ik een voorstel voor de toekomstige uren (vanaf 1 juni ). Ik ga er vanuit dat het de komende tijd rustig is. Er zal een periodieke nieuwsbrief worden verstuurd, wat nieuwe teksten op de website of op de hyves, foto’s plaatsen en af en toe een filmpje. Ik schat in dat deze werkzaamheden te doen zijn met 4 uur per week (16 uur per maand). (…) Vooraf is aangegeven dat het maken van de filmpjes veel tijd kost. In totaal ben ik 35 uur bezig geweest om de 16 filmpjes op te nemen, te bewerken en online te plaatsen, onder andere door lastige synchronisatie en het feit dat YouTube enkel filmpjes van 10 minuten accepteert. Daarnaast staan er 16 uur open voor werkzaamheden van na het feest t/m eind mei. Denk hierbij aan het aanpassen van de website, nieuwsberichten schrijven en versturen, de hyvespagina aanpassen, filmpjes over de bouwstop opnemen, bewerken en online plaatsen, opzetten van de nieuwe nieuwsbrief. De uren dat ik in Laren ben geweest op 22 april en de blog-les van gister reken ik niet door. In totaal betekent dit dat er een bedrag open staat van € 75 * 51 uur = € 3.825,- voor de periode 15 april tot 18 mei.

Gezien de prettige samenwerking, de reeds afgeronde opdrachten en omdat ik het jullie gun ben ik bereid een flinke korting op mijn normale uurtarief aan te bieden van 30% (= € 1.147,50) wat neer komt op een openstaand bedrag van € 2.677,50 welke ik begin juni zal factureren. Daar bovenop ben ik bereid om voor de toekomstige 16 uur per maand ook die 30% korting te geven wat neerkomt op een uurtarief van € 52,50 x 16 uur = € 840,- per maand. Ik denk dat er zo een mooi voorstel voor je ligt. Graag ontvang ik een akkoord van je op deze nieuwe afspraken.

[getuige 1] heeft hierop op 19 mei 2010 voor zover van belang als volgt gereageerd:

[eiseres], oef… Zoals je weet ben ik reeds geschrokken van de laatste factuur 110 uur 10.000 euro. De hoeveelheid uren had ik niet verwacht. (…) Wederom 51 uur tegen 52 euro en toekomstige terug kerende uren vind ik ook tegen vrij hoog tarief, afijn denk er tijdens je vakantie eens over na kunnen we daarna eens over brainstormen. Ik ga er van uit dat we ook hier uit komen.

Daarop heeft [eiseres] op 4 juni 2010 onder meer als volgt gereageerd:

We hebben duidelijke afspraken gemaakt over mijn vergoedingen voor de verrichte taken. De taken zijn naar tevredenheid verricht, dus dient er betaald te worden. (…) Nog even over de openstaande 51 uur, er is je reeds meerdere malen nadrukkelijk aangegeven dat het maken van filmpjes tijd kost.

Ten slotte heeft [getuige 1] op 16 juni 2010 voor zover van belang als volgt geantwoord:

We hebben in het begin afspraken gemaakt waarbij je reeds bent uitgegaan van het feit dat de mogelijkheid bestaat dat we in de finale staan en indien we zouden winnen je het normale tarief kunt na berekenen over de maximaal afgesproken uren, hiermee ben ik akkoord gegaan. Nu is het zo dat er meer uren zijn gemaakt als overeengekomen, veel meer uren. De reden hiervan is deels door “meer” werk maar ook doordat [eiseres] het leuk vond en zich intensief met het project te bemoeien en het zeker goed staat op de cv. (…) Daarbij komt dat je weliswaar zegt dat het trekken van film veel werk is maar declaratie van ruim 50 uren tegen genoemde tarief staat niet in verhouding en is in zoverre ook niet overeengekomen. (…) Kortom: Ik ben het niet eens met de laatste gefactureerde uren declaratie. Ik ben het niet eens met de totaal uren ‘te declaratie” van film kopiëren. Ik kan nog geen tarief aanvulling verder doen alvorens dat middelen beschikbaar zijn en wij conform afspraak overeenkomst bereiken over de declareerbare uren.

2.14. De voorgaande correspondentie laat zien dat [getuige 1] bezwaar maakt tegen het aantal door [eiseres] gefactureerde uren. Uit niets valt af te leiden dat hij het niet eens is met de verrichte werkzaamheden als zodanig omdat deze ten onrechte - want niet overeengekomen - zijn verricht. In tegenstelling tot hetgeen [getuige 1] tijdens het getuigenverhoor heeft verklaard, blijkt uit de correspondentie evenmin dat hij ervan uitging dat [eiseres] de werkzaamheden vrijwillig verrichtte. Bij dit alles komt bovendien dat [getuige 1] tijdens het getuigenverhoor geen goede verklaring heeft kunnen geven voor het feit dat hij in zijn e-mail van 16 juni 2010 zelf aangeeft dat het feit dat er meer uren zijn gemaakt dan overeengekomen deels voortkomt uit meerwerk, zonder dat deel aan meerwerk inhoudelijk te betwisten.

2.15. Alles overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat met de hiervoor besproken getuigenverklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] in combinatie met de aangehaalde bewijsstukken (e-mailberichten) voldoende aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring van [eiseres] voldoende geloofwaardig maken. Bij deze stand van zaken heeft [eiseres] bewezen dat tussen partijen is overeengekomen dat [eiseres] nadere werkzaamheden zou verrichten ten behoeve van Landgoed Rhederhof. Naar het oordeel van de rechtbank mocht [eiseres] op grond van de feitelijke uitlatingen en gedragingen van [getuige 1], zoals die blijken uit de hiervoor geschetste getuigenverklaringen en bewijsstukken, er in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd op vertrouwen dat door Rhederhof en BC opdracht was gegeven tot het verrichten van nadere werkzaamheden ten behoeve van Landgoed Rhederhof, te meer nu partijen reeds gedurende ruim twee maanden onder bepaalde condities naar ieders tevredenheid met elkaar samenwerkten. De stelling van [getuige 1], dat hij geen uitdrukkelijke mondelinge opdracht heeft gegeven aan [eiseres], is in zoverre dan ook niet relevant.

2.16. Met betrekking tot de door [eiseres] te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit volgt wat de verdere inhoud van de overeenkomst is, overweegt de rechtbank het volgende. Aangenomen moet worden dat [getuige 1] op basis van de eerdere overeenkomst wist welke condities er tussen partijen golden en wat de algemene voorwaarden van [eiseres] waren. Uit de afgelegde getuigenverklaringen blijkt verder dat er nadien niet is gesproken over andere of nieuwe voorwaarden. Zo verklaart [getuige 1] dat er na de winst geen andersluidende afspraken zijn gemaakt over de werkzaamheden, facturering enzovoorts. Dit strookt met de verklaring van [eiseres]. Zij geeft aan dat op 22 april 2010 het uurtarief en de algemene voorwaarden niet zijn besproken. Volgens [eiseres] wist [getuige 1] echter op basis van de eerdere overeenkomst dat het normale uurtarief € 75,00 exclusief btw bedroeg en wat de algemene voorwaarden waren.

2.17. Met inachtneming hiervan en gelet op het feit dat partijen zijn overeengekomen dat [eiseres] nadere werkzaamheden zou verrichten ten behoeve van Landgoed Rhederhof, mocht [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank er gerechtvaardigd op vertrouwen dat op de eerdere overeenkomst zou worden voortgeborduurd en dat op de nadere werkzaamheden dus dezelfde tarieven en algemene voorwaarden van toepassing zouden zijn als op de eerste opdracht. De rechtbank acht [eiseres] dan ook in dit onderdeel van het bewijs geslaagd.

2.18. De werkzaamheden die [eiseres] ten behoeve van Landgoed Rhederhof op grond van de tussen partijen tot stand gekomen nadere overeenkomst heeft verricht, hebben bestaan uit - kort gezegd - de informatieverstrekking rondom Landgoed Rhederhof na de finale op 14 april 2010, met name het bijhouden van de website en het maken van filmpjes. [eiseres] heeft voor deze werkzaamheden op 26 juli 2010 in totaal 51 uren bij Rhederhof en BC in rekening gebracht. Rhederhof en BC zijn tot op heden in gebreke gebleven het daarmee corresponderende bedrag van € 4.551,75 aan [eiseres] te voldoen. Zij zijn aldus toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van hun betalingsverplichting. De vordering kan dan ook worden toegewezen.

2.19. Met verwijzing naar rechtsoverweging 4.8 van het tussenvonnis van 20 april 2011 overweegt de rechtbank dat Rhederhof en BC beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor betaling van het toe te wijzen bedrag van € 4.551,75.

2.20. [eiseres] vordert voorts vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de contractuele rente vanaf de datum van opeisbaarheid van de vordering. Hiervoor verwijst zij naar artikel 7.4 van de algemene voorwaarden en haakt zij aan bij de vervaltermijn van de factuur. Nu Rhederhof en BC geen verweer voeren tegen de verschuldigdheid van rente zal de contractuele rente worden toegewezen zoals gevorderd.

2.21. In het tussenvonnis van 20 april 2011 is in rechtsoverweging 4.6 reeds geoordeeld dat een bedrag van € 8.094,00 kan worden toegewezen ten aanzien van de facturen van

4 mei 2010. In totaal zijn Rhederhof en BC dus hoofdelijk een bedrag van € 12.645,75 aan [eiseres] verschuldigd, vermeerderd met de contractuele rente.

2.22. [eiseres] maakt ten slotte aanspraak op een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. Zij verwijst hiervoor primair naar artikel 7 lid 5 van de algemene voorwaarden, op grond waarvan de buitengerechtelijke kosten volledig door de opdrachtgever dienen te worden vergoed met een minimum van 10% van het openstaande factuurbedrag. Subsidiair vordert [eiseres] een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten op basis van Rapport Voorwerk II.

2.23. Rhederhof en BC hebben de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten op grond van de algemene voorwaarden behorende bij de tussen hen en [eiseres] tot stand gekomen overeenkomsten op zichzelf niet betwist. Verder is voldoende komen vast te staan dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Als productie 9 heeft [eiseres] een overzicht in het geding gebracht van de door haar advocaat verrichte werkzaamheden. Gelet hierop is sprake van buitengerechtelijke kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank zal echter met toepassing van artikel 242 Rv en Rapport Voorwerk II de hoogte van de buitengerechtelijke kosten matigen tot 2 punten van het toepasselijke liquidatietarief, zijnde € 904,00. Nu niet door [eiseres] is gesteld dat de werkelijke kosten hoger zijn geweest dan dit bedrag is er geen aanleiding om een hoger bedrag toe te wijzen dan dit forfait.

2.24. Rhederhof en BC zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,83

- griffierecht € 460,00

- getuigenkosten € 8,70

- salaris advocaat € 2.260,00 (5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 2.828,53

De gevorderde nakosten zijn, op de voet van het arrest van de Hoge Raad van 19 maart 2010, LJN BL1116, voor toewijzing vatbaar als na te melden.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt Rhederhof en BC hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 12.645,75 (twaalfduizendzeshonderdvijfenveertig euro en vijfenzeventig eurocent), vermeerderd met de contractuele rente, te weten de wettelijke rente vermeerderd met 2%, vanaf de datum van opeisbaarheid van de verschillende vorderingen tot de dag van volledige betaling,

3.2. veroordeelt Rhederhof en BC hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 904,00 ter zake van buitengerechtelijke kosten,

3.3. veroordeelt Rhederhof en BC hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 2.828,53,

3.4. veroordeelt Rhederhof en BC hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de nakosten, aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 131,00, dan wel, als betekening van dit vonnis plaatsvindt, € 199,00,

3.5. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2012.

Coll.: MvG