Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX0060

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
02-07-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
05/700361-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 30-jarige vrouw uit Tiel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 52 weken, waarvan 46 weken voorwaardelijk. Als bijzondere voorwaarden heeft de rechtbank aan de vrouw een meldingsgebod bij de reclassering opgelegd, en daarnaast een behandelverplichting en een middelencontrole.

Behalve de gevangenisstraf heeft de rechtbank aan de vrouw ook de maximale werkstraf van 240 uur opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer : 05/700361-12

Datum zitting : 18 juni 2012

Datum uitspraak : 2 juli 2012

In de zaak van

de officier van justitie in het arrondissement Arnhem

tegen:

naam : [verdachte],

geboren op : [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats],

adres : [adres],

plaats : [woonplaats].

Raadsman : mr. A.F.M. van Vlijmen, advocaat te Arnhem.

Officier van justitie : mr. B. Molenaar.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 01 maart 2012 te Tiel,

ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk om zich of

een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (van EURO

50,00), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die

[slachtoffer] en/of Dio Drogisterij, in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte, met voormeld oogmerk

-gemaskerd met een sjaal en/of bewapend met een mes voornoemde drogisterij is

binnengelopen en/of

-(vervolgens/aldaar) (in de Engelse taal) tegen voornoemde [slachtoffer] heeft

gezegd: "Maak de kassalade open" en/of "Ik wil vijftig euro uit de kassa",

althans woorden van gelijke dwingende/dreigende aard of strekking en/of

-(daarbij) dat/een mes aan die [slachtoffer] heeft getoond en/of op die [slachtoffer] heeft

gericht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 18 juni 2012 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. A.F.M. van Vlijmen, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 weken, waarvan 46 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact. Daarbij heeft de officier van justitie geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstaf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Verdachte heeft ter terechtzitting het ten laste gelegde grotendeels bekend.

Ter terechtzitting heeft verdachte uitsluitend betwist dat zij was gemaskerd met een sjaal toen zij de drogisterij is ingelopen. De raadsman heeft verzocht haar van dat gedeelte van de tenlastelegging vrij te spreken.

Ten aanzien van de vraag of verdachte was gemaskerd met een sjaal, overweegt de rechtbank het volgende.

Aangeefster [slachtoffer] (hierna: aangeefster) heeft verklaard dat een onbekende vrouw, (lees: verdachte) die een sjaal voor haar mond droeg, de drogisterij binnen kwam lopen.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat het meisje (lees: verdachte) een zwarte pet op had en een doek of sjaal half voor haar gezicht had.

Verdachte zelf heeft bij de politie ook verklaard dat de sjaal was bedoeld als vermomming en dat zij die van thuis had meegenomen, om haar gezicht te bedekken.

Gezien het voorgaande, alsmede gelet op de aangifte en de getuigenverklaring van [getuige], is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde – inclusief het gemaskerd zijn van verdachte – kan worden bewezen.

De rechtbank acht ten aanzien van verdachte bewezen dat,

zij op 01 maart 2012 te Tiel, ter uitvoering van het voornemen en het misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (van EURO 50,00), toebehorende aan die [slachtoffer] en/of Dio Drogisterij, met voormeld oogmerk

-gemaskerd met een sjaal en bewapend met een mes voornoemde drogisterij is binnengelopen en

-(vervolgens/aldaar) (in de Engelse taal) tegen voornoemde [slachtoffer] heeft gezegd: "Maak de kassalade open" en "Ik wil vijftig euro uit de kassa", en

-(daarbij) dat mes aan die [slachtoffer] heeft getoond en op die [slachtoffer] heeft gericht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot afpersing

Het feit is strafbaar.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is strafbaar.

6. De motivering van de sanctie(s)

Bij de beslissing over de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op:

• de justitiële documentatie betreffende verdachte, gedateerd 23 mei 2012;

• een reclasseringsadvies van reclasseringswerker J. de Jong, gedateerd 21 mei 2012, betreffende verdachte.

• een voortgangsverslag van reclasseringswerker S. Hautvast, gedateerd 18 mei 2012, betreffende verdachte.

Uit het reclasseringsadvies komt naar voren dat verdachte al jaren kampt met een drugsverslaving. Verdachte is inmiddels gestopt met het gebruik van heroïne en krijgt methadon. Verdachte wil het gebruik van ‘basecoke’ afbouwen. Naast hulp vanuit Iriszorg krijgt verdachte begeleiding van het RIBW. Het RIBW ondersteunt verdachte en haar vriend op verschillende leefgebieden. Het recidive¬risico wordt als laag gemiddeld geschat. Geadviseerd wordt verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met bijzondere voorwaarden, te weten een meldingsgebod en een behandelverplichting.

Uit het voortgangsverslag komt naar voren dat verdachte zich de afgelopen periode begeleidbaar heeft opgesteld en voldoende heeft meegewerkt aan de toezichtovereenkomst. Verdachte heeft een aantal leerdoelen aangegeven waarbij ze graag door de reclassering en Kairos wil worden begeleid/ behandeld. Omdat verdachte een open houding heeft en inzicht in haar eigen problematiek toont, kan volgens de rapporteur samen met verdachte worden gekeken naar de aandachtspunten van de begeleiding en kan aan de daarop gebaseerde doelen worden gewerkt.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing, waarbij zij gebruik heeft gemaakt van een steekwapen.

Dit is een ernstig feit, dat door het bedreigend karakter ervan zeer beangstigend voor het slachtoffer is geweest. Het slachtoffer heeft – in een door de verdediging ter terechtzitting aan de rechtbank overgelegde – brief aan verdachte ook benadrukt dat de poging tot afpersing grote (psychische) gevolgen voor haar heeft gehad en dat zij in gedachten nog veel bezig is met de verwerking ervan.

De rechtbank rekent verdachte in hoge mate aan dat zij bij haar behoefte om snel aan geld te komen – om welke reden dan ook – heeft geprobeerd iemand af te persen in plaats van het geld op andere, legale, wijze te vergaren. Dat het een ‘wanhoopsdaad’ was, zoals de raadsman heeft benadrukt, doet aan de ernst van het feit en de enorme impact die dit soort feiten doorgaans hebben op de betrokkenen, niet af.

Verder is het een feit van algemene bekendheid dat dergelijke brutale delicten gevoelens van angst en onveiligheid binnen de samenleving in het algemeen veroorzaken.

Gelet op de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke werkstraf passend en geïndiceerd zijn. De rechtbank zal een hogere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie is geëist, waarbij als leidraad is aangehouden wat bij vergelijkbare ernstige delicten wordt opgelegd.

Uit de verklaringen en de houding van verdachte ter terechtzitting lijkt evenwel te volgen dat zij nu een weg is ingeslagen waarbij zij haar leven probeert te beteren.

De rechtbank zal met die omstandigheid in positieve zin voor verdachte rekening houden.

De rechtbank zal daarom een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met de bijzondere voorwaarden van verplicht reclasseringscontact en behandelverplichting. Het voorwaardelijke gedeelte van de gevangenisstraf is erop gericht om verdachte te weerhouden in de toekomst dergelijke feiten te plegen en haar verder te helpen om haar leven verder op orde te krijgen.

7. De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 22c, 22d, 27, 14a, 14b, 14c, 14d, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8. De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het feit zoals vermeld onder punt 4.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van tweeënvijftig (52) weken.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf zesenveertig (46) weken niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit dan wel navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:

- Meldingsgebod

Veroordeelde moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering Iriszorg haar geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet veroordeelde zich binnen 2 dagen volgend op de datum dat het vonnis onherroepelijk is, tijdens kantooruren melden bij de reclassering Iriszorg (Prinses Beatrixlaan 52 te Tiel). Hierna moet zij zich gedurende een door de reclassering Iriszorg te bepalen periode blijven melden zo lang en frequent als de reclassering Iriszorg dit nodig acht, ook als dit inhoudt het toestaan van huisbezoeken.

- Behandelverplichting

De veroordeelde wordt verplicht mee te werken aan een ambulante behandeling bij Iriszorg, zolang dat door reclassering Iriszorg nodig wordt geacht.

- Middelencontrole

In het kader van voornoemde behandeling of op aanwijzing van de reclassering Iriszorg dient zij mee te werken aan controle op middelengebruik.

Geeft opdracht aan de (stichting) Reclassering Nederland (IrisZorg) om aan veroordeelde bij de naleving van voornoemde voorwaarde hulp en steun te verlenen.

Met de opdracht aan die reclasseringsinstelling ex artikel 14d Wetboek van Strafrecht.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoer¬legging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

En voorts tot

het verrichten van een werkstraf gedurende tweehonderd veertig (240) uren.

Bepaalt dat deze werkstraf binnen 1 (één) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet worden voltooid.

De termijn binnen welke de werkstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast.

Stelt deze vervangende hechtenis vast op honderd twintig (120) dagen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra, als voorzitter,

mr. T.P.E.E. van Groeningen, rechter,

mr. E. de Boer, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. G. Croes, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2012.