Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBARN:2012:BX0055

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
02-07-2012
Zaaknummer
219679
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot betaling van achterstallige alimentatie, waarvoor beslag is gelegd.

Aan de vordering legt eiseres ten grondslag dat gedaagde in gebreke is gebleven een verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv af te leggen zodat hij op grond van artikel 477a Rv als ware hij zelf schuldenaar tot betaling van het bedrag waarvoor beslag is gelegd moet worden veroordeeld.

Beroep op opschorting faalt. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

RECHTBANK ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 219679 / HA ZA 11-1219

Vonnis van 13 juni 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. J.J.F.A. Ligthart te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

handelend onder de naam [winkel],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. M.S.W. Begheijn te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 26 oktober 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 20 januari 2012

- de akte overlegging productie van [eiseres]

- de antwoordakte van [gedaagde].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] is gehuwd geweest met [betrokkene]. Het huwelijk is ontbonden. Aan kinder- en partneralimentatie is [betrokkene] in 2010 maandelijks € 2.718,40 aan [eiseres] verschuldigd en met ingang van 2011 € 2.745,88. [betrokkene] is in gebreke gebleven met de voldoening van de verschuldigde alimentatie. De achterstand bedroeg tot en met augustus 2011 € 25.027,98.

2.2. [betrokkene] is eigenaar van een pand aan de [adres] 4 te [woonplaats] (hierna: het pand). Dat pand verhuurt hij sinds 1 november 2010 aan [gedaagde] die op nummer 4-A zijn winkel exploiteert. De huursom bedraagt (in 2010) € 2.062,50 per maand. Op verzoek van [betrokkene] heeft [gedaagde] de huurpenningen niet aan hem afgedragen.

2.3. Het pand beschikt niet over een brievenbus en is, wanneer de winkel gesloten is, van rolluiken voorzien.

2.4. Op 15 november 2010 heeft [eiseres] executoriaal derdenbeslag laten leggen onder [gedaagde] in verband met de achterstand van [betrokkene] in de voldoening van alimentatie. In het exploot staat: ‘ aldaar aan gemeld adres mijn exploit doende en afschrift dezes, en van voormelde titel, alsmede in tweevoud het formulier als bedoeld in artikel 475 lid 2 Rv per post sturende naar voormeld adres in een gesloten envelop met daarop de vermeldingen als wettelijk voorgeschreven, omdat ik aldaar niemand aantrof aan wie rechtsgeldig afschrift kon worden gelaten, voorts was er geen brievenbus, zodat ik het exploit aldaar niet kon achterlaten;’

Dit beslag is op 19 november 2010 overbetekend aan [betrokkene].

2.5. [betrokkene] heeft het pand verkocht aan [betrokkene 2]. De levering heeft op 1 augustus 2011 plaatsgevonden. [gedaagde] heeft geen huurpenningen aan [betrokkene 2] voldaan.

2.6. In een brief van 25 mei 2011 van SNS bank aan [gedaagde] met als onderwerp ‘Openbaarmaking verpanding huurpenningen pand’ staat onder meer:

‘ Uit hoofde van de verpanding van de huurpenningen zoals in de hypotheekakte d.d. 28 februari 2007 is overeengekomen met de heer J.D.A. [betrokkene] delen wij u mee dat u vanaf heden de huurpenningen alleen bevrijdend kunt betalen door storting op bankrekening (….)’.

De huurpenningen voor de maanden juni en juli 2011 ad € 2.062,50 heeft [gedaagde] vervolgens aan SNS bank voldaan.

2.7. Op 21 juni 2011 heeft [gedaagde] in verband met het onder hem gelegde beslag

€ 635,69 aan de advocaat van [eiseres] voldaan.

2.8. In een emailbericht van ene heer [betrokkene 3], accountmanager zakelijk beheer bij SNS bank van 23 januari 2012 aan de advocaat van [eiseres] staat onder meer:

‘Hierbij delen wij u mede dat uit de opbrengst uit verkoop van de onroerende zaken te [woonplaats 2] en [woonplaats], de kredietfaciliteiten van de heer [betrokkene] volledig zijn ingelost. Hierdoor zal SNS Bank geen gebruik meer maken van haar pandrecht op de huurpenningen.’

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiseres]:

I. binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis van het bedrag waarvoor [eiseres] het beslag onder [gedaagde] heeft doen leggen, bestaande uit

- de achterstallige alimentatie tot en met november 2010 ad € 342,54

- de verschuldigde alimentatie over de maand december 2010 ad € 2.718,40

- de verschuldigde alimentatie over de maanden januari tot en met augustus ad € 21.976,04

- met ingang van september 2011: maandelijks een bedrag van € 2.745,88, welk bedrag met ingang van 1 januari 2012 weer zal worden geïndexeerd

- de kosten van beslaglegging, voorlopig te begroten op € 293,15

vermeerderd met rente,

II. van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.158,--, vermeerderd met rente,

III. van door [eiseres] ter zake van haar rechtsbijstand in deze gemaakte en te maken kosten, in redelijkheid begroot op € 5.000,--, althans tot vergoeding van de door [eiseres] geleden schade in verband met de nalatigheid van [gedaagde] en tot vergoeding van de kosten die door [gedaagde] nodeloos zijn veroorzaakt, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

IV. van de kosten van het geding, vermeerderd met rente indien niet voldaan binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis.

3.2. Aan de vordering legt [eiseres] ten grondslag dat [gedaagde] in gebreke is gebleven een verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv af te leggen zodat hij op grond van artikel 477a lid 1 Rv als ware hij zelf schuldenaar tot betaling van het bedrag waarvoor beslag is gelegd moet worden veroordeeld.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat het exploot hem nooit heeft bereikt zodat er geen geldig executoriaal derdenbeslag onder hem is gelegd. Volgens hem had niet op de voet van artikel 47 Rv tot verzending per post mogen worden overgegaan en daarmee zou het gelegde beslag nietig zijn.

4.2. In het midden kan blijven of het exploot op juiste wijze is betekend. Vaststaat dat [gedaagde] door die vermeende onjuiste wijze van betekenen niet is benadeeld. Hij heeft immers geen betalingen gedaan aan derden (in het bijzonder aan [betrokkene] of [betrokkene 2]) waarvan van de zijde van [eiseres], de beslaglegger, thans het standpunt wordt ingenomen dat die aan haar toekomen. Zou dat wel het geval zijn, dan zou [gedaagde] mogelijk worden benadeeld omdat hij dan ‘dubbel’ zou moeten betalen. Daarvan is echter geen sprake. Op de voet van artikel 66 Rv, dat ook in deze situatie van toepassing is (vgl. HR 16 februari 2007, NJ 2007, 118), oordeelt de rechtbank dan ook dat nu de (mogelijke) niet-naleving van artikel 47 Rv geen onredelijke benadeling van [gedaagde] heeft opgeleverd, dit geen nietigheid van het exploot meebrengt.

4.3. Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde] alsnog een verklaring afgelegd als bedoeld in artikel 476a Rv. Daarin heeft hij kort gezegd verklaard dat hij aan [betrokkene] uit hoofde van een huurovereenkomst per 23 september 2010 tot 1 augustus 2011 € 2.062,50 per maand aan huurpenningen verschuldigd is en dat per 1 augustus 2011 het gehuurde door [betrokkene] is verkocht aan [betrokkene 2] en dat betalingen zijn gedaan aan SNS bank (zie rov. 2.6.) en aan [eiseres] (zie rov. 2.7.). [eiseres] heeft de verklaring niet betwist. Dat betekent dat hoewel [eiseres] haar petitum niet dienovereenkomstig heeft aangepast, het niet meer gaat om een geschil als beschreven in 477a lid 1 Rv maar om een situatie als beschreven in artikel 477 Rv: de derde-beslagene is verplicht de volgens zijn verklaring verschuldigde geldsommen aan de deurwaarder te voldoen. [gedaagde] heeft echter een beroep gedaan op opschorting van zijn betalingsverplichting (artikel 6:37 BW) totdat duidelijk is aan wie - [eiseres], [betrokkene 2] of SNS bank - hij bevrijdend kan betalen.

4.4. Daarover oordeelt de rechtbank dat uitgangspunt is dat vanaf het moment dat het executoriaal derdenbeslag is gelegd – 15 november 2010 (artikel 475 lid 1 Rv) – [gedaagde] de huurpenningen in beginsel verschuldigd is aan de beslaglegger, te voldoen aan de deurwaarder (artikel 477 Rv). Een uitzondering daarop zijn de huurpenningen over de maanden juni en juli 2010 die in het kader van een pandrecht aan SNS zijn voldaan. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] die huurpenningen terecht aan SNS heeft afgedragen. [gedaagde] heeft niet bestreden dat het pandrecht van SNS bank is geëindigd, zoals [eiseres] onder overlegging van een emailbericht heeft gesteld. Geoordeeld wordt dan ook dat er overigens geen huurpenningen aan SNS verschuldigd zijn. Dan ligt nog de vraag voor of de eigendomsoverdracht van het pand per 1 augustus 2011 aan [betrokkene 2] een wijziging meebrengt op het hiervoor weergegeven uitgangspunt. Die vraag moet ontkennend worden beantwoord. Artikel 475h Rv bepaalt dat een vervreemding van een door het bestand getroffen vordering, tot stand gekomen nadat het beslag is gelegd, niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen (zie ook HR 25 januari 1991, NJ 1992, 172). Ook na verkoop en levering van het winkelpand aan de [adres] 4-A te [woonplaats] door [betrokkene] aan [betrokkene 2] blijft [gedaagde] de huurpenningen op grond van het onder hem gelegde executoriaal derdenbeslag verschuldigd aan de deurwaarder.

4.5. Nu er geen sprake (meer) van kan zijn dat [gedaagde] op redelijke gronden twijfelt aan wie de betaling moet geschieden, gaat het beroep op opschorting niet (meer) op. Aangezien de maandelijkse huurpenningen lager zijn dan het maandelijkse bedrag waarvoor beslag is gelegd geldt dat, behoudens de huurpenningen over de maanden juni en juli 2011 (rov. 2.6.) en de reeds gedane betaling aan [eiseres] (rov. 2.7.), [gedaagde], zolang er beslag onder hem ten laste van [betrokkene] ligt, gehouden is om alle verschenen en te verschijnen huurpenningen te voldoen aan de deurwaarder. Dit geldt zowel voor de vanaf 15 november 2010 verschenen huurpenningen als mogelijk voordien, vanaf het aangaan van de huurovereenkomst tussen [gedaagde] en [betrokkene] verschenen en nog niet aan [betrokkene] betaalde huurpenningen.

4.6. De vordering tot voldoening van buitengerechtelijke incassokosten is ter zitting ingetrokken. De nodeloos veroorzaakte kosten in verband met het alsnog doen van een gerechtelijke verklaring zijn op zichzelf toewijsbaar op grond van artikel 477a lid 1 Rv maar [eiseres] heeft in het geheel niet onderbouwd dat en zo ja in welke mate deze kosten zijn gemaakt. Het had op haar weg gelegen dat in deze procedure te doen. Bij gebreke daarvan zal deze vordering worden afgewezen. Voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure bestaat onder deze omstandigheden geen grond.

4.7. [gedaagde] zal als de merendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De explootkosten in verband met het uitbrengen van de dagvaarding worden niet in het exploot genoemd zodat daarvoor geen kostenveroordeling volgt. De tot op heden gemaakte kosten bedragen € 800,00 aan griffierecht en € 904,00 (2,5 punten x tarief II) aan salaris advocaat.

De gevorderde kosten voor beslaglegging worden afgewezen nu niet valt in te zien waarom [gedaagde], de derdebeslagene, die zou moeten dragen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [gedaagde] om alle verschenen en te verschijnen huurpenningen van het gehuurde aan de [adres] 4-A te [woonplaats] aan de deurwaarder te voldoen, met uitzondering van de huurpenningen over de maanden juni en juli 2011 en hetgeen [gedaagde] reeds aan [eiseres] heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente per de eerste van de maand dat de huurpenningen verschuldigd zijn geworden tot de dag van voldoening,

5.2. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiseres] begroot op € 800,00 aan griffierecht en € 904,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente over die proceskosten vanaf veertien dagen na heden,

5.3. veroordeelt [gedaagde] tevens in de nakosten, aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 131,- voor salaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,- voor salaris advocaat en de werkelijk gemaakte kosten voor het doen uitbrengen van een exploot van betekening,

5.4. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.P. Giesen en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2012.