Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX0104

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
229028
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening, te weten verschuldigde beheerskostenvergoeding. Vordering deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 229028 / HA ZA 12-288

Vonnis in incident van 13 juni 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VILLAPARK "DE ZEVEN HEUVELEN" B.V.,

gevestigd te Groesbeek,

eiseres in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. H.M.G. van Lotringen te Ede,

tegen

verening met volledige rechtsbevoegdheid

VILLAPARK "DE ZEVEN HEUVELEN",

gevestigd te Groesbeek,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. R.P.W. van Dijk te Nijmegen.

Partijen zullen hierna de beheerder en de vereniging genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening van 18 april 2012

- conclusie van antwoord in het incident en in de hoofdzaak.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De vorderingen in het incident

2.1. De beheerder vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis,

a. de vereniging te veroordelen tot stipte nakoming van de beheersovereenkomst van 29 maart 1994 en de aanvulling daarop in de overeenkomst van 25 maart 2002, onmiddellijk na betekening van dit vonnis, op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere keer dat de vereniging in strijd handelt met deze veroordeling tot een maximum van € 100.000,- ;

b. de vereniging te verbieden met andere partijen op het gebied van het parkbeheer en de verhuur van villa’s op het park “De Zeven Heuvelen” te Groesbeek een contractuele relatie aan te gaan, en te bepalen dat de vereniging voor iedere keer dat zij in strijd handelt met dit verbod een dwangsom verbeurt van € 10.000,- tot een maximum van € 100.000,- na betekening van dit vonnis;

c. de vereniging te veroordelen tot betaling aan de beheerder bij wijze van voorschotbetaling op de verschuldigde beheerskostenvergoeding een bedrag van € 50.000,-, te voldoen binnen één week na betekening van dit vonnis.

2.2. De vereniging voert verweer, op welk verweer, voor zover van belang, hieronder nader zal worden ingegaan.

3. De beoordeling in het incident

3.1. Het geschil tussen partijen betreft het volgende. De beheerder is sinds de oprichting van de vereniging in mei 1994 beheerder van Villapark de Zeven Heuvelen. Daartoe hebben partijen een schriftelijke beheersovereenkomst gesloten, die op 25 maart 2002 is aangevuld. Vanaf het begin heeft de beheerder de beheerskosten rechtstreeks in rekening gebracht bij de individuele villaeigenaren die zich bij de vereniging hebben aangesloten. Vanaf 2007 heeft een aantal eigenaren het lidmaatschap van de vereniging opgezegd en is vervolgens gestopt met het betalen van de contributie aan de vereniging en van de beheerskosten aan de beheerder. In een tussen de beheerder en één van die eigenaren gevoerde procedure hebben zowel de Rechtbank als het Gerechtshof geoordeeld dat de beheerder de beheersvergoeding niet rechtstreeks kan incasseren bij de eigenaren bij gebreke van een overeenkomst tussen de beheerder en deze eigenaren. Tevens is geoordeeld dat het deze eigenaresse gelet op artikel 2:25 lid 1 BW vrij stond het lidmaatschap van de vereniging op te zeggen en dat zij in beginsel niet meer gebonden is aan beslissingen van de vereniging. In de algemene ledenvergadering van 28 mei 2011, waar een vertegenwoordiger van de beheerder aanwezig was, is besloten de beheersovereenkomst per 1 januari 2012 op te zeggen. Bij brief van 21 december 2011 heeft de vereniging de overeenkomst opgezegd.

3.2. In de hoofdzaak stelt de beheerder zich op het standpunt dat de opzegging nietig is aangezien de beheersovereenkomst een opzegverbod bevat, dan wel niet voorziet in een opzegmogelijkheid. Voorts stelt de beheerder dat de vereniging geen zwaarwegend belang heeft bij de opzegging aangezien de vereniging een mogelijkheid heeft om de beheersvergoeding, althans de vaste kosten van de meest basale voorzieningen, op grond van de door redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding tussen partijen, bij de voormalige leden van de vereniging in rekening te brengen. Tenslotte is de in acht genomen opzegtermijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid, aldus de beheerder.

In de hoofdzaak vordert de beheerder nagenoeg hetzelfde als in het incident, met dit verschil dat als derde vordering betaling van de totaal verschuldigde beheersvergoeding wordt gevorderd, te weten € 23.560,85 voor de periode 2007-2011 en € 67.716,90 voor het jaar 2012.

3.3. In artikel 223 Rv is bepaald dat tijdens een aanhangig geding iedere partij kan vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding, mits de voorlopige voorziening samenhangt met de hoofdvordering. De rechtbank stelt vast dat aan deze vereisten is voldaan nu de gevraagde voorlopige voorzieningen samenhangen met de hoofdvorderingen en gericht zijn op voorzieningen die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kunnen worden gegeven.

Verder dient te worden beoordeeld of aan het belangvereiste, zoals neergelegd in artikel 3:303 BW, is voldaan. Gelet op de beperkte werkingsduur van de voorlopige voorziening, dient de beheerder een belang bij haar vorderingen te hebben in die zin dat de afloop van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. De beheerder heeft gesteld dat zij door de beëindiging van de beheersovereenkomst en de onbetaald gebleven beheersvergoeding in de financiële problemen dreigt te komen. De beheerder heeft in dat kader onder meer gewezen op de duur van de samenwerking, de omstandigheid dat zij naast het beheren van het villapark geen andere taken heeft en dat haar aandeelhouders aanzienlijk hebben geïnvesteerd in het villapark. Deze omstandigheden zijn door de vereniging niet betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vereniging voldoende (spoedeisend) belang heeft, althans voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat zij (spoedeisend) belang heeft bij haar vorderingen.

3.4. Voorts moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin, de gevorderde ordemaatregelen rechtvaardigt.

In de hoofdzaak twisten partijen over de vraag of de beheersovereenkomst als gevolg van de opzegging per 1 januari 2012 is geëindigd en of de vereniging een opzegtermijn heeft gehanteerd die onder de gegeven omstandigheden lang genoeg was. De uitkomst van die discussie kan niet op een eenvoudige wijze in het kader van een voorlopige voorziening worden vastgesteld. Dit betekent dat de vorderingen, waarbij de vereniging feitelijk zou worden verplicht de opgezegde overeenkomst te continueren en waarbij haar zou worden verboden met een andere beheerder een overeenkomst aan te gaan, niet toewijsbaar zijn. Dit geldt eveneens voor de vordering tot betaling van een voorschot, voor zover dit voorschot betrekking heeft op de beheersvergoeding voor het jaar 2012.

3.5. Voor het deel van het gevorderde voorschot dat betrekking heeft op de beheersvergoeding voor de periode 2007-2011, een bedrag van € 23.560,85, geldt het volgende.

Nu in de eerdergenoemde gerechtelijke procedure is geoordeeld dat de villaeigenaren geen partij zijn bij de beheerovereenkomst, is het de beheerder duidelijk geworden dat zij in rechte geen betaling van de beheersvergoeding zal kunnen afdwingen. Zij heeft vervolgens de nog openstaande beheersvergoeding tot 2011 aan de vereniging in rekening gebracht bij factuur van 31 januari 2012. Voordien was dit bedrag reeds rechtstreeks gefactureerd aan alle betrokken villaeigenaren. Op verzoek van de advocaat van de vereniging heeft de beheerder het gefactureerde bedrag gespecificeerd en uitgesplitst naar de verschillende villaeigenaren.

Het is de vereniging duidelijk geworden dat zij het incassorisico ter zake van de beheersvergoeding draagt, hetgeen naar de vereniging stelt de belangrijkste reden vormde voor de opzegging. De vereniging heeft ook geaccepteerd (de rechtbank begrijpt: erkend) dat zij verantwoordelijk is voor de inning van de openstaande bedragen nu zij partij is bij de beheersovereenkomst. Volgens de vereniging heeft de beheerder echter ten onrechte een verhoging van de vergoeding doorgevoerd en bedraagt het openstaande bedrag ter zake de beheersvergoeding tot en met 2011 € 20.927,35 inclusief btw.

Volgens de vereniging is zij feitelijk nog niet kunnen overgaan tot inning van dit bedrag doordat de beheerder (op 4 april 2012) ten laste van de vereniging conservatoir derdenbeslag heeft gelegd onder de Rabobank. Wat hier ook van zij, dit laatste staat niet in de weg aan toewijzing van de vordering, althans tot het bedrag dat door de vereniging wordt erkend. Of de verhoging al dan niet terecht is doorgevoerd kan niet op eenvoudige wijze in deze procedure worden vastgesteld. Naar verwachting zal in de hoofdzaak dan ook minimaal een bedrag van € 20.927,35 aan de beheerder worden toegewezen. Nu de vordering derhalve reeds voldoende vaststaat tot genoemd bedrag, zal de vordering tot veroordeling van de vereniging om aan de beheerder bij wijze van voorschot € 50.000,- te betalen, tot een bedrag van € 20.927,35 worden toegewezen.

3.6. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

4. De beoordeling in de hoofdzaak

4.1. De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

4.2. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

4.3. De partijen dienen nadere stukken waarop zij tijdens de comparitie een beroep willen doen uiterlijk twee weken tevoren aan de rechtbank en de wederpartij toe te sturen.

4.4. De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

4.5. In beginsel zal ter comparitie niet de gelegenheid worden geboden om te pleiten, waarbij onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide, uitgeschreven pleitnotitie.

4.6. Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1. veroordeelt de vereniging tot betaling aan de beheerder bij wijze van voorschotbetaling op de verschuldigde beheerskostenvergoeding een bedrag van € 20.927,35, te voldoen binnen één week na betekening van dit vonnis,

5.2. verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

5.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in de hoofdzaak

5.5. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. M.S.T. Belt in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.6. bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

5.7. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 juni 2012 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de dinsdagen en donderdagen in de maanden juli tot en met september 2012, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

5.8. bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

5.9. bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

5.10. wijst partijen er op, dat voor de zitting 2 ½ uur zal worden uitgetrokken

5.11. bepaalt dat eventuele stukken twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en aan de wederpartij moeten zijn toegestuurd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2012.